RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2021 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne, verweerder
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 20/482
(gemachtigde: mr. L. Pronk),
en
(gemachtigden: [naam] en [naam]).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] te [woonplaats],
vergunninghouder.
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ voor het vergroten van een garage op het perceel [adres] te [woonplaats].
Bij besluit van 13 januari 2020 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, het primaire besluit in stand gelaten en het verzoek tot vergoeding van de proceskosten afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Eiser heeft tevens beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen de weigering om handhavend op te treden tegen de garage en wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een erfafscheiding.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2020, gelijktijdig met de zaak SHE 20/785. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Vergunninghouder is verschenen.
Overwegingen
Vaststelling dwangsom
Omgevingsvergunning
Belanghebbende? 1. Verweerder stelt in zijn verweer en ter zitting dat eiser geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. Eiser woont op ruime afstand, schuin tegenover het perceel en heeft vanuit zijn woning maar een zeer beperkt zicht op de garage. De garage heeft volgens verweerder geen enkele invloed op zijn woon- en leefomgeving.
2. Het uitgangspunt in het omgevingsrecht is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit.Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt.
Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
3. Ter zitting is op basis van een door verweerder overgelegde foto onweersproken gesteld dat de afstand vanaf de garage tot de woning van eiser circa 10 meter bedraagt. Gelet op de ter zitting door eiser getoonde foto’s acht de rechtbank niet uitgesloten dat hij zicht heeft op de garage vanuit zijn woning en/of vanaf het terras aan de voorzijde van zijn woning. Gelet hierop en gezien de beperkte afstand tot de garage en de omvang hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit eiser terecht als belanghebbende heeft aangemerkt.
Binnenplanse afwijkingsbevoegdheid
4. Eiser stelt dat verweerder bij de verlening van de omgevingsvergunning geen toepassing heeft kunnen geven aan artikel 17, aanhef en onder a, van de beheersverordening, omdat de overschrijding in ieder geval meer bedraagt dan 32 centimeter. Hiertoe voert eiser aan dat de goothoogte hoger is dan 3,47 meter. Eiser baseert dit op een controle door een toezichthouder ter plaatse op 24 juni 2019. Daarbij is volgens eiser vastgesteld dat de hoogte van het bijgebouw, gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van de weg, 3,85 meter bedraagt.
Dat gemeten moet worden vanaf de weg, zoals bepaald in artikel 2, onder a, bij het begrip ‘peil’ van de beheersverordening volgt uit het feit dat het bouwwerk grenst aan de weg.
Indien (wel) gemeten zou moeten worden vanaf de gemiddelde hoogte van het afgewerkt maaiveld, dan heeft de garage een goothoogte van 3,81 meter. Dat is nog steeds een overschrijding van 61 cm van de maximale goothoogte.
Tevens is volgens eiser van belang dat het perceel (deels) kunstmatig is opgehoogd. Ter plaatse van de uitrit is de grond opgehoogd om zo een aansluiting van het bijgebouw naar de weg te maken. In dat geval dient gemeten te worden vanaf de oorspronkelijke, vóór de plaatsgevonden ophoging aanwezige als natuurlijk aan te merken terreinhoogte. Aldus had uitgegaan dienen te worden van de hoogte van het bijgebouw vanaf de kruin van de weg, waarbij eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2717.
5. Ter plaatse van het perceel waarop de aanvraag ziet geldt de beheersverordening “Houtenhoek/Schutsboom – de Romein”. Het perceel ligt, voor zover hier van belang, binnen het besluitvak “Woongebied”. Verder is het perceel bestemd tot “Waarde – Archeologie Gematigd”.
6. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven het advies van de Bezwaarschriftencommissie voor burgers en rechtspersonen te hebben overgenomen. In dit advies is gesteld dat beoordeling van de op 20 augustus 2019 ingediende aanvraag leidt tot de conclusie dat niet aan de voorschriften van de beheersverordening wordt voldaan. Op grond van artikel 4.3.2, onder g, (lees: artikel 10.2.3, onder g,) van de beheersverordening is de goothoogte van de garage ter plaatse niet toegestaan. Volgens de commissie is voldoende vast komen te staan dat er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een goede ruimtelijke ordening, zodat verweerder op juiste gronden gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in artikel 17, onder a, van de beheersverordening om van het hiervoor genoemde artikel af te wijken ten behoeve van een garage met een goothoogte van 3,47 meter.
