ECLI:NL:RBOBR:2019:928

ECLI:NL:RBOBR:2019:928, Rechtbank Oost-Brabant, 19-02-2019, 17_871

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 19-02-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17_871
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 8 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005252 BWBR0005537

Samenvatting

Wob-zaak. Eiser heeft de minister van Justitie en Veiligheid verzocht om openbaarmaking van stukken die betrekking hebben op het mediabedrijf Simpel Media en de tv-programma’s “Ontvoerd” en “Op de Vlucht”. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond omdat de minister niet ten aanzien van alle niet-openbaargemaakte documenten goed heeft uitgelegd waarom openbaarmaking achterwege is gelaten. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen waarin hij dat beter motiveert, of waarbij hij overgaat tot het verstrekken van de stukken.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , in [woonplaats] , eiser,

de minister van Justitie en Veiligheid, de minister

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] B.V.

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/871

en

(gemachtigden: mr. S. Groeptar en mr T.J. Sterkenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2016 (het primaire besluit) heeft de minister eisers verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 1 februari 2016 (bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. De minister heeft daarbij het primaire besluit herroepen en eisers verzoek om informatie opnieuw gedeeltelijk afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 15 maart 2017 heeft eiser beroepsgronden ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 juni 2017 heeft [naam] een reactie ingediend.

Op 27 juni 2017 heeft de minister een nieuw besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit II). De minister heeft daarbij het bezwaar gegrond verklaard en het bestreden besluit I aangevuld. Het beroep van eiser wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit II.

Eiser heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 6 november 2017.

De niet door de minister aan eiser verstrekte stukken zijn wel aan de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft er op basis van artikel 8:29 van de Awb kennis van genomen.

Eiser en [naam] hebben toestemming verleend aan de rechtbank om mede op basis van de in deze zaak geheim gehouden stukken, uitspraak te doen.

De zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Op 2 januari 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen schriftelijk om nadere inlichtingen verzocht. Partijen hebben hun reacties aan de rechtbank gezonden.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het Wob-verzoek

1. Op 28 april 2016 heeft eiser aan de minister een Wob-verzoek gestuurd, waarin het volgende is opgenomen:

“(…) Op grond van de Wet openbaarheid van bestuur verzoek ik u mij alle in documenten opgenomen informatie te verstrekken die aanwezig is bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie die direct of indirect betrekking heeft op het productie- en mediabedrijf [naam] en / of het tv-programma Ontvoerd en tv-programma Op de vlucht van [naam] van RTL.

Tot de hier bedoelde, gevraagde informatie behoort onder andere maar niet uitsluitend: alle correspondentie van, met en over (medewerkers van) [naam] of gerelateerd aan het tv-programma Ontvoerd en Op de vlucht van [naam] , indirect of direct betrekking hebbend op informatieverzoeken, contact- hulp- en bijstandsverzoeken en anderszins. (…)”

De besluiten van de minister

2. De minister heeft eisers verzoek gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Op een inventarislijst heeft de minister vermeld welke documenten wel, niet of gedeeltelijk openbaar worden gemaakt en op welke grond openbaarmaking is geweigerd. De weigeringsgronden die de minister heeft gehanteerd zijn:

3. In het bestreden besluit I heeft de minister het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Op de inventarislijst bij het primaire besluit was de weigeringsgrond “X” vermeld, maar zonder toelichting wat dat betekent. De minister heeft de inventarislijst in het bestreden besluit I aangevuld door te vermelden dat “X” betekent dat documenten niet zijn verstrekt, omdat ze volgens de minister geen betrekking hebben op de bestuurlijke aangelegenheid waar eisers verzoek op ziet en dus buiten de reikwijdte van het verzoek vallen.

4. In het bestreden besluit II heeft de minister het bestreden besluit I aangevuld. Nadat eiser beroep had ingesteld, heeft de minister nogmaals gezocht naar documenten. De documenten die daarbij zijn gevonden, heeft de minister gedeeltelijk openbaar gemaakt. Op de niet openbaar gemaakte gedeelten heeft de minister de in overweging 2 en 3 genoemde weigeringsgronden van toepassing geacht.

