RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/354363 / HA ZA 20-27
Herstelvonnis van 25 maart 2020
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
PROVINCIE NOORD-BRABANT,
zetelend te ’s-Hertogenbosch,
eiseres,
advocaat mr. H.P. Wiersema te ’s-Hertogenbosch,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. N.M.C.H. Crooijmans te Deurne.
Partijen zullen hierna de provincie en [gedaagde] genoemd worden.
1. Het verzoek tot verbetering
Bij brief van 18 februari 2020 heeft mr. Wiersema namens de provincie de rechtbank verzocht om verbetering van het op 12 februari 2020 in deze zaak gewezen vonnis. De rechtbank heeft de drie bedragen genoemd in r.o. 2.4. van het vonnis abusievelijk bij elkaar op geteld. Dat bedrag is gebruikt als basis voor de r.o. 4.8., 4.9., 5.3., en 5.4. van het vonnis. De daarin genoemde bedragen zijn daarom niet juist.
Bij brief van 3 maart 2020 heeft mr. Crooijmans namens [gedaagde] aan de rechtbank bericht geen bezwaar tegen inwilliging van het verzoek te hebben.
2. De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat in het vonnis van 12 februari 2020 sprake is van een kennelijke fout, die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen als volgt.
3. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat r.o. 4.8. van het op 12 februari 2020 tussen de provincie en [gedaagde] gewezen vonnis, waar staat
“De rechtbank zal voorts het voorschot op de schadeloosstelling (overeenkomstig het bepaalde in artikel 54i Ow) vaststellen op 90% van de bij dagvaarding aan [gedaagde] aangeboden schadeloosstelling. Dat is een bedrag van € 346.841,10.”
wordt gewijzigd in
“De rechtbank zal voorts het voorschot op de schadeloosstelling (overeenkomstig het bepaalde in artikel 54i Ow) vaststellen op 90% van de bij dagvaarding aan [gedaagde] aangeboden schadeloosstelling. Dat is een bedrag van € 208.350,00”,
bepaalt dat r.o. 4.9. van het op 12 februari 2020 tussen de provincie en [gedaagde] gewezen vonnis, waar staat
“De rechtbank zal (ook overeenkomstig het bepaalde in artikel 54i Ow) de som van de zekerheidstelling bepalen op het verschil tussen aanbod en voorschot. Dat is een bedrag van € 38.537,90.”
wordt gewijzigd in
“De rechtbank zal (ook overeenkomstig het bepaalde in artikel 54i Ow) de som van de zekerheidstelling bepalen op het verschil tussen aanbod en voorschot. Dat is een bedrag van € 23.150,00.”,
bepaalt dat r.o. 5.3. van het op 12 februari 2020 tussen de provincie en [gedaagde] gewezen vonnis, waar staat
“stelt het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagde] vast op een bedrag van
€ 346.841,10,”
wordt gewijzigd in
“stelt het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagde] vast op een bedrag van
€ 208.350,00”,
bepaalt dat nr. 5.4. van het op 12 februari 2020 tussen de provincie en [gedaagde] gewezen vonnis, waar staat
“bepaalt de door de provincie -in de vorm van een bankgarantie- als zekerheid voor de voldoening van de aan [gedaagde] verschuldigde schadeloosstelling op een bedrag van
€ 38.537,90”
wordt gewijzigd in
“bepaalt de door de provincie -in de vorm van een bankgarantie- als zekerheid voor de voldoening van de aan [gedaagde] verschuldigde schadeloosstelling op een bedrag van
€ 23.150,00”,
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 25 maart 2020 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 12 februari 2020,
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 12 februari 2020 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2020.