ECLI:NL:RBOBR:2020:7005

ECLI:NL:RBOBR:2020:7005

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 27-10-2020
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 8668058 \ CV EXPL 20-3530
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Kort geding over concurrentiebeding. Werknemer heeft ontslag genomen en vordert daarna ontheffing van het concurrentiebeding dan wel beperking ervan. Werkgever eist in reconventie, kort gezegd, handhaving. De primaire vordering van ex-werknemer wordt afgewezen. Wel wordt het concurrentiebeding beperkt tot de duur van 1 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

vonnis

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 8668058 \ CV EXPL 20-3530 Vonnis van 27 oktober 2020

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: M.A.J. Aerts

tegen:

de besloten vennootschap Taxperience Interim Solutions,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie, gemachtigde: mr. D.H.C. van de Laar.

Partijen worden hierna “ [eiser] ” en “TIS” genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 7 augustus 2020 met producties;

de bij brief van 24 september 2020 van mr. Van de Laar toegezonden producties (genummerd 1 tot en met 17);

de bij brief van 25 september 2020 van mr. Aerts toegezonden producties 3 tot en met 6;

de bij brief van 28 september 2020 van mr. Aerts toegezonden productie 7;

de spreekaantekeningen van mr. Van de Laar tevens houdende eis in reconventie;

- de mondelinge behandeling van 29 september 2020.

Op 29 september 2020 heeft een zogenaamde Skype-zitting plaatsgevonden. Aan de Skype-zitting hebben deelgenomen: [eiser] en zijn gemachtigde mr. Aerts en namens TIS de heer [A] (directeur, hierna: [A] ) en haar gemachtigde mr. Van de Laar. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en zijn over en weer in de gelegenheid gesteld op elkaars stellingen te reageren.

De zaak is vervolgens aangehouden tot 9 oktober 2020 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of zij hun geschil kunnen beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst. Bij brief van 9 oktober 2020 heeft de gemachtigde van TIS de kantonrechter bericht dat partijen daarin niet zijn geslaagd, waarop vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

TIS maakt deel uit van een groep van vennootschappen die zich bezighoudt met onder andere fiscaal (juridisch) advies, fiscale aangiftewerkzaamheden en recruitment & interim solutions. TIS houdt zich vooral bezig met het vinden, bemiddelen en plaatsen van (doorgaans interim) professionals (vaak zzp-ers) bij klanten (vaak grote corporate bedrijven) met financiële en / of fiscale expertise.

[eiser] is in 2012 op basis van een overeenkomst van opdracht bij TIS gaan werken (business development) en is daar vervolgens op 1 september 2014 in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij was werkzaam in de functie van Senior Sales Interim Tax voor 40 per week tegen een salaris van (laatstelijk) € 5.610,00 bruto per maand exclusief emolumenten (vakantiegeld en een eventuele bonus). [eiser] hield zich bezig met het werven en selecteren van interim professionals op belastinggebied.

In artikel 8 van de arbeidsovereenkomst van [eiser] staat een relatiebeding, een concurrentiebeding en een niet-ronselbeding. De inhoud hiervan luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ (…) 4. Het is Werknemer verboden om binnen 18 maanden na beëindiging van deze overeenkomst (…) - zonder voorafgaande toestemming van Werkgever - werkzaam te zijn:

voor of ten behoeve van cliënten/opdrachtgevers of relaties van Werkgever, of van een aan Werkgever gelieerde entiteit of onderneming, waarvoor of ten behoeve waarvan Werknemer bij Werkgever op enig moment en in welke mate ook werkzaam of in andere mate betrokken is geweest;

de onder a. bedoelde cliënten/opdrachtgevers en relaties, direct of indirect, in zijn eigen belang of in het belang van derden te benaderen, teneinde hen te bewegen de relatie met Werkgever, of een aan Werkgever gelieerde entiteit of onderneming, ten behoeve van een concurrerende onderneming te beëindigen. Werknemer dient zich in het algemeen te onthouden van ieder activiteit die de relatie tussen Werkgever en al diens cliënten/opdrachtgevers en alle van diens overige relaties, of die van een aan Werkgever gelieerde entiteit of onderneming, in negatieve zin zou kunnen beïnvloeden (…)

