[eisers], uit [woonplaats], eisers
(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss (verweerder)
(gemachtigde: [naam]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het opleggen van een boete van € 944,40.
Verweerder heeft bij primair besluit van 11 mei 2022 (hierna: boetebesluit 1) aan eisers een boete opgelegd van € 1.418,99. Eisers zijn tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Tijdens de procedure in bezwaar heeft verweerder boetebesluit 1 herroepen en vervangen door het primaire besluit van 8 september 2022 (hierna: boetebesluit 2) waarbij aan eisers een boete is opgelegd van € 944,40. Het bezwaar heeft daarom volgens verweerder van rechtswege mede betrekking op boetebesluit 2. Met het bestreden besluit van 13 oktober 2022 op het bezwaar van eisers heeft verweerder een gebrek in de mandaatverlening van boetebesluit 1 gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en boetebesluit 2 in stand gelaten.
De rechtbank heeft het beroep van eisers tegen het bestreden besluit op 19 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de oplegging van een boete van € 944,40 aan eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat boetebesluit 2 in strijd is met artikel 10:3, vierde lid, van de Awb. Maar dat betekent niet dat eisers er beter van worden omdat de rechtbank zelf de boete vaststelt op € 944,40. Wel krijgen eisers de proceskosten en het griffierecht vergoedt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en omstandigheden
4. Verweerder heeft in het besluit van 26 februari 2020 de aanvullende bijstandsuitkering van eisers ingetrokken met ingang van 13 mei 2019 vanwege een schending van de inlichtingenplicht. Eisers moeten daarom € 2.837,98 terugbetalen. Verweerder heeft aangekondigd dat hij zou gaan beoordelen of hij aan eisers vanwege de schending van de inlichtingenplicht ook een boete zou gaan opleggen. Eisers zijn akkoord gegaan met het uitstellen van het gesprek over de beoordeling van de boete tot na de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2020. Op 12 juni 2020 is het bezwaar gericht tegen het besluit van 26 februari 2021 ongegrond verklaard. Vervolgens is het hiertegen gerichte beroep (SHE 20/1757) door deze rechtbank bij uitspraak van 30 juni 2021 ongegrond verklaard.
Bij brief van 3 mei 2022 aan eisers heeft [naam] (consulent inkomen) aangegeven dat hij gaat beoordelen of aan eisers een boete wordt opgelegd. In de brief staat dat eisers niet hebben gemeld dat zij in 2019 een twee jaar oud voertuig op naam hadden staan, dat zij gebruik maakten van een zakelijke bankrekening waarop zij inkomsten ontvingen en dat zij hun bedrijf weer hadden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De mogelijke hoogte van de boete bedraagt € 2.837,98. Eisers worden in de gelegenheid gesteld om mondeling toelichting te geven op 9 mei 2022. Eiser belt en meldt zich af met de mededeling dat alle gegevens al bij het college bekend zijn en dat hij niet wenst te verschijnen voor een gesprek. Vervolgens heeft [naam] een boeterapportage opgemaakt gedateerd op 9 mei 2022 en daarna heeft hij bij boetebesluit 1 aan eisers een boete opgelegd van € 1.418,99.
Eisers dienen tegen boetebesluit 1 bezwaar in. Naar aanleiding van de bij het bezwaarschrift gevoegde overzichten van de inkomsten van eisers wordt boetebesluit 1 herroepen en vervangen door boetebesluit 2. De hoogte van de boete wordt vastgesteld op € 944,40. Boetebesluit 2 is ondertekend door [naam]. Voorafgaand aan het boetebesluit 2 wordt door [naam] ook een boeterapportage opgemaakt.
In het bestreden besluit wordt, onder verwijzing naar het advies van de Commissie Bezwaarschriften, geconstateerd dat sprake is van een schending van artikel 10:3, vierde lid, van de Awb, omdat boeteambtenaar [naam] de boeterapportage heeft opgemaakt en de boete heeft opgelegd. Dit gebrek wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Boetebesluit 2 kan in stand blijven. Verweerder heeft daarom het bezwaar ongegrond verklaard.
Is de boete opgelegd in strijd met artikel 10:3, vierde lid, van de Awb?
5. Eisers betogen dat verweerder artikel 10:3, vierde lid, van de Awb heeft geschonden doordat de boeterapportage en de boete door dezelfde boeteambtenaar zijn opgemaakt en opgelegd. De ratio van functiescheiding is dat degene die belast is met het onderzoek naar de overtreding niet mag beslissen of er ook een bestraffende sanctie wordt opgelegd. Verweerder had dit gebrek niet met artikel 6:22 Awb mogen passeren. Eisers zijn namelijk benadeeld door dit gebrek. Zij hebben hierdoor namelijk geen eerlijk proces gehad in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast dient een signaal te worden gegeven dat ook verweerder de letter van de wet moet volgen. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en de boete dient te worden herroepen.
Verweerder stelt ter zitting dat artikel 10:3, vierde lid, van de Awb is geschonden, omdat in de boeterapportage van [naam] niet is verwezen naar het eerder opgemaakte rapport van [naam] waarbij is geconcludeerd dat het recht van eisers dient te worden ingetrokken per 13 mei 2019 en de ten onrechte ontvangen bijstand dient te worden teruggevorderd. Vervolgens stelt verweerder dat het gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat eisers niet zijn benadeeld. In de boeterapportage van 9 mei 2022 zijn geen andere feiten of omstandigheden vermeld dan in de eerdere rapportage van [naam].
