[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, (het college),
(gemachtigden: C. Nuijten en mr. H. Marcus).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [naam] en [naam] uit [woonplaats] , eigenaren en bewoners van het perceel [adres] ,
(gemachtigde: [naam] ).
Inleiding
12. Eiser heeft geen misbruik van procesrecht gemaakt. Het enkele feit dat eiser naast het verzoek om handhaving dat bij dit beroep aan de orde is, nog een verzoek om handhaving heeft gedaan ten aanzien van het perceel is onvoldoende voor dat oordeel. Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat de verzoeken om handhaving niet identiek zijn, omdat het andere verzoek gaat over de bebouwing op het perceel. Bovendien kan niet worden gezegd dat eiser zonder redelijk doel of belang beroep heeft ingesteld in de onderhavige zaak. Het belang van eiser is gelegen in het wegnemen van (stank-)overlast en aantasting van zijn privacy door het gebruik van het naastgelegen buurperceel. Daarmee is sprake van een gerechtvaardigd belang bij het voeren van een bestuursrechtelijke procedure. Of eiser gelijk heeft, is daarbij niet van belang.
Overtreding?
13. Partijen zijn verdeeld over vraag of het gebruik van het perceel voor het hobbymatig houden en berijden van een paard en een pony in strijd is met het geldende bestemmingsplan “Kom Bosschenhoofd”. Tijdens de zitting is door eiser en zijn gemachtigde aangegeven dat hij met het verzoek tot handhaving alleen beoogt dat het gebruik van het perceel voor het houden en berijden van een paard en pony wordt beëindigd. Het geschil ziet niet meer op de activiteit “bouwen” (paardenbak). Verder is niet in geschil dat de paarden niet bedrijfsmatig worden bereden.
13. Op het perceel [adres] rust op grond van het bestemmingsplan “Kom Bosschenhoofd” (het bestemmingsplan) de bestemming “Wonen” (artikel 14 van de planregels). Tussen partijen is dat ook niet in geschil. Op grond van artikel 14.1.1 van de planregels zijn deze gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor woningen, één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, groenvoorziening, parkeervoorzieningen, paden e.d. en overeenkomstig de in 14.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.
13. Eiser betoogt dat het hobbymatig houden van een paard en een pony in strijd is met het bestemmingsplan. Het stallen en berijden van 2 paarden in een paardenbak in de achtertuin van een woning is in strijd met de woonbestemming. Eiser voert aan dat planologisch gezien de [adres] duidelijk behoort tot de bebouwde kom van Bosschenhoofd. Eiser ondervindt in de naastgelegen achtertuin overlast door het gebruik van de paarden. De overlast uit zich onder meer in schending van privacy, geluid -en geurhinder (geur paardenmest) en vliegen die op de paarden afkomen, aldus eiser.
13. Voor zover eiser aanvoert dat het college de feiten ten onrechte niet heeft vastgesteld aan de hand van een door een toezichthouder opgesteld proces-verbaal, omdat het verslag dat is gemaakt niet op ambtseed of belofte is opgemaakt, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals tijdens de zitting aangekondigd, ziet de rechtbank aanleiding om aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting het gebruik dat van het perceel wordt gemaakt met het berijden van de paarden als volgt vast te stellen. De aard van het gebruik leent zich daarvoor en partijen hebben tijdens de zitting de hierna volgende weergave van het gebruik niet betwist. Dat betekent dat ook het college zonder een op ambtseed of belofte opgemaakt proces-verbaal dat gebruik kon vaststellen. In zoverre slaagt het betoog van eiser niet.
13. Voor zover van belang voor dit beroep, stelt de rechtbank het volgende vast. Gelet op een luchtfoto van Google die tijdens de zitting aan partijen is getoond en die door partijen niet wordt betwist, ligt het perceel aan de rand van de bebouwde kom in een straat met aan één kant vrijstaande woningen en relatief grote en diepe percelen. Aan de andere kant van de straat ligt een woonwijk. Het perceel grenst aan de westkant aan het perceel van eiser. Aan de achterkant van het perceel - waar de paarden worden bereden - bevindt zich een spoorlijn en begint het buitengebied. Los van de vraag wat de exacte oppervlakte is van het deel van het perceel waar het houden en berijden plaatsvindt, betreft het een relatief diep perceel waar de betreffende paarden in het achterste deel onder een overkapping kunnen verblijven (paddock) maar ook uit eigen beweging naar voren kunnen lopen en in het met schriklint en palen omheinde middengedeelte (rijbak) kunnen verblijven. Het berijden vindt plaats op het middendeel. Tussen de afrastering en de perceelsafscheiding/heg van circa 2,25 meter hoog bevindt zich een smalle strook grond. Door de eigenaren van het perceel is de heg ter hoogte van de rijbak voorzien van heidematten om doorkijk naar het perceel van eiser te voorkomen. De paarden schuilen en overnachten onder een open overkapping. Ter hoogte van het gedeelte waar de dieren worden bereden, is geen sprake van woonbebouwing op het naastgelegen perceel van eiser. De paarden worden meerdere dagen van de week bereden. De pony wordt door een jong meisje uit de buurt gereden zonder betaling. Op het grotere paard rijdt de bewoonster van de woning.