5. Het is Werknemer verboden – zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Werkgever – binnen een tijdvak van 18 maanden na beëindiging van de dienstbetrekking in enigerlei vorm een onderneming, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van Werkgever te vestigen, te drijven of doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, als ook financieel in welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang te hebben of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn (…)

6. Het is Werknemer verboden gedurende 18 maanden na beëindiging van de dienstbetrekking, direct of indirect, medewerkers en (interim)kandidaten van Werkgever –daaronder begrepen opdrachtnemers van Werkgever – en van met de werkgever gelieerde ondernemingen te (doen) benaderen met het oogmerk hen te bewegen hun arbeidsovereenkomst dan wel op dat moment lopende opdrachtovereenkomst met Werkgever te beëindigen (…)”.

Bij ieder van deze bedingen is een boete vermeld van € 15.000,00 per overtreding en € 1.000,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt.

Op 3 juni 2020 heeft [eiser] aan TIS meegedeeld dat hij zijn arbeidsovereenkomst wil opzeggen, omdat hij bij CROP Accountants en Adviseurs (hierna: CROP) aan de slag wil gaan en zich daar (eveneens) bezig wil gaan houden met het werven en plaatsen van interim professionals. Een bevestiging van de opzegging heeft [eiser] nog diezelfde dag per e-mail aan TIS toegezonden.

[eiser] is vervolgens door TIS gewezen op het bepaalde in de artikelen 8.4 tot en met 8.6 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Zij heeft [eiser] ook laten weten van plan te zijn hem daaraan te houden. TIS heeft dit op 12 juni 2020 schriftelijk aan [eiser] bevestigd.

Partijen zijn nadien met elkaar in overleg getreden om te bezien of [eiser] op een dusdanige manier in dienst kan treden bij CROP, dat de bedrijfsbelangen van TIS voldoende beschermd blijven. Partijen zijn er echter niet in geslaagd om daarover afspraken te maken.

3. De vordering en het verweer in conventie

[eiser] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) primair: dat hij wordt ontheven van het concurrentiebeding, zoals bedoeld in artikel 8.5 en 8.6 van de arbeidsovereenkomst;

b) subsidiair: dat hij wordt ontheven van het concurrentiebeding en het niet benaderbeding (8.5. en 8.6) voor wat betreft de participatie bij CROP Interim B.V.;

c) meer subsidiair: dat het concurrentiebeding wordt beperkt tot een redelijke duur van zes maanden na einde dienstverband en tevens tot een straal van 50 km rondom 'sHertogenbosch;

d: nog meer subsidiair: dat TIS wordt veroordeeld tot het betalen van een voorschot op de vergoeding ex artikel 7:653 lid 5 BW ter hoogte van € 5.600,00 te vermeerderen met vakantiegeld en pensioenbijdrage voor iedere maand na 1 augustus 2020 dat TIS verkiest [eiser] aan het concurrentiebeding te houden;

e) alles totdat in een bodemprocedure wordt bepaald dat het beding niet geschonden wordt door participatie bij CROP, hetzij dat [eiser] definitief ontheffing krijgt;

f) veroordeling van TIS in de kosten van deze procedure waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[eiser] legt hieraan – kort samengevat – het volgende ten grondslag.

[eiser] heeft zijn arbeidsovereenkomst met TIS opgezegd omdat hij bij CROP in dienst kan treden. Hij zal zich daar kunnen bezighouden met het opzetten van een activiteit voor plaatsing van interim fiscale medewerkers. Meer precies betekent indiensttreding bij CROP dat hij – anders dan bij TIS – direct als ondernemer aan de slag kan gaan waarbij hij een aandeel verwerft in een nieuw op te zetten (interim) recruitment BV als onderdeel van de CROP organisatie, waarbij de focus van de werkzaamheden zal liggen op het plaatsen van interim fiscaal specialisten bij derden. Behalve een functieverbetering betekent indiensttreding bij CROP ook een aanzienlijke verbetering van zijn salaris. Hoewel [eiser] zich realiseert dat hij strikt genomen het concurrentiebeding met TIS zal schenden als hij gaat samenwerken met CROP, is hij van mening dat er voldoende redenen zijn om het concurrentiebeding geheel – of in ieder geval gedeeltelijk – te vernietigen c.q. te schorsen. Bovendien is hij een interim recruiting professional met 14 jaren ervaring, waarvan hij de laatste zes jaren heeft gewerkt bij TIS. Als hij aan het beding gehouden wordt, kan hij niet werkzaam zijn in zijn expertise, te weten het werven van belastingdeskundigen voor cliënten. De toe te passen belangenafweging dient daarom dan ook in het nadeel van TIS uit te vallen.