Volgens artikel 10:3, vierde lid, van de Awb wordt, indien artikel 5:53 van de Awb van toepassing is, het mandaat tot het opleggen van een bestuurlijke boete niet verleend aan degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt. Volgens artikel 5:53, eerste en tweede lid, van de Awb wordt voor een overtreding waarbij een bestuurlijke boete van meer dan € 340,00 kan worden opgelegd steeds een rapport of proces-verbaal op grond van artikel 5:48 van de Awb opgemaakt. In artikel 5:48, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan en de voor de overtreding gevoegde toezichthouder van de overtreding een rapport kunnen opmaken. Het rapport vermeldt, volgens het tweede lid van dit artikel, de naam van de overtreder, de overtreding alsmede het overtreden voorschrift en zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd. Volgens het derde lid van ditzelfde artikel, wordt een afschrift van het rapport uiterlijk bij bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.
De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat het rapport in artikel 10:3, vierde lid, van de Awb het rapport is van de overtreding dat op grond van artikel 5:48 van de Awb moet worden opgemaakt indien voor een overtreding een bestuurlijke boete van meer dan € 340,00 kan worden opgelegd. Artikel 10:3, vierde lid, van de Awb verwijst dus niet naar het rapport waarbij wordt onderzocht of iemand nog wel recht heeft op een bijstandsuitkering. Dat zou ook niet in lijn zijn met vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waaruit volgt dat er een zelfstandig oordeel dient te worden gegeven over de schending van de inlichtingenplicht bij het opleggen van een boete en dat verhoren waarbij de betrokkenen zijn gehoord zonder te zijn gewezen op hun zwijgrecht niet mogen worden gebruikt als bewijs voor de boeteoplegging. Artikel 10:3, vierde lid, van de Awb dient dus zo te worden gelezen dat de medewerker aan wie mandaat is verleend tot het opleggen van een boete niet dezelfde kan zijn als degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal (het boeterapport) heeft opgemaakt. Dit wordt ook bevestigd door de CRvB.
De rechtbank is daarom van oordeel dat boetebesluit 1 in strijd is met artikel 10:3, vierde lid, van de Awb. [naam] had geen mandaat voor het opleggen van de boete in boetebesluit 1, omdat hij ook het boeterapport heeft opgemaakt. Hoewel verweerder het gebrek in de mandaatverlening in boetebesluit 1 voor zijn rekening heeft genomen, heeft verweerder boetebesluit 2 in stand gelaten. Dit terwijl boetebesluit 2 boetebesluit 1 heeft vervangen nadat verweerder boetebesluit 1 heeft herroepen. De rechtbank is van oordeel dat ook boetebesluit 2 hetzelfde gebrek in de mandaatverlening heeft. [naam] heeft namelijk het boeterapport opgemaakt en vervolgens ook de boete opgelegd. Verweerder heeft de schending van artikel 10:3, vierde lid van de Awb voor boetebesluit 2 in het bestreden besluit niet onderkend. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit en boetebesluit 2 kunnen niet in stand blijven. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en boetebesluit 2 herroepen.
Wat is het gevolg van het vernietigen van het bestreden besluit en boetebesluit 2?
6. In artikel 8:72a van de Awb staat dat indien de bestuursrechter een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete vernietigt, hij een beslissing neemt omtrent het opleggen van de boete en bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking. Ook de CRvB zegt in vaste rechtspraak dat na het vernietigen van een besluit over een boete geen plaats is voor de opdracht aan verweerder om een nieuw besluit te nemen. Dat betekent dat de rechtbank zelf een beslissing over de boete moet nemen. In de memorie van toelichting bij de Vierde tranche van de Awb is hierover ook nog het volgende opgemerkt:
“Ten slotte dient nog te worden opgemerkt dat het bestuursorgaan na vernietiging door de rechter van het boetebesluit geen nieuw boetebesluit voor hetzelfde feit kan nemen. Dit uitgangspunt wordt reeds door de belastingrechter gehanteerd. Het is wenselijk dit voor het gehele bestuursrecht te laten gelden. De betrokken burger heeft er zeker in het geval van bestraffende sancties recht op dat de zaak door de rechter definitief wordt afgedaan. Een en ander doet ook recht aan de eisen van artikel 6 EVRM om een «criminal charge» binnen redelijke termijn te behandelen.”
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers hun inlichtingenplicht hebben geschonden en dat de hoogte van de boete (€ 944,40) niet wordt betwist. Ook heeft verweerder bij het vaststellen van de hoogte van de boete in boetebesluit 2 rekening gehouden met de draagkracht van eisers. De boete van € 944,40 is naar het oordeel van de rechtbank daarom passend en evenredig. Nu de rechtbank de boete zelf vaststelt wordt het recht van eisers op een eerlijk proces niet geschonden.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond, omdat verweerder niet heeft onderkend dat de boete in boetebesluit 2 in strijd met artikel 10:3, vierde lid van de Awb is opgelegd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept boetebesluit 2. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak voorzien en de boete vaststellen op € 944,40 en daarbij bepalen dat de uitspraak in de plaats zal treden van boetebesluit 2.
7. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 2.868,00. De bijstand door een gemachtigde in beroep levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting) met een waarde per punt van € 837,00. De bijstand van gemachtigde in bezwaar levert ook 2 punten op (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting) met een waarde per punt van € 597,00. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar gegrond en herroept boetebesluit 2 (het besluit van 8 september 2022);
- stelt het bedrag van de boete vast op € 944,40 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van boetebesluit 2;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers voor € 2.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.M. Dohmen, voorzitter, en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. J.T.M. Groenendijk, leden, in aanwezigheid van mr. drs. B.E.C. Bertens, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2023.
de voorzitter is verhinderd om deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.