5. De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend, omdat inmiddels een uitspraak was gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) die van belang is voor de beoordeling van deze zaak. In de heropeningsbrief heeft de rechtbank de minister verzocht zich uit te laten over die uitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:3479) in het licht van de beroepszaak. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat de minister zich alleen hoeft uit te laten over die documenten waarop hij de afwijzingsgrond uit artikel 11, eerste lid, van de Wob van toepassing heeft geacht.

6. De minister heeft naar aanleiding hiervan bij brief van 26 februari 2018 een nader standpunt ingenomen en dat aan de rechtbank gezonden. [naam] heeft een brief gestuurd waarin zij hebben gemeld geen inhoudelijk nader standpunt in te zullen nemen. De rechtbank heeft onder toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van het nadere standpunt. [naam] en eiser hebben toestemming verleend om mede op basis daarvan uitspraak te doen.

De beroepsgronden van eiser

7. Eiser heeft – kort weergegeven – de volgende beroepsgronden aangevoerd in zijn beroepschrift en in de aanvulling daarop van 6 november 2017:

Standpunt van de minister

8. De minister heeft aangevoerd dat hij wel per document kenbaar heeft gemaakt waarom openbaarmaking is geweigerd, namelijk via de inventarislijst die bij de bestreden besluiten is gevoegd. Volgens de minister heeft hij geen te beperkte uitleg gegeven aan eisers Wob‑verzoek en valt bepaalde informatie buiten de reikwijdte van het verzoek, zoals interne correspondentie van ambtenaren over het naamrecht in algemene zin, de EU demarche in Libanon en correspondentie in kinderontvoeringszaken waar [naam] niet bij is betrokken. Juist omwille van de duidelijkheid heeft de minister ervoor gekozen om de openbaar te maken informatie in een nieuw document op te nemen. Volgens de minister is dit in overeenstemming met artikel 7 van de Wob. Uit de wetsgeschiedenis van de Wob en uit vaste rechtspraak volgt dat het specifieke belang van een verzoeker geen rol kan spelen bij de in het kader van de Wob te maken belangenafweging. De weigeringsgrond “het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling” is wel juist toegepast. [naam] heeft de gegevens vertrouwelijk aan de minister meegedeeld en als vertrouwelijke correspondentie openbaar wordt gemaakt, wordt het in de toekomst moeilijker om zulke informatie te blijven ontvangen en overleg te voeren. De minister vindt verder dat hij de weigeringsgronden “documenten zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en bevatten persoonlijke beleidsopvattingen” en “eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer” wel degelijk op een juiste manier heeft toegepast.

De beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank zal eerst de beroepsgronden zoals vermeld onder a), b), d) en e) bespreken onder overweging 10 tot en met 13. Daarna zullen de overige beroepsgronden gezamenlijk worden besproken onder overweging 14.

10. Over de beroepsgrond zoals vermeld onder a) oordeelt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3429) is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder het bestuursorgaan berust, als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en die mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt. De minister heeft gesteld dat er is gezocht naar stukken die betrekking hebben op het tv-programma “Op de Vlucht”, maar dat er daarover geen documenten zijn aangetroffen. Verder heeft de minister op de zitting toegelicht dat is gekeken bij de meest logische afdelingen en dat daar geen stukken over” Op de vlucht” zijn aangetroffen. Als mogelijke verklaring hiervoor heeft de minister genoemd dat “Op de vlucht” over veroordeelden gaat van wie de straf niet ten uitvoer gelegd kan worden omdat ze uit beeld zijn verdwenen en dat de ondersteuning beperkt is, aangezien de minister dus niet weet waar ze zijn. Die mededelingen komen de rechtbank niet ongeloofwaardig voor en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de documenten toch onder de minister berusten. Daarom faalt deze beroepsgrond.

