ECLI:NL:RBOBR:2022:761

ECLI:NL:RBOBR:2022:761, Rechtbank Oost-Brabant, 03-03-2022, 20/3340

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 03-03-2022
Datum publicatie 22-03-2022
Zaaknummer 20/3340
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2023:4250
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005108

Samenvatting

Aanslag zuiveringsheffing. Wasplaats en werkplaats motorvoertuigen zijn één object voor de zuiveringsheffing. Geen motiveringsgebrek. Opbrengstlimiet niet overschreden. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

de heffingsambtenaar van het Waterschap De Dommel, verweerder

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/3340

(gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk),

en

(gemachtigde: mr. M.J.W. van den Kieboom).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het belastingjaar 2019 een definitieve aanslag zuiveringsheffing (aanslagnummer [nummer] ) met dagtekening 30 juni 2020 opgelegd, naar een bedrag van € 2.548,05 voor het object [adres] te Eindhoven.

Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2020 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via een beeldverbinding (Skype) plaatsgevonden op 9 december 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten Eiseres was in 2019 eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: het bedrijfsobject). Aan haar is op grond van de Verordening Zuiveringsheffing Waterschap De Dommel 2019 (hierna: de Verordening) een definitieve aanslag zuiveringsheffing opgelegd.

De definitieve aanslag is vastgesteld conform artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water. In het belastingjaar 2019 werd door eiseres 2843 m³ water ingenomen, waarvan 765 m³ ten behoeve van de wasplaats en 2078 m³ ten behoeve van de werkplaats motorvoertuigen. Voor de wasplaats was de indeling in klasse 5 van de tabel afvalwatercoëfficiënten met afvalwatercoëfficiënt 0,0060 per m³ ingenomen water van toepassing, en voor de werkplaats motorvoertuigen was de indeling in klasse 8 van de tabel afvalwatercoëfficiënt met afvalwatercoëfficiënt 0,0230 per m³ ingenomen water van toepassing. De vervuilingswaarde is daarmee berekend op 765 m³ x 0,0060 (= 4,59 vervuilingseenheden (ve)) en 2078 m³ x 0,0230 (47,79 ve), in totaal 52,3 ve. Het tarief per ve bedraagt € 48,72.

Verweerder heeft aan eiseres een definitieve aanslag zuiveringsheffing, voor het kalenderjaar 2019, opgelegd tot een bedrag van € 2.548,05 (52,3 x € 48,72). Na verrekening met de voorlopige aanslag voor het kalenderjaar 2019 (€ 2,338,56) resteerde een door eiseres te betalen bedrag van € 209,49.

Geschil en beoordeling

1. Tussen partijen is in geschil of verweerder aan eiseres terecht een aanslag zuiveringsheffing heeft opgelegd.

2. Ter zitting is gebleken dat niet langer tussen partijen in geschil is dat de NEN-normbladen zoals die voorkomen in de Verordening 2019 aan de kenbaarheidseisen voldoen. Eiseres handhaaft deze beroepsgrond niet, zodat deze geen bespreking behoeft.

Objectafbakening? 3. Eiseres voert aan dat [adres] ten onrechte is aangemerkt als één object voor de zuiveringsheffing. Volgens eiseres is er sprake van enerzijds een wasplaats en anderzijds een werkplaats motorvoertuigen. Daarbij acht eiseres van belang dat in artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water en bijlage II van de Verordening (Tabel afvalwater coëfficiënten) aan zowel de wasstraat als de werkplaats motorvoertuigen een afzonderlijke afvalwatercoëfficiënt wordt toegekend. Eiseres is de mening toegedaan dat zowel de wasstraat als de werkplaats motorvoertuigen op grond van artikel 1, onder h, van de Verordening kwalificeren als een zelfstandige bedrijfsruimte, en als zodanig in de belastingheffing moeten worden betrokken.

4. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt en volgt het standpunt van verweerder, zoals uiteengezet in alinea 4 van het verweerschrift:

“Op grond van artikel 1, aanhef en onder h, van de Verordening (welke definitie overeenkomt met artikel 122c, onderdeel i, van de Waterschapswet) wordt onder bedrijfsruimte verstaan een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringstechnisch werk of een riolering.

