ECLI:NL:RBOBR:2022:5383

ECLI:NL:RBOBR:2022:5383, Rechtbank Oost-Brabant, 09-12-2022, 22/936 en 22/947

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 09-12-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/936 en 22/947
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006368 CELEX:32002L0008 EU:32002L0008

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser dat hij heeft ingesteld in verband met zijn verzoeken aan de Raad met betrekking tot geschillen over rechtsbijstand die hij heeft in Duitsland, Spanje en België. In die verzoeken heeft hij de Raad gevraagd zich in te spannen om buitenlandse instanties ertoe te bewegen zich te houden aan de minimumvoorschriften die voortvloeien uit Richtlijn 2002/8/EG. De Raad heeft op deze verzoeken gereageerd en aangegeven niet aan de verzoeken mee te werken. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zij bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Dit beoordeelt de rechtbank aan de hand van de artikelen 8:7, tweede en derde lid, van de Awb, artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb en artikel 7, derde lid, aanhef en onder f, van de Wrb. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet zij, maar de rechtbank Gelderland, bevoegd is kennis te nemen van het geschil. De rechtbank acht de woonplaats van de indiener van het beroep bepalend voor beantwoording van de vraag welke van de vijf (ressorts)rechtbanken bevoegd is in grensoverschrijdende geschillen, waar geen Nederlandse advocaat in beeld is of geen aanvraag om toevoeging aan de orde is. De rechtbank volgt daarmee een eerdere uitspraak van de Afdeling, zij het dat zij voor de vestigingsplaats van de advocaat, de woonplaats van de indiener van het beroep leest. De rechtbank sluit daarmee ook aan bij de (algemene) regels over relatieve competentie. De rechtbank merkt op dat dit nu de tweede keer is dat onduidelijkheid is ontstaan over de uitleg van artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb. De rechtbank geeft de Raad en de wetgever daarom nadrukkelijk in overweging om bijlage 2 bij de Awb of het Besluit op dit punt aan te (laten) passen.

Uitspraak

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (de Raad)

(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).

Inleiding

Regels die van belang zijn

8. In artikel 8:7, tweede lid, van de Awb staat dat de rechtbank bevoegd is binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft. In artikel 8:7, derde lid, staat dat, in afwijking van het tweede lid, tegen besluiten die worden genoemd in hoofdstuk 3, van bijlage 2 bij de Awb, slechts de daar aangewezen rechtbank bevoegd is.

9. Voor beslissingen van de Raad zijn in hoofdstuk 3 van bijlage 2 bij de Awb regels opgenomen over welke rechtbank bevoegd is, namelijk in artikel 8, derde lid, van de bijlage. In dat artikel staat dat tegen een besluit van de Raad, bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank in het arrondissement waar de Raad is gevestigd.

10. In artikel 1 van het Besluit vestigingsplaatsen Raad voor Rechtsbijstand (het Besluit), staat dat de Raad vestigingen heeft in: - Amsterdam (ressort Amsterdam);- Arnhem en Leeuwarden (ressort Arnhem-Leeuwarden);- ’s-Gravenhage (ressort Den Haag) en - ’sHertogenbosch (ressort ’sHertogenbosch). Verzoeken eiser

11. Eiser heeft in zijn verzoeken de Raad verzocht om:- zich in te spannen dat Duitsland zich houdt aan richtlijn 2002/8/EG van de Raad van de Europese Unie, - zijn bezwaarschrift te vertalen dat hij wil indienen tegen een beslissing van de Spaanse autoriteiten en - een bezwaarschrift door te zenden naar de Belgische autoriteiten. De verzoeken van eiser aan de Raad volgen op beslissingen van de Duitse, Spaanse respectievelijk Belgische autoriteiten om hem rechtsbijstand te weigeren bij geschillen die eiser in die landen heeft met andere partijen.

Motivering oordeel rechtbank

12. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat op het beroep artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb van toepassing is omdat het bestreden besluit een besluit is als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wrb. Eén van de beslissingen die in hoofdstuk 2 wordt genoemd, is de beslissing over de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in een grensoverschrijdend geschil als bedoeld in hoofdstuk IIIa van de Wrb (zie artikel 7, derde lid, aanhef en onder f, van de Wrb). Het bestreden besluit is een beslissing in een grensoverschrijdend geschil en is als zodanig vatbaar voor beroep. Dat betekent dat aan de bestuursrechter de vraag kan worden voorgelegd of de reacties van de Raad op de verzoeken van eiser besluiten zijn waartegen bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld.

12. De regel over relatieve competentie in artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb over beslissingen van de Raad vindt de rechtbank niet duidelijk. De regel is namelijk voor meerdere interpretaties vatbaar. Zij licht de onduidelijkheid als volgt toe.

12. Artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb kan bijvoorbeeld zo worden gelezen dat de indiener per beroep de keuze heeft om beroep in te stellen bij één van de vijf rechtbanken in het arrondissement waar de Raad is gevestigd. Dat is ongewenst en kan volgens de rechtbank ook niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest, omdat met de bijlage juist is beoogd om één bevoegde rechtbank aan te wijzen. De bijlage kan ook zo worden gelezen dat de bevoegdheid van de rechtbank de vestiging van de Raad volgt waarvan het besluit afkomstig is. In dit geval is het bestreden besluit echter afkomstig van het kantoor van de Raad in Utrecht, waar de Raad volgens het Besluit geen vestiging heeft. Een dergelijke benadering biedt dus ook geen uitkomst.

12. De onduidelijkheid kan ertoe leiden dat per beroep van eiser wordt bepaald welke rechtbank bevoegd is, met verschillende uitkomsten. Dat is zowel voor eiser, de Raad als de rechtbank onwenselijk. Daarom ziet de rechtbank aanleiding artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb uit te leggen voor beslissingen van de Raad over grensoverschrijdende geschillen en deze in een uitspraak vast te leggen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat tijdens de zitting is gebleken dat eiser naast de in de “Inleiding” genoemde verzoeken, nog andere verzoeken bij de Raad heeft ingediend die ook gaan over grensoverschrijdende geschillen.

12. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij haar uitspraak van 2 maart 2016 een oordeel gegeven over de relatieve competentie als het gaat om beslissingen van de Raad. Die uitspraak gaat over zaken waar een advocaat om toevoeging heeft verzocht. Dat is bij de verzoeken van eiser, waar geen Nederlandse advocaat in beeld is, niet aan de orde. De uitspraak van de Afdeling is daarom niet “één-op-één” van toepassing op dit beroep. Om echter niet al te veel verschillen te laten ontstaan in de benadering over de relatieve competentie van beslissingen van de Raad, zal de rechtbank zoveel mogelijk aansluiten bij de benadering van de Afdeling in die uitspraak.

17. De rechtbank komt tot het volgende oordeel. De rechtbank zal de woonplaats van de indiener van het beroep bepalend laten zijn voor de vraag welke van de vijf (ressorts)rechtbanken bevoegd is in grensoverschrijdende geschillen, waar geen Nederlandse advocaat in beeld is of geen aanvraag om toevoeging aan de orde is. Dit oordeel houdt voor het beroep van eiser in dat de rechtbank Gelderland bevoegd is om daarvan kennis te nemen. Eiser woont namelijk in Deventer , dat is gelegen in het ressort Arnhem-Leeuwarden. Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2016, is de rechtbank Gelderland dan bevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiser. De rechtbank volgt daarmee de uitspraak van de Afdeling, zij het dat zij voor de vestigingsplaats van de advocaat, de woonplaats van de indiener van het beroep leest. Met dit oordeel sluit de rechtbank ook aan bij regels over relatieve competentie in de Awb (zie artikel 8:7, tweede lid, van de Awb).

17. Voor zover de Raad heeft aangevoerd dat in het verleden de relatieve competentie in grensoverschrijdende geschillen was toebedeeld aan de rechtbank Den Haag, omdat deze geschillen bij de Haagse vestiging waren geconcentreerd, leidt dat betoog niet tot een ander oordeel, alleen al omdat een dergelijke competentieverdeling nu niet meer uit artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb volgt.

17. Na de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2016, is dit nu de tweede keer dat onduidelijkheid is ontstaan over de uitleg van artikel 8, derde lid, van bijlage 2 bij de Awb. Kostbare tijd van eiser, de Raad en de rechtbank is opgegaan aan de vraag welke rechtbank bevoegd is. Dat is zonde. De rechtbank geeft de Raad en de wetgever nadrukkelijk in overweging om bijlage 2 bij de Awb of het Besluit op dit punt aan te (laten) passen. Het is geen ingewikkeld probleem en kan dus zonder al te veel moeite, bijvoorbeeld via wijziging van bijlage 2 bij de Awb of van het Besluit worden opgelost. Conclusie

17. De rechtbank komt tot de slotsom dat niet zij, maar de rechtbank Gelderland bevoegd is om kennis te nemen van het beroep. Zij zal de dossiers die bij haar zijn geregistreerd met de nummers SHE 22/936 en SHE 22/947 voor verdere behandeling aan de rechtbank Gelderland doorzenden.

17. Deze beslissing van de rechtbank gaat alleen over de vraag welke rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van eiser. Met deze uitspraak is door de rechtbank geen inhoudelijk oordeel gegeven over het beroep. Die beslissing is aan de rechtbank Gelderland.

17. Omdat bij deze beslissing van de rechtbank nog geen inhoudelijk oordeel is gegeven over het beroep, doet de rechtbank ook nog geen uitspraak over de door eiser gevraagde veroordeling van de Raad in de door hem gemaakte proceskosten en over het verschuldigde griffierecht. Ook die beslissing is aan de rechtbank Gelderland.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Huijben, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Oosterveer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2022.

Een kopie van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending is direct hierboven met een stempel weergegeven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.A.W. Huijben

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?