11. Over de beroepsgrond zoals vermeld onder b) oordeelt de rechtbank als volgt. Eiser heeft een lijst van 35 punten overgelegd die volgens hem aannemelijk maken dat er méér documenten zijn dan aan de rechtbank onder geheimhouding zijn overgelegd. In die 35 punten heeft hij wel openbaar gemaakte documenten genoemd waarvan de tekst hem doet vermoeden dat er nog andere documenten bestaan. Die genoemde documenten bevinden zich deels in dit dossier en deels in het dossier van een andere zaak die op dezelfde zittingsdag door de rechtbank is behandeld en waarin eiser beroep heeft ingesteld tegen een Wob-besluit van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (zaaknummer 16/3720). Artikel 8:29 van de Awb is ook op die documenten van toepassing verklaard. De rechtbank heeft alle genoemde geheime documenten onderzocht en is van oordeel dat daaruit niet is af te leiden dat er méér of andere documenten bestaan dan de documenten die zijn overgelegd. Uitzondering hierop is punt 32. In punt 32 noemt eiser de bijlagen 1, 2 en 3 die zijn genoemd in document 20, dat de minister gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt. Die bijlagen zitten niet bij de geheime stukken. De minister heeft op de zitting toegelicht dat die bijlagen buiten de reikwijdte van het verzoek vallen en daarom niet bij de stukken zitten. De rechtbank constateert dat zij op deze manier niet kan toetsen of het standpunt van de minister dat de bijlagen buiten het verzoek vallen, juist is. De beroepsgrond slaagt daarom.

12. Over de beroepsgrond zoals vermeld onder d) oordeelt de rechtbank als volgt. De minister heeft ervoor gekozen om de openbaar te maken informatie uit alle documenten onder elkaar op te nemen in een nieuw document. Hoewel de rechtbank met eiser eens is dat de manier waarop de minister in deze zaak informatie heeft verstrekt de overzichtelijkheid niet ten goede komt, heeft de minister niet in strijd met artikel 7 van de Wob gehandeld. De rechtbank geeft de minister in overweging om in toekomstige zaken niet op deze manier documenten openbaar te maken. Per niet-verstrekte passage moet immers steeds worden nagegaan waar die passage precies staat in het originele document en of er geen informatie ontbreekt. Dat levert een bijzonder tijdrovende exercitie op als de twee te vergelijken documenten niet dezelfde opmaak en lay-out hebben, en het dient de proceseconomie niet. De beroepsgrond faalt.

13. Over de beroepsgrond zoals vermeld onder e) oordeelt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2832 en van 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1246) dient het recht op openbaarmaking op grond van de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering. Bij de belangenafweging wordt het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie afgezet tegen de door de weigeringsgronden te beschermen belangen. Aan het belang van de verzoeker komt in die belangenafweging geen gewicht toe. De beroepsgrond faalt.

14. De beroepsgronden zoals vermeld onder c), f), g), h) en i) lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De rechtbank gaat daarbij als volgt te werk. Deze beroepsgronden zien op de al dan niet juiste toepassing van weigeringsgronden uit de Wob en de reikwijdte van het Wob-verzoek. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten aanzien van alle niet-openbaargemaakte documenten voldoende heeft gemotiveerd waarom openbaarmaking achterwege is gelaten. Vanwege de geheime status van de documenten (artikel 8:29 van de Awb) zullen ze alleen met het nummer dat de minister eraan heeft gegeven, worden aangeduid. De rechtbank heeft in de tabel hieronder weergegeven ten aanzien van welke documenten de motivering niet voldoende is. De reden voor dat oordeel is ook in de tabel vermeld. Als een document niet in de tabel is vermeld, houdt dat in dat de rechtbank de motivering ten aanzien van dat document in de bestreden besluiten kan volgen.

15. Het beroep is gegrond. De minister moet een nieuw besluit nemen waarin hij beter motiveert waarom de in de tabel hierboven vermelde stukken niet worden verstrekt, of waarbij hij overgaat tot het verstrekken van de stukken. Ook zal de minister bij het nieuw te nemen besluit moeten motiveren waarom de in overweging 11 genoemde bijlagen buiten de reikwijdte van het verzoek vallen, als hij dit standpunt handhaaft.

16. Gezien de aard van deze procedure ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.

17. De minister moet het griffierecht dat eiser heeft betaald, aan hem vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski - Kelders, voorzitter, en mr. J. Lie en mr. M.L.W.M. Viering, leden, in aanwezigheid van mr. M.Th. van Maurik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.

De griffier is verhinderd voorzitter

de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.H. Dworakowski - Kelders

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?