7. De rechtbank overweegt het volgende. De goothoogte van de garage mag op grond van artikel 10.2.3, onder g, van de beheersverordening niet meer dan 3,20 meter bedragen. Ter zitting is komen vast te staan dat de aanvraag om omgevingsvergunning van 20 augustus 2019 ziet op een goothoogte van 3,20 meter. Aldus was de aanvraag qua goothoogte in overeenstemming met het bestemmingsplan. Bij de vergunningverlening is echter rekening gehouden met het feit dat de feitelijke situatie qua goothoogte afwijkt van de aangevraagde situatie. Verweerder heeft beoogd de gerealiseerde situatie te legaliseren en heeft daarom toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) in samenhang gelezen met artikel 17, onder a, van de beheersverordening. Verweerder dient echter te beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, maar een hogere goothoogte heeft vergund dan is aangevraagd, dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Bezien dient vervolgens te worden of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
8. Partijen zijn verdeeld over de feitelijke, gerealiseerde goothoogte en daarmee over de vraag of verweerder de bestaande situatie bij het bestreden besluit al dan niet heeft gelegaliseerd. In dat kader is van belang hoe de goothoogte dient te worden gemeten. Voor de wijze van meten van de goothoogte heeft verweerder het bepaalde onder b bij het begrip ‘peil’ in artikel 2 van de beheersverordening in aanmerking genomen. Verweerder stelt te zijn uitgegaan van de minst gunstige situatie. De garage is gemeten op het laagstgelegen punt van het perceel en daarbij is een goothoogte van 3,47 meter vastgesteld. De hoogte van de garage is gemeten vanaf het direct aansluitend afgewerkte maaiveld tot aan de bovenzijde van de dakrand, terwijl het maaiveld van [adres] van voor naar achteren bezien ongeveer 50 centimeter omlaag loopt. Ter zitting is gebleken dat het verschil van inzicht over de feitelijke hoogte voortvloeit uit het feit dat verweerder van mening is dat het peil dient te worden bepaald aan de kant van de [adres] en eiser van mening is dat het peil aan de kant van de [adres] dient te worden bepaald. Gelet op het feit dat het bouwperceel overwegend is georiënteerd aan de [adres] is de rechtbank van oordeel dat het peil aan de kant van de [adres] dient te worden bepaald en de garage niet onmiddellijk aan de weg grenst als bedoeld in onderdeel a van de begripsbepaling van ‘peil’. Verweerder heeft het peil aldus overeenkomstig artikel 2 van de beheersverordening gemeten. Voor zover eiser stelt dat sprake is geweest van een ophoging van het terrein en dat gemeten had moeten worden met inachtneming van de oorspronkelijke terreinhoogte overweegt de rechtbank dat vergunninghouder ter zitting heeft betwist dat er een ophoging van het terrein heeft plaatsgevonden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het terrein is opgehoogd. Verder stelt de rechtbank vast dat in artikel 2 van de beheersverordening, anders dan in artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, niet is bepaald dat plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven bij het meten van hoogten vanaf het aansluitend afgewerkte terrein. Deze zaak is dan ook niet op één lijn te stellen met de kwestie die in de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2019 aan de orde was. Verder is de rechtbank niet gebleken dat verweerder het rapport van de toezichthouder van 24 juni 2019 niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de gerealiseerde garage qua goothoogte past binnen de in artikel 17 van de beheersverordening opgenomen afwijkingsbevoegdheid van 10% voor de goothoogte en dat van een overschrijding van de vergunde goothoogte van 3,47 meter dus geen sprake is.9. Eiser voert verder aan dat het bouwplan in strijd is met artikel 10.2.3, onder f, van de beheersverordening, omdat de in dit artikel toegelaten maximale diepte van 18 meter voor het hoofdgebouw met bijgebouw aanzienlijk wordt overschreden. Een redelijke uitleg van dit artikel brengt volgens eiser met zich dat deze geldt voor alle bijgebouwen die zich ter hoogte van de achtergevel naar achteren uitstrekken, ook als deze niet letterlijk tegen de achtergevel zijn gerealiseerd.
