RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2020 in de zaak tussen
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 20/888
Stichting Groen Kempenland, te Bladel, Stichting Brabantse Milieufederatie, te Tilburg,
Stichting Milieuwerkgroep Kempenland, te Bergeijk, eisers
(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden, verweerder
(gemachtigden: mr. M. Stoof en mr. C.W.M. van Alphen).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijf], te [vestigingsplaats]
Procesverloop
Bij besluit van 10 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten het verzoek van eisers tot handhaving ten aanzien van de inrichting [bedrijf] aan het [adres] te [woonplaats] (gedeeltelijk) toe te wijzen.
Bij besluit van 19 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit ongewijzigd in stand gelaten.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op 22 september 2020. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met zaak SHE 20/614. Namens eisers zijn de gemachtigde, [naam] en [naam] (beiden van de BMF) verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. [naam] is namens de derde-partij verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
lid 2, van het Activiteitenbesluit niet melden van het niet meer houden van rundvee en het hebben van een dieselolietank die niet aantoonbaar voldoet aan artikel 3.54d van het Activiteitenbesluit.
- Bij besluit van 14 oktober 2019 heeft verweerder het besluit van 10 september 2019 inzake de ingebrekestelling van 27 augustus 2019 herroepen en alsnog een dwangsom (€ 1.082,00) toegekend.
Eisers zijn van mening dat de last onder dwangsom van 14 oktober 2019 een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is waarbij het besluit van 10 september 2019 is gewijzigd.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 10 september 2019, waarbij verweerder het handhavingsverzoek van eisers gedeeltelijk heeft toegewezen, nog niet volledig was, omdat verweerder geen handhavingsbesluit neemt. Het is gecompleteerd met de beslissing van 14 oktober 2019, waarbij een definitieve last onder dwangsom is opgelegd. Er is sprake van verlengde besluitvorming. De beslissing van 14 oktober 2019 is geen besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. In het bestreden besluit is het gecomplementeerde besluit niet herroepen dus kunnen eisers om deze reden geen aanspraak maken op een vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eisers hebben ieder afzonderlijk verweerder in gebreke gesteld. De Stichting Groen Kempenland heeft verweerder in gebreke gesteld op 27 augustus 2019. Eisers tezamen hebben verweerder in gebreke gesteld op 20 september 2019. Eisers zijn van mening dat verweerder in navolging van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie ten onrechte in het midden heeft gelaten of op alle ingebrekestellingen wel is beslist. Zij vermoeden dat op de ingebrekestelling door Milieuwerkgroep Kempenland en de Brabantse Milieufederatie nog geen besluit is genomen.
De gemeentelijke bezwaarschriftencommissie gaat er van uit dat verweerder met zijn besluit van 14 oktober 2019 in feite op beide ingebrekestellingen heeft beslist. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat verweerder de ingebrekestelling, ingediend door de gemachtigde van Groen Kempenland, heeft geïnterpreteerd als ingebrekestelling van eisers tezamen, omdat ook het handhavingsverzoek van alle eisers tezamen afkomstig is. Verweerder heeft bij besluit van 14 oktober 2019 een (verbeurde) dwangsom toegekend van € 1.082,00.
De rechtbank is van oordeel dat, nu het inleidende verzoek om handhaving is ingediend namens alle eisers, verweerder er van uit mocht gaan dat een ingebrekestelling van één eiser heeft te gelden als een ingebrekestelling namens alle eisers. Dat betekent ook dat een besluit naar aanleiding van een ingebrekestelling van één eiser waarbij een dwangsom is toegekend vanwege het niet tijdig beslissen, gericht is aan alle eisers. Verweerder hoefde niet nog apart een beslissing te nemen over het al dan niet verschuldigd zijn van een dwangsom naar aanleiding van de latere ingebrekestelling van alle eisers. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eisers hebben aangevoerd dat de opgelegde last onder dwangsom onvolledig is. Verweerder had de derde-partij ook moeten gelasten de structurele vermindering van het aantal stuks pluimvee te melden.
Volgens verweerder is wat betreft het pluimvee slechts sprake van onderbezetting en is geen sprake van het veranderen, uitbreiden of structureel beëindigen van een milieurelevante activiteit of het veranderen van de productiecapaciteit. Er is daarom volgens verweerder geen sprake van het overtreden van de meldplicht van artikel 1.10, tweede lid, van het Activiteitenbesluit.
De derde-partij heeft aangegeven dat hij al 7 jaar (vanaf december 2012) werkt met fluctuerende aantallen pluimvee. Meestal houdt hij minder dieren met het oog op het ‘beter leven keurmerk’ maar als de markt dat vraagt, dan houdt hij ook de aantallen pluimvee als vergund in de OBM. Om bedrijfseconomische redenen wil hij de ruimte die hij nu heeft behouden.
De rechtbank is van oordeel dat het houden van wisselende hoeveelheden pluimvee door de jaren heen, niet duidt op een bewuste wijziging van de werking van de inrichting. De derde-partij heeft aangegeven dat hij, als de markt daar om vraagt, ook de vergunde dieraantallen wil kunnen houden. De derde-partij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij dit in het verleden ook heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de derde-partij de wisselende hoeveelheden pluimvee niet heeft hoeven melden op grond van artikel 1.10, tweede lid, van het Activiteitenbesluit.
5. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 18 december 2020.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.