18. De rechtbank heeft voor de beoordeling van de vraag of met het houden en berijden van een paard en een pony op het perceel sprake is van gebruik in strijd met de woonbestemming, gekeken naar recente jurisprudentie op dit gebied, waaronder de door eiser genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 20 november 2019 en de door verweerder vermelde uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022. In deze rechtspraak hanteert de Afdeling bij de beoordeling van de vraag of bepaalde vormen van gebruik zich verdragen met een woonbestemming een vaste lijn. De vraag of het gebruik van de gronden voor het houden en rijden van paarden in strijd is met de woonbestemming dient te worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat specifieke gebruik, gezien zijn aard, omvang en intensiteit, heeft. Hierbij dient de aard van de omgeving en de relatie van het perceel tot het buitengebied te worden betrokken. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is, dat deze niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het betrokken perceel, aldus de Afdeling.
19. De rechtbank ontleent aan de hiervoor weergegeven rechtspraak dat als het gaat om de vraag of hobbymatig gebruik van dieren in overeenstemming met een woonbestemming is, naast de aard en intensiteit van het gebruik, de omvang van het perceel, de plaats van het gebruik op het perceel (voor -of achterkant woning), de afstand tot naburige woonbebouwing, en de omgeving van het perceel van belang wordt geacht door de Afdeling. Als het gebruik plaatsvindt in een betrekkelijk grote tuin die aansluit op het buitengebied, zal het gebruik eerder in overeenstemming zijn met de woonbestemming dan gebruik in een achtertuin die onderdeel is van een achtererfgebied dat door woning wordt omsloten, zo leidt de rechtbank af uit de rechtspraak van de Afdeling.
19. Gelet op de aard en intensiteit van het gebruik en de ligging van het deel van het perceel waar de paarden worden gehouden, is de rechtbank van oordeel dat het houden en berijden van de twee dieren niet in strijd is met de woonbestemming. Wat betreft de aard en intensiteit van het gebruik: de dieren worden een aantal uren per week door bereden door de eigenaresse van het naburige perceel, de vaste verzorgster, terwijl de pony door de eigenaar en een jong meisje uit de buurt worden gereden. Wat betreft de ligging van het perceel: de paarden worden bereden aan de achterkant van het perceel. Weliswaar is de omvang van de paardrijbak voor een woonperceel niet onaanzienlijk, vast dat het gaat om een perceel aan de rand van de bebouwde kom in een straat met aan één kant vrijstaande woningen en relatief grote en diepe percelen. Aan de achterkant van het perceel - waar de paarden rijden - bevindt zich een spoorlijn en begint het buitengebied. Verder grenst de paardenbak niet direct aan de woning van eiser en het aangrenzende terras.
19. Door eiser is tevens aangevoerd dat het hobbymatig gebruik ook in strijd is met de woonbestemming omdat bij agrarische percelen in de omgeving een paardenbak in de planregels alleen uitdrukkelijk en onder voorwaarden is toegestaan. Bij een lichtere bestemming zoals “wonen”, moet het houden van paarden in een paardenbak geacht te zijn uitgesloten van het gebruik dat is toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit niet dat het houden van de paarden een overtreding van het bestemmingsplan oplevert. Het gaat in dit geval alleen om de uitleg van de woonbestemming die op het perceel rust en de vraag of het houden en berijden van de beide dieren in overeenstemming daarmee is met de woonbestemming. De uitleg van de agrarische bestemming op percelen in de omgeving van het perceel is niet aan de orde. Ook in zoverre slaagt het betoog van eiser niet.
19. Nu geen sprake is van een overtreding in strijd met artikel 14 van de planregels van het bestemmingsplan “Kom Bosschenhoofd”, wordt niet toegekomen aan de door eiser aangevoerde gronden dat het college behoort op te treden vanwege stankoverlast (paardenmest) en schending van zijn privacy (inkijk in zijn tuin), en dat het college ten onrechte niet uitgaat van een beginselplicht tot handhaving, maar een belangenafweging toepast. Conclusie en gevolgen
19. Het gebruik van het perceel is niet in strijd met de woonbestemming van het bestemmingsplan. Het college is derhalve niet bevoegd tot handhavend optreden en heeft het verzoek van eiser terecht afgewezen.
19. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Huijben, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2022.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
.
.