10. Verweerder heeft hierover gesteld dat de nieuwe aanbouw een diepte heeft van 8,30 meter, zodat aan artikel 10.2.3, onder f, van de beheersverordening wordt voldaan.
11. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat de garage tegen de zijgevel is gebouwd, zodat het bouwplan reeds hierom niet in strijd is met artikel 10.2.3, onder f, van de beheersverordening. Dat het volgens eiser niet logisch is dat een bijgebouw volgens de beheersverordening een onbegrensde diepte zou mogen hebben als het tegen een zijgevel is gebouwd leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat hier om een verbodsbepaling die een grondslag biedt voor handhavend optreden. Deze bepaling dient daarom, omwille van de rechtszekerheid, letterlijk te worden uitgelegd, nu de rechtszekerheid vereist dat kan worden uitgegaan van hetgeen in de beheersverordening is bepaald. Omdat de desbetreffende regel verder duidelijk is, is er, anders dan eiser betoogt, geen aanleiding om daar een ruimere uitleg aan te geven, ook al zouden de regels omtrent diepte van bijgebouwen volgens eiser dan omzeild kunnen worden door bijgebouwen tegen de zijgevel aan te bouwen. De rechtbank verwijst hierbij naar vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:772. Overigens is de oppervlakte van bijgebouwen tegen een zijgevel wel gemaximeerd door artikel 10.2.3, onder e, van de beheersverordening.
Belangenafweging
12. Eiser stelt dat verweerder in de hele besluitvormingsprocedure met geen woord heeft gerept over zijn belangen. Verweerder kon niet volstaan met te verwijzen naar de belangenafweging die bij de vaststelling van de beheersverordening heeft plaatsgevonden.
13. Zoals volgt uit het bepaalde in de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, kan de omgevingsvergunning bij toepassing van de binnenplanse afwijkingsregeling slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.Daarnaast geldt dat verweerder bij zijn besluitvorming over een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte heeft. Dat betekent in dit geval dat verweerder de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechter toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.14. In het primaire besluit is gesteld dat er geen stedenbouwkundige bezwaren tegen de voorgestelde afwijking van het bestemmingsplan zijn. Doordat alleen de goothoogte slechts 20 cm meer bedraagt, wordt er geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld. De hogere goothoogte levert geen significante verslechtering op voor het ruimtelijk beeld ten opzichte van de openbare ruimte. Het ruimtelijk en stedenbouwkundig beeld en de invloed op het directe omgevingskarakter verandert niet fundamenteel. Het bijgebouw grenst niet onmiddellijk aan de weg. De afwijking van minder dan 10% is gezien de uitbreidingsrichting en locatie voorstelbaar en acceptabel, zo is gesteld.
15. De rechtbank is van oordeel dat hiermee wel degelijk een afweging van (onder andere) eisers belangen heeft plaatsgevonden, nu niet is gebleken dat er andere belangen van omwonenden door de realisatie van een hogere goothoogte in geding zijn dan de aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld. De rechtbank is niet aannemelijk geworden dat door de vergunde goothoogte het woon- en leefklimaat van eiser zodanig wordt aangetast, dat verweerder hierom de omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft mogen verlenen. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat voor zover het bouwplan past binnen de beheersverordening, de hierbij betrokken belangen moeten worden geacht te zijn afgewogen bij de vaststelling hiervan.
Bouwbesluit 2012
16. Eiser stelt dat het bouwplan op diverse punten niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Verweerder had op grond hiervan de vergunning dienen te weigeren.
17. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) neergelegde relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat eiser zich met succes kan beroepen op het Bouwbesluit 2012.
18. Blijkens de stukken zien de door eiser bedoelde gebreken op ontbrekende ventilatievoorzieningen, te weten twee muurroosters in de achtergevel van de garage voor de toevoer van ventilatielucht en een afvoer in het dak.
19. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van eiser.
20. De rechtbank is van oordeel dat deze eisen aan de bebouwing niet zijn opgesteld ter bescherming van de belangen van eiser, zodat deze beroepsgrond hierom niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
Uitweg
21. Eiser stelt dat de realisatie van de uitweg onlosmakelijk is verbonden met de bouw van de garage en dat verweerder ten onrechte niet heeft beslist op dit onderdeel van de aanvraag. Verder merkt eiser op dat het advies van de commissie op dit punt niet is te volgen.