De overige stellingen van [eiser] zullen hierna bij de beoordeling, voor zover relevant, worden besproken.

TIS voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van de vordering. Op het verweer van TIS, wordt voor zover van belang, hierna onder de beoordeling nader ingegaan.

4. De vordering en het verweer in reconventie

TIS vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. [eiser] te verbieden in dienst te treden, werkzaam te zijn voor, of te participeren in CROP B.V. of enig daaraan gelieerde onderneming gedurende een periode van 18 maanden te rekenen van 1 augustus 2020;

B. [eiser] te verbieden om relaties en kandidaten van TIS als bedoeld in de artikelen 8.4 en 8.6 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen te benaderen en/of te bedienen gedurende een periode van 18 maanden te rekenen vanaf 18 augustus 2020;

C. Al het voorgaande onder verbeurte van een dwangsom van € 15.000,00 per overtreding en een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dan wel een deel daarvan, dat deze overtreding voortduurt;

D. [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

TIS legt hieraan – kort samengevat – het volgende ten grondslag.

Nu het onderdeel van CROP waar de interim activiteiten worden ondergebracht een concurrerende onderneming is, kunnen TIS en Crop als elkaars concurrenten worden beschouwd. TIS heeft een zwaarwegend belang bij instandhouding en handhaving van het concurrentiebeding. [eiser] is namelijk al vanaf het begin betrokken bij (de oprichting van) TIS en weet alles van de bedrijfsvoering en de kring van relaties en kandidaten. Daar komt nog bij dat hij is geworven voor CROP door de heer [B] , een oud-partner bij TIS. Samen weten [eiser] en [B] alles over TIS, waardoor iedere mogelijkheid tot eerlijke concurrentie is uitgesloten. Ook wekt de gehele gang van zaken bij TIS het vermoeden dat CROP zich niet in de weg zal laten zitten door het relatie- en geheimhoudingsbeding van [eiser] , waardoor handhaving van het concurrentiebeding de enige mogelijkheid voor TIS is om haar bedrijfsdebiet te beschermen.

De overige stellingen van TIS zullen hierna bij de beoordeling, voor zover relevant, worden besproken.

[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. Op het verweer van [eiser] , wordt voor zover van belang, hierna onder de beoordeling nader ingegaan.

5. De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.

De arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en TIS is vóór 1 januari 2015 tot stand gekomen, zodat op grond van overgangsbepaling XXIIc van de Wet werk en zekerheid artikel 7:653 (oud) BW van toepassing is, zoals dat vóór 1 januari 2015 luidde.

De spoedeisendheid van de vordering van [eiser] is door TIS niet bestreden. Overigens ligt in de aard van deze vordering ook reeds besloten dat er een spoedeisend belang aanwezig is. [eiser] is daarom ontvankelijk in zijn vordering.

Vooropgesteld wordt dat in deze kort geding procedure aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek of bewijslevering, beoordeeld dient te worden of de vorderingen van partijen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is daarop vooruit te lopen door deze toe te wijzen.

Partijen twisten erover of [eiser] aan het concurrentiebeding kan worden gehouden.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een werknemer vrije keuze van arbeid heeft, maar dat daarop onder voorwaarden beperkingen mogelijk zijn. Een van die mogelijke beperkingen is een (geldig) concurrentiebeding waarbij de werknemer wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de arbeidsovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn. [eiser] heeft zich in september 2014 bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met TIS (schriftelijk) aan een dergelijk beding gebonden. Het beding is aldus, ingevolge het bepaalde in artikel 7:653 lid 1 (oud) BW, geldig overeengekomen.