Gerechtshof Amsterdam heeft voor de uitleg van het begrip bedrijfsruimte op 27 mei 2004 een richtinggevende uitspraak gedaan. Het Hof heeft in die uitspraak het volgende overwogen:

Uit de woorden ‘als afzonderlijk geheel te beschouwen’ leidt het Hof af dat van een bedrijfsruimte eerst sprake is indien de ruimte, voor wat betreft zijn bedrijfsfunctie, voldoende zelfstandigheid bezit. Die zelfstandigheid dient naar het oordeel van het Hof te worden afgeleid uit de aard en inrichting van de ruimte, waarbij bepalend is of de gebruiker bij het gebruik van de bedrijfsruimte op een wijze waarvoor deze naar aard en inrichting is bestemd, meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen. Is dat laatste het geval dan bezit de ruimte onvoldoende zelfstandigheid. (…) Voor het gebruik als bedrijfsruimte acht het Hof de aanwezigheid van sanitaire voorzieningen in het algemeen van wezenlijk belang, aangezien de in het bedrijf werkzame personen niet zonder deze voorzieningen zullen kunnen.”Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat ook in de wasstraat van het bedrijfsobject geen sanitaire voorzieningen aanwezig zijn, waardoor het personeel hiervoor afhankelijk is van elders aanwezige voorzieningen. Eiseres heeft dit ter zitting weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele betwisting door eiseres, zonder enige nadere onderbouwing, onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van verweerder. Deze beroepsgrond treft geen doel.

5. Eiseres vindt dat verweerder in strijd met de artikelen 7:11, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende is ingegaan op de in het bezwaarschrift ingenomen stelling inzake het ontbreken van de onderbouwing van de omvang van de aan de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing toegerekende personeelslasten. Daarmee heeft eiseres twijfel uitgesproken of sprake is van een last ter zake. Verweerder heeft om die reden geen heroverweging van het bestreden besluit doen plaatsvinden en tevens niet voldaan aan de motiveringsplicht.

6. De rechtbank begrijpt deze grond aldus dat eiseres van mening is dat sprake is van een motiveringsgebrek dan wel dat de bestreden uitspraak in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, waaronder begrepen de heroverweging. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak leiden motiveringsgebreken dan wel onzorgvuldigheden niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak (zie de arresten van de Hoge Raad van 28 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5146, en 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5668). Eventuele motiveringsgebreken dan wel onzorgvuldigheden kunnen in beroep worden hersteld en hoeven niet op voorhand te leiden tot vernietiging van de aanslag.

7. Daar komt bij dat verweerder in de uitspraak op bezwaar uitvoerig is ingegaan op wat eiseres in de bezwaarprocedure naar voren heeft gebracht ten aanzien van de overschrijding van de opbrengstlimiet. Ook de bezwaargrond inzake de verdeling van de personeelslasten over de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing is daarbij besproken. Daarbij heeft verweerder gebruik gemaakt van teksten en tabellen uit de beleidsbegroting 2019 en is daarop een toelichting gegeven. Dat eiseres die uitleg onvoldoende vindt, betekent niet dat sprake is van een motiveringsgebrek.

8. Pas ter zitting heeft eiseres gesteld dat zij een beroep heeft willen doen op de overschrijding van de opbrengstlimiet. De rechtbank verwijst naar de arresten van de Hoge Raad van 4 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:777) en 18 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:938) over de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden en welke stelplicht en bewijslast partijen hebben. Daaruit volgt dat, als een belanghebbende aan de orde stelt dat de opbrengstlimiet is overschreden, de heffingsambtenaar (verweerder) inzicht moet verschaffen in de kostendekkendheid van de Verordening. Pas als vervolgens de belanghebbende gemotiveerd één of meerdere (kosten)posten in twijfel trekt, moet verweerder naar vermogen de geuite twijfel wegnemen.

9. In de bestreden uitspraak heeft verweerder al gewezen op de Beleidsbegroting 2019 van het algemeen bestuur van Waterschap De Dommel d.d. 28 november 2018, waaruit expliciet blijkt dat van een overschrijding van de opbrengstlimiet geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat hij heeft aangevoerd en overgelegd inzicht in de ramingen van de baten en de “lasten ter zake” verschaft. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

10. De eis dat verweerder inzicht in de ramingen van baten en lasten ter zake dient te verschaffen houdt niet in dat verweerder de juistheid en/of volledigheid van die ramingen dient te bewijzen. Vereist is dat de ramingen van de baten en lasten ter zake moeten berusten op gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar dan wel gegevens die op geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren. Met wat eiseres heeft aangevoerd omtrent de door verweerder in het geding gebrachte ramingen heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat die ramingen niet aan dit vereiste voldoen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de ramingen van de baten en lasten ter zake niet ten aanzien van alle posten zekerheid of een volledig inzicht kan bestaan en ook dat van de gemeente niet mag worden verlangd dat zij van alle in de Verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, voorzitter en mr. C.F.E. van Olden-Smit en mr. G.H. de Heer-Schotman, leden, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 3 maart 2022.

griffier De voorzitter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.J. van Leijenhorst
  • mr. C.F.E. van Olden-Smit
  • mr. G.H. de Heer-Schotman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2022/699
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?