22. Verweerder heeft in het primaire besluit gesteld dat in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) geen vergunningstelsel is opgenomen voor het maken van een uitweg, waardoor deze activiteit niet vergunningplichtig is. Een uitweg mag alleen worden aangelegd als deze voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 2:12 van de APV. De activiteit ‘uitweg maken’ maakt dan ook geen onderdeel uit van deze omgevingsvergunning, aldus verweerder. In het advies van de commissie, dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, is gesteld dat de uitrit in strijd is met artikel 2:12 van de APV en dat de uitrit pas gelegaliseerd kan worden wanneer hiervoor een omgevingsvergunning wordt verleend.
23. Verweerder heeft in het primaire besluit terecht gesteld dat de APV geen vergunningenstelsel kent voor het maken van een uitweg, zodat geen sprake is van een vergunningplichtige activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wabo. Verder is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van een vergunningplichtige activiteit op grond van artikel 2.1 van de Wabo. Gelet hierop en gezien de definitiebepaling van het begrip ‘onlosmakelijke activiteiten’ in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo kan er reeds hierom geen sprake zijn van strijdigheid van het bestreden besluit met artikel 2.7 van de Wabo, nog daargelaten dat onlosmakelijke activiteiten alleen aan de orde zijn als de activiteiten fysiek niet te scheiden zijn.
24. Ten aanzien van de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte niet heeft beslist op de aanvraag voor zover dat ziet op het aanleggen of veranderen van een uitrit, overweegt de rechtbank het volgende. Aan het bestreden besluit is het advies van de commissie ten grondslag gelegd. Hierin is, zoals reeds volgt uit het vorenoverwogene, ten onrechte gesteld dat het maken van een uitweg vergunningplichtig is op grond van de APV. Een bestuurlijk rechtsoordeel, wat de in het primaire besluit gedane mededeling van verweerder dat voor het maken van een uitweg geen omgevingsvergunning is vereist is, is in de regel geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit is slechts anders indien het doen van een aanvraag voor een vergunning onevenredig bezwarend is, dan wel indien het doen van een verzoek om het treffen van handhavingsmaatregelen wegens het intreden van onomkeerbare gevolgen of anderszins onevenredig bezwarend is.De rechtbank is van oordeel dat zich in dit geval geen uitzonderingssituatie voordoet, zodat het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in plaats van ongegrond.
Conclusie
25. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
26. Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de betaling van dwangsommen, omdat niet tijdig is besloten op het bezwaar in de hiermee samenhangende handhavingsprocedure met betrekking tot de garage en eveneens niet tijdig is besloten op het bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunning voor een erfafscheiding. Verweerder had bij beschikking de hoogte van de dwangsom dienen vast te stellen, maar heeft dit ten onrechte niet gedaan.
27. De rechtbank overweegt hierover als volgt.Vast staat dat op 16 januari 2020 de beslissing op bezwaar met betrekking tot de verleende omgevingsvergunning voor de erfafscheiding is genomen en op 18 februari 2020 de beslissing op bezwaar tegen het besluit tot weigering om handhavend op te treden tegen de garage.
28. Bij brief van 10 december 2019 is verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op genoemde bezwaren. Bij brief van 23 december 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder hierop inhoudelijk gereageerd. Hoewel in deze brief en de daarbij behorende toelichting niet expliciet is gesteld dat verweerder meent geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen verschuldigd te zijn, volgt uit deze brief wel duidelijk dat verweerder de ingebrekestelling afwijst omdat de beslistermijnen volgens verweerder niet zijn verstreken, wat neerkomt op het standpunt dat het geen dwangsom is verschuldigd. Deze brief is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 4:18 van de Awb, ook al staat er geen rechtsmiddelenclausule onder.