De vraag moet worden beantwoord of er in dit kort geding grond is voor schorsing van het beding. Een concurrentiebeding beperkt een werknemer in zijn grondrecht van vrije arbeidskeuze. Een dergelijke beperking is slechts geoorloofd als daar een gewichtig belang van de werkgever tegenover staat. Op grond van artikel 7:653 BW kan de rechter een beding geheel of gedeeltelijk vernietigen als in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. In kort geding kan een dergelijk beding geheel of gedeeltelijk worden geschorst indien voldoende aannemelijk is dat het beding in een bodemprocedure (geheel of gedeeltelijk) zal worden vernietigd.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat TIS en CROP als elkaars concurrenten kunnen worden aangemerkt. Gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, kan worden aangenomen dat CROP van plan is om dezelfde structuur op te zetten als TIS voor het plaatsen van interim professionals op fiscaal vlak en dat zij dus actief zullen zijn in dezelfde branche. Voorts is voldoende aannemelijk dat de branche waarin zij werkzaam zijn niet is beperkt tot een deel van Nederland, maar heel het land betreft.

Volgens [eiser] is er niettemin grond voor (gehele of gedeeltelijke) schorsing van het beding. Hij voert aan dat hij zich al enige tijd niet meer gewaardeerd voelde. Hij wilde graag mede-ondernemerschap en heeft dit bij TIS ook aan de orde gesteld. TIS heeft echter besloten hieraan geen gevolg te geven. Verder doorgroeien in functie en salaris waren evenmin mogelijk, aldus [eiser] . Om die reden is hij op zoek gegaan naar mogelijkheden buiten TIS. Vervolgens is hij in contact gekomen met CROP, die te kennen heeft gegeven met hem te willen samenwerken. CROP kan hem wel aanzienlijke groeimogelijkheden bieden en zij is daartoe ook bereid. De nieuwe mogelijkheid betekent onder meer dat [eiser] direct als ondernemer aan de slag kan gaan bij CROP, waarbij hij een aandeel verwerft in een nieuw op te zetten (interim) recruitment BV als onderdeel van de CROP-organisatie, waarbij de focus van de werkzaamheden zal liggen op het plaatsen van interim fiscaal specialisten bij derden. Hij voert aan dat hij bij CROP € 8.250,- bruto per maand kan verdienen, exclusief een lucratieve dividenduitkering, met een doorgroeimogelijkheid naar € 12.075,- per maand. [eiser] stelt dat hij aldus een groot belang heeft bij de mogelijkheid om in dienst te treden bij CROP. Hij voert aan dat de belangen van TIS voldoende worden beschermd door het relatie- en geheimhoudingsbeding.

Ten aanzien van het belang van TIS bij (volledige) handhaving van het beding wordt het volgende overwogen.

Een concurrentiebeding is bedoeld om het bedrijfsdebiet - de opgebouwde knowhow en goodwill - van de werkgever te beschermen. Het enkele feit dat een werknemer overstapt naar een concurrent en daarbij bij de werkgever opgedane kennis ervaring meeneemt, betekent nog niet dat de werkgever bij het vertrek van die werknemer in zijn bedrijfsdebiet is aangetast.

In dit geval is de vrees voor aantasting van het bedrijfsdebiet van TIS door een overstap van [eiser] naar CROP naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter echter wel gegrond.

Vast staat immers dat [eiser] bij CROP een soortgelijke functie zal gaan uitoefenen als bij TIS. Ook heeft TIS onweersproken gesteld dat [eiser] vanaf het begin betrokken is geweest bij de oprichting van TIS en dus alles weet van de bedrijfsvoering en de kring van relaties en kandidaten. Tijdens zijn dienstjaren bij TIS heeft [eiser] een persoonlijk netwerk opgebouwd onder klanten en kandidaten, waardoor het risico dat [eiser] deze relaties via persoonlijke binding meeneemt niet geheel ondenkbaar is. [eiser] kan zijn specifieke knowhow/kennis bij CROP aldus aanwenden om te concurreren met TIS, nu CROP zich op dezelfde markt voor interim-fiscalisten wil gaan richten. Die vrees wordt bovendien gevoed door de omstandigheid dat [eiser] bij CROP gaat samenwerken met de bij TIS vertrokken oud-partner [B] , die kennelijk voornemens is binnen CROP eenzelfde onderneming als TIS op te zetten. Het is daarom aannemelijk dat het gevaar bestaat dat CROP door indiensttreding van [eiser] bij haar een concurrentievoordeel verkrijgt ten opzichte van TIS. Tevens is aannemelijk dat daarmee het bedrijfsdebiet van TIS zou worden aangetast. TIS heeft aldus een gewichtig belang bij handhaving van het concurrentiebeding.