29. Met betrekking tot het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunning voor de erfafscheiding overweegt de rechtbank het volgende. Bij besluit van 30 juli 2019 is een omgevingsvergunning voor de erfafscheiding verleend. Dit besluit is ook op deze datum bekendgemaakt, zodat de beslistermijn voor verweerder voor het nemen van een besluit op het tegen dat besluit door eiser ingediende bezwaarschrift is aangevangen op 11 september 2019. De beslistermijn voor het bezwaarschrift bedroeg twaalf weken en eindigde op 3 december 2019. Verweerder heeft bij besluit van 26 november 2019 echter gebruik gemaakt van de in artikel 7:10, derde lid, van de Awb geboden mogelijkheid de beslistermijn te verlengen met 6 weken, zodat uiterlijk op 14 januari 2020 een beslissing op bezwaar diende te zijn genomen. Nu de ingebrekestelling op 10 december 2019 heeft plaatsgevonden en op dat moment de beslistermijn nog niet was verstreken, kan de brief van 10 december 2019 op dit punt niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb. Omdat geen ingebrekestelling heeft plaatsgevonden, is op grond van artikel 4:17 van de Awb geen dwangsom verschuldigd. Verweerder heeft het verzoek om vaststelling van de dwangsom in zoverre terecht afgewezen.
30. Voor zover verweerder stelt dat het bezwaar/beroep tegen het besluit van 23 december 2019 te laat is ingediend, overweegt de rechtbank dat nu er beroep is ingesteld tegen het handhavingsbesluit van 20 februari 2020 dit beroep op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking heeft op het besluit van 23 december 2019.
31. Over de gestelde overschrijding van de beslistermijn met betrekking tot het ingediende bezwaar tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek ten aanzien van de garage, overweegt de rechtbank het volgende.
32. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 29 januari 2019 op 30 januari 2019 is bekendgemaakt, zodat de beslistermijn voor verweerder voor het nemen van een besluit op het tegen dat besluit door eiser ingediende bezwaarschrift is aangevangen op 14 maart 2019. De beslistermijn voor het bezwaarschrift bedroeg twaalf weken en eindigde op 5 juni 2019.Van een premature ingebrekestelling is volgens de rechtbank geen sprake. Niet is gebleken dat verweerder de beslistermijn voor 6 weken heeft verdaagd als bedoeld in artikel 7:10, derde lid, van de Awb. Verder komt aan het feit dat de beslistermijn volgens verweerder een aantal keren is opgeschort op verzoek van eiser dan wel met instemming van eiser geen betekenis toe, omdat op die momenten de beslistermijn al verstreken was. Nu verweerder niet uiterlijk op 5 juni 2019 een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft het niet tijdig beslist. Pas met het besluit van 18 februari 2020 heeft verweerder de beslissing op bezwaar in de handhavingsprocedure genomen. Er zijn na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen verstreken na de eerste dag waarop ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb, zoals dat gold ten tijde van belang, de dwangsom is verschuldigd. Daarom is de maximale dwangsom van € 1.442,00 verbeurd. Verweerder is er in het besluit van 23 december 2019 dan ook ten onrechte van uitgegaan dat hij geen dwangsom verschuldigd was. Dit besluit komt wegens strijd met de artikelen 4:17 en 4:18 van de Awb in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat verweerder aan eiser een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar en de hoogte van deze dwangsom vast stellen op een bedrag van € 1.442,00. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 23 december 2019.Proceskosten en griffierecht 33. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
34. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond;- vernietigt de bestreden besluiten I en II;- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I in stand blijven;- stelt de hoogte van de door verweerder aan eiser verschuldigde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar in de handhavingsprocedure vast op een bedrag van € 1.442,00;- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden besluiten I en II voor zover deze zijn vernietigd;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eiser te vergoeden;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 31 december 2021.
griffier de rechter is verhinderd te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
BIJLAGE
Artikel 1.1In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:(…);onlosmakelijke activiteit: activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2;(…).
Artikel 2.1, eerste lid
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, (..),
d. t/m i. (..).
Artikel 2.2, eerste lid
Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
a. t/m c. (..);
d. een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b,
e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,
f. t/m k. (..);
geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
Artikel 2.71. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.(…).
Artikel 2.12
1.Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
b. t/m d. (..).
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4. (..).
5. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.
6. Geen dwangsom is verschuldigd indien:
a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b. de aanvrager geen belanghebbende is, of
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
7. (..).
Artikel 4:18
Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.
Artikel 4:19
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
2. De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
3. In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist.
4. (..).
Artikel 6:12
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
Artikel 7:10
1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of -indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld- binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
2. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
3. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.
4. Verder uitstel is mogelijk voor zover:
a. alle belanghebbenden daarmee instemmen,
b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of
c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.
5. Indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, doet het bestuursorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.
Artikel 7:14
Artikel 3:6, tweede lid, afdeling 3.4, de artikelen 3:41 tot en met 3:45, afdeling 3.7, met uitzondering van artikel 3:49 en titel 4.1, met uitzondering van de artikelen 4:14, eerste lid, en 4:15, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdelen b en c, derde lid en vierde lid en paragraaf 4.1.3.2, zijn niet van toepassing op besluiten op grond van deze afdeling.
Artikel 8:69a
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
beheersverordening “Houtenhoek/Schutsboom-de Romein”
Artikel 2 Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
-goothoogte van een bouwwerk
verticaal vanaf de laagst gelegen snijlijn van elk dakvlak, met elk daaronder staand buitenwerks gevelvlak, tot aan het peil.
-peil
a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
Artikel 10 Woongebied
Omschrijving besluitvlak
De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen, in bestaande woningen;
b. t/m h. (..);
i. wegen, paden en parkeren;
j. (..).
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels.
Algemeen
Het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 50% van het bouwperceel, met uitzondering van bouwpercelen met een oppervlakte kleiner dan 250 m², waarvan het bebouwingspercentage niet meer mag bedragen dan 60%.
Bijgebouwen
a. De voorgevel van een bijgebouw dient minimaal 2 meter achter de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw te worden geplaatst.
b. Bijgebouwen mogen in de zijdelingse perceelgrens worden gebouwd. Op hoekpercelen moet een bijgebouw gelegen zijn achter de voorgevellijn van het om de hoek gelegen hoofdgebouw, tenzij een bijgebouw wordt gebouwd op een perceelgedeelte waarop ook een hoofdgebouw is toegestaan.
c. Voor de voorgevel van het hoofdgebouw mogen erkers, entreeportalen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits de afstand van de voorgevel van de erker, het entreeportaal of het vergelijkbare bouwwerk tot de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 meter bedraagt.
d. Bij een vrijstaand hoofdgebouw mag slechts tegen één zijgevel een bijgebouw worden gebouwd.
e. De gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en/of tegen de zijgevel van het hoofdgebouw aangebouwde bijgebouwen, met uitzondering van bijgebouwen die zijn gelegen op het perceelsgedeelte waarop ook hoofdbebouwing is toegestaan, mag per bouwperceel, onder voorwaarde dat het maximale bebouwingspercentage niet mag worden overschreden, niet meer bedragen dan: (..).
f. De horizontale diepte van een hoofdgebouw met een tegen de achtergevel aangebouwd bijgebouw, mag niet meer dan 15 meter bedragen, met dien verstande dat deze diepte bij een vrijstaand hoofdgebouw niet meer dan 18 meter mag bedragen.
g. De goothoogte van bijgebouwen mag, met uitzondering van bijgebouwen welke zijn gelegen op het perceelsgedeelte waarop ook hoofdbebouwing is toegestaan, niet meer dan 3,20 meter en de bouwhoogte niet meer dan 6,50 meter bedragen. Uitsluitend voor de bouw van duivenhokken mag de goothoogte maximaal 4,50 meter bedragen.
h. De bijgebouwen mogen worden voorzien van een plat dak of mogen vanaf de maximaal toegestane goothoogte worden voorzien van een kap met minimaal twee hellende dakvlakken met een nok, waarvan de dakhelling niet meer dan 45 graden mag bedragen, met dien verstande dat: (..).
Artikel 17 Algemene afwijkingsregels
Indien niet op grond van een andere regel van deze regels afgeweken kan worden en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de desbetreffende regels van de verordening voor:
a. andere dan de voorgeschreven minimum- en maximummaten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
(…).
Algemene Plaatselijke Verordening Deurne 2018
Artikel 2:12 Het maken of veranderen van een uitweg
1. Het is verboden een uitweg naar de weg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen indien de uitweg:
a. zich op minder dan 5 meter uit een hoek of bocht bevindt;
b. zich op minder dan 2 meter van een gemeentelijke boom bevindt;
c. binnen de bebouwde kom door gemeentelijke beplanting of over meer dan 20 strekkende meter gras gaat;
d. over een sloot wordt aangelegd zonder dat de benodigde voorzieningen zijn getroffen voor de doorstroming van het water; of
e. uitkomt op een openbare parkeerplaats of parkeerstrook.
2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Verordening wegen Noord-Brabant 2010.