Tegenover het belang van TIS staat het belang van [eiser] , te weten het belang niet te worden beperkt in zijn recht op een vrije arbeidskeuze en, meer in het bijzonder, zijn belang om in dienst te kunnen treden bij CROP. [eiser] is voor zijn inkomen afhankelijk van een baan. En de baan bij CROP zou voor hem een positieverbetering kunnen betekenen.

Ten aanzien van de beloning van [eiser] heeft TIS erop gewezen dat [eiser] bij haar, naast het salaris van € 5.610,- per maand, ook een autokosten vergoeding van € 1.200,-, vakantiegeld en een pensioenbijdrage ontving, terwijl deze posten kennelijk begrepen zijn in het salaris van € 8.250,- dat [eiser] bij CROP zou gaan verdienen, en het verschil in salaris dus niet groot is. Dat heeft [eiser] niet weersproken. Het salarisverschil blijkt een paar honderd euro per maand te bedragen. Daarnaast ontving [eiser] bij TIS ook jaarlijks een bonus, terwijl onduidelijk is wat de hoogte van de dividenduitkering bij CROP zou zijn.

Voorts heeft TIS betwist dat er bij haar voor [eiser] geen mogelijkheden tot doorgroeien in functie en salaris bestonden en heeft zij aangevoerd dat [eiser] nimmer eerder kenbaar heeft gemaakt dat hij zich ondergewaardeerd voelde dan wel dat hij de wens had om te gaan ondernemen, terwijl TIS hem in 2017 heeft aangeboden om te participeren, welk aanbod [eiser] heeft afgeslagen.

Wat dan het verschil vooral zou maken is de doorgroeimogelijkheid voor [eiser] bij CROP naar € 12.075,- per maand, die hem is voorgespiegeld. Dat levert wel een belang op aan de zijde van [eiser] om in dienst te kunnen treden bij CROP, hoewel dat belang niet zo groot is als [eiser] heeft doen voorkomen, gelet op de posten die kennelijk in het genoemde bedrag aan salaris bij CROP zijn begrepen. Voorts moet dat belang worden gerelativeerd, aangezien thans niet kan worden uitgesloten dat er voor hem bij TIS ook doorgroeimogelijkheden bestonden.

De kantonrechter is voorshands van oordeel dat het belang van [eiser] om in dienst te kunnen treden bij CROP – carrièrekansen en een wat sterker stijgende beloning – niet opweegt tegen het belang van TIS bij handhaving van het concurrentiebeding.

[eiser] heeft zijn arbeidsovereenkomst met TIS zelf opgezegd, wetende dat hij het concurrentiebeding door indiensttreding bij CROP vermoedelijk zou overtreden. Dat [eiser] nu geen baan heeft, heeft hij derhalve aan zichzelf te wijten. Hierin is geen gerechtvaardigd belang voor hem gelegen om het concurrentiebeding te laten schorsen.

Voorts blijkt nergens uit dat [eiser] elders geen redelijk salaris zal kunnen verdienen. TIS heeft onweersproken gesteld dat hij al 14 jaar als interim recruiting professional werkzaam is, maar zelf geen fiscale opleiding of achtergrond heeft. Hij is dus niet per se op die markt aangewezen. Het enige verschil voor [eiser] tussen het werven van belastingdeskundigen en het werven van andere arbeidskrachten is dat hij zijn huidige netwerk in de fiscale wereld heeft. [eiser] heeft echter hoe dan ook ruime ervaring als recruiter en aangenomen mag worden dat hij ook buiten de fiscale interim wereld aan een baan zal kunnen komen.

Alles afwegende is de kantonrechter van oordeel dat de belangen van TIS bescherming verdienen door middel van het concurrentiebeding. Het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding volstaan daartoe niet.

Aangenomen kan echter worden dat [eiser] door tijdsverloop op een grotere afstand van TIS en haar bedrijfsvoering en de kring van relaties en kandidaten zal komen te staan, waardoor het concurrentievoordeel steeds kleiner wordt. Gelet hierop, en op het belang van vrije arbeidskeuze van [eiser] , is onverkorte handhaving van het concurrentiebeding voor de duur van 18 maanden niet op zijn plaats. Gebruikelijk is ook dat een concurrentiebeding, mede gelet op het recht van vrije arbeidskeuze, niet langer geldt dan voor een jaar. TIS heeft voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er grond is om het beding voor langer dan een jaar te laten gelden. Dat het moeilijk is om een vervanger voor [eiser] op hetzelfde niveau te vinden creëert geen belang dat het concurrentiebeding beoogt te beschermen.

Er is daarom reden om de werkingsduur van het concurrentiebeding te beperken door het beding met ingang van 1 augustus 2021 te schorsen. [eiser] dient zich er uiteraard rekenschap van te geven dat het geheimhoudingsbeding na ommekomst van deze periode blijft gelden.

Er is onvoldoende reden om het concurrentiebeding te beperken tot een straal van 50 km rondom ’sHertogenbosch of Brabant. TIS heeft voldoende onderbouwd dat het geografisch gebied waarbinnen zij werkzaam is niet beperkt is tot de omgeving van ’s-Hertogenbosch of tot Brabant, maar heel Nederland bestrijkt.

De (nog meer) subsidiaire vordering van [eiser] tot het bij wijze van voorschot toekennen van een billijke vergoeding gedurende de periode waarin het concurrentiebeding wordt gehandhaafd, zal worden afgewezen. Voor toekenning van een dergelijke vergoeding is vereist dat handhaving van het beding de werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn. Zoals hiervoor overwogen is niet aannemelijk dat dat het geval is. Het concurrentiebeding beperkt [eiser] slechts om bij concurrenten werkzaam te zijn. Niet aannemelijk is dat hij daarbuiten geen werk zal kunnen vinden.

Tevens is hierbij relevant dat [eiser] de arbeidsovereenkomst met TIS zelf heeft opgezegd.

TIS heeft in reconventie, sub C, een dwangsom gevorderd. Daarvoor is echter onvoldoende grond. De dwangsom zou [eiser] ertoe moeten bewegen het concurrentiebeding na te leven. Een dergelijke prikkel tot nakoming is echter al neergelegd in het boetebeding dat onderdeel is van de tekst van het beding in de arbeidsovereenkomst. Dit beding heeft haar gelding behouden. Er bestaat geen reden om daarnaast nog een dwangsom op te leggen. De vordering van TIS sub C zal dus worden afgewezen.

De vorderingen in conventie en in reconventie zullen aldus worden toegewezen respectievelijk afgewezen op de wijze zoals hierna is vermeld onder de beslissing.

Omdat [eiser] als de in conventie in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden, zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. De proceskosten in reconventie zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter:

in conventie

- schorst het in artikel 8.5 van de arbeidsovereenkomst overeengekomen concurrentiebeding met ingang van 1 augustus 2021;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van TIS tot heden begroot op € 720,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de 15e dag na heden tot de dag van voldoening;

- verklaart dit vonnis waar het de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

- verbiedt [eiser] in dienst te treden bij, werkzaam te zijn voor, of te participeren in CROP Interim B.V. of enige daaraan gelieerde onderneming gedurende een periode van 12 maanden te rekenen vanaf 1 augustus 2020;

- verbiedt [eiser] om relaties en kandidaten van TIS als bedoeld in de artikelen 8.4 en 8.6 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen te benaderen en/of te bedienen gedurende een periode van 18 maanden te rekenen vanaf 1 augustus 2020;

wijst het meer of anders gevorderde af;

- compenseert de kosten van de procedure, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Wiggers en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2020.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand