[eiser 1] , eiser 1,
[eiser 2] , eiser 2,
[eiser 3] , eiser 3,
[eiser 4] , eiser 4,
samen eisers
(gemachtigde: [naam] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk , het college
(gemachtigden: mr. L. van Moorsel en [naam] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers.
Eisers hebben met een gezamenlijke brief van 23 augustus 2021 beroep ingesteld tegen een, naar zij stellen, besluit op bezwaar van 15 juli 2021. Dat vermeende besluit is gericht aan eiser 1 (en zijn echtgenote [naam] ).
De rechtbank heeft aanvankelijk dit beroep abusievelijk opgevat als een beroep van alleen eiser 1 en dat beroep met kenmerk 21/2044 geregistreerd.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De minister heeft afgezien van het voeren van verweer.
De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 10 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1, zijn gemachtigde en mr. J.G. Woolderink Tjallingii en mr. H. Kleemans, de toenmalige gemachtigden van het college.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat het college ook aan eisers 2, 3 en 4 afzonderlijk een vermeend besluit op bezwaar van 15 juli 2021 heeft gestuurd en dat de gezamenlijke brief van 23 augustus 2021 moet worden opgevat als afzonderlijke beroepen van eisers tegen de aan hen gerichte vermeende besluiten op bezwaar.
De rechtbank heeft aan het eind van de zitting de behandeling van de beroepen aangehouden.
De rechtbank heeft vervolgens beroepen geregistreerd met kenmerk 22/3101 op naam van eiser 2, met kenmerk 22/3103 op naam van eiser 3 en met kenmerk 22/3105 op naam van eiser 4 en de desbetreffende dossiers aangemaakt.
De rechtbank heeft op 23 maart 2023 de beroepen verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
Eisers hebben daarna aanvullende beroepsgronden ingediend. Het college heeft daarop een aanvullend verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk op 14 december 2023 op een (nadere) zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eisers, hun gemachtigde en de gemachtigden van het college.
Wat aan de beroepen vooraf ging.
2. De raad van Mill en Sint Hubert heeft op 13 december 2018 onder meer besloten om in aanvulling op het gemeentelijk grondprijsbeleid bij verkoop van woningbouwgrond aan particulieren kortingen toe te passen conform tabel 2 in het raadsvoorstel (hierna: het raadsbesluit).
Op 7 mei 2019 heeft het college de ‘Privaatrechtelijke beleidsregel korting grondprijzen bij nieuwbouw door particulieren’ (hierna: de Beleidsregel) vastgesteld. De Beleidsregel is met terugwerkende kracht in werking getreden per 13 december 2018.
Eiser 1 en zijn echtgenote [naam] hebben van de gemeente Mill en Sint Hubert door middel van een op 7 september 2020 gedateerde koopovereenkomst een bouwkavel gekocht, bekend onder kavel 8, kadastraal bekend gemeente Mill, sectie G, nummer [nummer] gedeeltelijk, van ongeveer 227 m2 groot, tegen een koopsom van € 47.020,- (exclusief BTW). Op 5 oktober 2020 heeft de gemeente de bouwkavel aan eiser 1 en zijn echtgenote geleverd.
Eiser 2 en zijn echtgenote [naam] hebben van de gemeente Mill en Sint Hubert door middel van een op 17 augustus 2020 gedateerde koopovereenkomst een bouwkavel gekocht, bekend onder kavel 1, kadastraal bekend gemeente Mill, sectie G, nummer [nummer] gedeeltelijk, van ongeveer 268 m2 groot, tegen een koopsom van € 60.300,- (exclusief BTW). Op 5 oktober 2020 heeft de gemeente de bouwkavel aan eiser 2 en zijn echtgenote geleverd.
Eiser 3 en zijn echtgenote [naam] hebben van de gemeente Mill en Sint Hubert door middel van een op 17 augustus 2020 gedateerde koopovereenkomst een bouwkavel gekocht, bekend onder kavel 9, kadastraal bekend gemeente Mill, sectie G, nummer [nummer] gedeeltelijk, van ongeveer 200 m2 groot, tegen een koopsom van € 45.000,- (exclusief BTW). Op 5 oktober 2020 heeft de gemeente de bouwkavel aan eiser 3 en zijn echtgenote geleverd.
Eiser 4 en zijn echtgenote [naam] hebben van de gemeente Mill en Sint Hubert middels een op 17 augustus 2020 gedateerde koopovereenkomst een bouwkavel gekocht, bekend onder kavel 4, kadastraal bekend gemeente Mill, sectie G, nummer [nummer] gedeeltelijk, van ongeveer 186 m2 groot, tegen een koopsom van € 41.850,- (exclusief BTW). Op 5 oktober 2020 heeft de gemeente de bouwkavel aan eiser 4 en zijn echtgenote geleverd.
Op 7 december 2020 hebben eisers 1, 2 en 3 op grond van de Beleidsregel een korting op de grondprijs van de bouwkavel aangevraagd voor de categorieën energieneutraal bouwen, levensloopbestendig bouwen en bouwen voor specifieke doelgroepen en woonbehoeften. Eiser 4 heeft op 21 december 2020 eenzelfde aanvraag ingediend.
Met brieven van 8 december 2020 heeft het college eiser 1,2 en 3 laten weten dat zij uitsluitend een korting op de grondprijs kunnen krijgen voor de categorie energieneutraal bouwen. Met een brief van 5 januari 2021 heeft het college hetzelfde laten weten aan eiser 4.
Volgens eisers 1, 2 en 3 zijn de brieven van 8 december 2020 aan te merken als een besluit. Zij hebben daartegen op 9 januari 2021 afzonderlijk bezwaar gemaakt. Ook volgens eiser 4 is de aan hem gerichte brief van 5 januari 2021 aan te merken als een besluit. Hij heeft daartegen op 8 februari 2021 bezwaar gemaakt. Eisers hebben, kort gezegd, gesteld recht te hebben op een korting op de grondprijs voor wat betreft de categorieën levensloopbestendig bouwen en het bouwen voor specifieke doelgroepen.
Met brieven van 15 april 2021 heeft het college eisers laten weten dat zij voor de categorie levensloopbestendig bouwen in aanmerking komen voor een (nadere) korting op de grondprijs, indien na de voltooiing van de woning komt vast te staan dat de nieuwbouwwoning voldoet aan de criteria als genoemd in artikel 4, onder 2 en 3, van de Beleidsregel. Wat betreft de categorie bouwen voor specifieke doelgroepen heeft het college erop gewezen dat eisers weliswaar vallen onder de categorie collectief particulier opdrachtgeverschap (zie artikel 5, leden 1 en 2 onder c, van de Beleidsregel), maar dat zij op grond van artikel 5, leden 3 en 4, van de Beleidsregel enkel in aanmerking komen voor korting als de maximale hoofdsom van de gerealiseerde nieuwbouwwoning niet meer bedraagt dan € 230.000,-. Aan de bezwaren met betrekking tot deze categorie, is het college vooralsnog niet tegemoetgekomen. Voordat het een definitieve reactie hierop geeft, worden eisers uitgenodigd voor een gesprek waarin het standpunt van het college nader wordt toegelicht. Ten slotte heeft het college in de brieven geschreven dat de bezwaren van eisers geen bezwaren zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat eisers zich kunnen wenden tot de burgerlijke rechter als zij zich niet kunnen vinden in de (definitieve) reactie van de gemeente.
In de brieven van het college van 15 juli 2021 staat vermeld dat het gesprek op 25 mei 2021 heeft plaatsgevonden en dat het standpunt over de korting voor specifieke doelgroepen ongewijzigd blijft. Mochten eisers zich niet kunnen vinden in zijn besluit, dan kunnen zij zich wenden tot de burgerlijke rechter, aldus het college.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eisers betogen dat het college in deze procedures besluiten in de zin van de Awb heeft genomen en dat daartegen de weg naar de bestuursrechter openstaat. Zij wijzen erop dat met het raadsbesluit en de Beleidsregel is bedoeld om de woningbouw te stimuleren. Gelet op de tweewegenleer is de korting op de grondprijs in feite een subsidie voor woningbouw. Naar aanleiding van de bezwaren van eisers tegen de brief van 15 april 2021 hebben niet alleen zij alsnog korting/subsidie ontvangen voor de categorie levensloopbestendig bouwen, maar ook de kopers die geen bezwaar hebben gemaakt. Hieruit blijkt dat de Beleidsregel algemene werking heeft.
4. Het college betoogt dat de civiele rechter in deze zaken de bevoegde rechter is.
Primair meent het college dat er geen sprake is van een (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat de vereiste publiekrechtelijke rechtshandeling ontbreekt. Het college wijst erop dat de verkoop van gronden en het geven van (eventuele) korting op de grondprijs voortvloeien uit het privaatrecht en ze niet krachtens een wettelijk voorschrift aan het college zijn toegekend (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 april 2014, (ECLI:NL:RVS:2014:1334). Gemeentegrond is eigendom van de gemeente als rechtspersoon. Het orgaan van de gemeente dat bepaalt of de gemeente eventueel zal overgaan tot verkoop van een stuk gemeentegrond – en dat is een privaatrechtelijke rechtshandeling – is het college van burgemeester en wethouders. Iemand moet immers de wil van de gemeente bepalen. Dit volgt ook uit artikel 160, eerste lid, aanhef en onder d, van de Gemeentewet. De beslissing van het college van burgemeester en wethouders waarin die wil wordt bepaald, is dan ook niet op publiekrechtelijk rechtsgevolg gericht.
Subsidiair meent het college dat het hier gaat om een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, dat op grond van artikel 8:3, tweede lid, van de Awb is uitgesloten van beroep. Volgens het college blijkt dit uit de toelichting bij het raadsvoorstel inzake het harmoniseren van het grondbeleid dat op 2 februari 2023 is behandeld. Daarin komt naar voren dat het vaststellen van de grondprijzen, inclusief het verlenen van kortingen, als een privaatrechtelijke rechtshandeling moet worden beschouwd. De vaststelling van de korting strekt tot voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling.
Civiele of bestuursrechter?
5. De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of zij bevoegd is om van de beroepen van eisers kennis te nemen. Voor de beantwoording van die vraag is van belang hoe de hiervoor in overwegingen 2.9 en 2.10 omschreven brieven zijn te kwalificeren. Als dat besluiten op de bezwaren van eisers zijn, dan is de bestuursrechter bevoegd. Is dat niet het geval, dan is de civiele rechter bevoegd.
6. De rechtbank stelt vast dat eisers (op 9 januari 2021 en 8 februari 2021) bezwaarschriften hebben ingediend tegen, wat zij menen, besluiten van 8 december 2020 (eisers 1, 2 en 3) en een besluit van 5 januari 2021 (eiser 4) waarbij hun aanvragen om korting op de grondprijs gedeeltelijk zijn afgewezen. Het college heeft in reactie hierop met de brieven van 15 april 2021 aan eisers alsnog onder voorwaarden een korting toegekend voor de categorie levensloopbestendig bouwen en op dat punt uitsluitsel gegeven aan eisers. Voor zover het gaat om de korting voor de categorie specifieke doelgroepen, stelt de rechtbank vast dat het college (eerst) met de brieven van 21 juli 2021 uitsluitsel heeft gegeven op de bezwaren van eisers. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de brieven van 15 april 2021 en 15 juli 2021 dan ook aan te merken als beslissingen op bezwaar. Een beslissing op bezwaar behelst als zodanig een publiekrechtelijke rechtshandeling en is daarom altijd een besluit in de zin van de Awb. Daartegen staat dus altijd beroep bij de bestuursrechter open. De rechtbank volgt het college dus niet in zijn betoog dat de civiele rechter in deze zaken de bevoegde rechter is.
7. De rechtbank stelt vast dat eisers’ beroepen niet zijn gericht tegen de beslissingen op bezwaar van 15 april 2021 voor de categorie levensloopbestendig bouwen. Overigens staat ook vast dat eisers daadwerkelijk de korting voor deze categorie hebben ontvangen. Hierna zal de rechtbank dus alleen een oordeel geven over de beroepen die zich richten tegen de beslissingen op bezwaar van 15 juli 2021. Die beslissingen gaan over de korting voor specifieke doelgroepen.
De beslissingen op bezwaar nader geduid
8. De rechtbank stelt verder vast en gaat er hierna vanuit dat het college met de voorliggende beslissingen op bezwaar heeft bedoeld de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk te verklaren. Het college vindt immers dat zijn brieven van 8 december 2020 en 5 januari 2021, waartegen eisers bezwaar hebben gemaakt, geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Zijn de brieven van 8 december 2020 en 5 januari 2021 besluiten in de zin van de Awb?
9. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het college de bezwaren van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarbij ziet zij zich in het bijzonder voor de vraag gesteld of de brieven van 8 december 2020 en 5 januari 2021 wel (eisers) of niet (het college) zijn aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Bij de beoordeling of sprake is van een besluit is de rechtbank allereerst van oordeel dat sprake is van een subsidie. Immers, de in de Beleidsregel opgenomen doelgroepenkorting valt naar het oordeel van de rechtbank onder de definitiebepaling van subsidie zoals neergelegd in artikel 4:21 van de Awb. Op grond van dat wetsartikel wordt namelijk onder een subsidie verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. De rechtbank stelt vast dat de aanspraak op financiële middelen bestaat uit een korting op de koopprijs van de bouwkavel. Het bestuursorgaan dat de korting geeft is het college. En de korting wordt gegeven met het oog op de volgende, de aanvrager betreffende, activiteiten: de aanvrager is deel gaan uitmaken van een CPO, diens woning stijgt niet boven een bepaalde waarde uit en de woning wordt gebouwd volgens de eisen van Woonkeur. Voor zover het college meent dat hier geen subsidie voorligt, is dat niet van belang. Voor het antwoord op de vraag of een aanspraak op financiële middelen moet worden aangemerkt als een subsidie is immers niet doorslaggevend of partijen deze als zodanig aanmerken.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze subsidie niet is gebaseerd op een specifiek wettelijk voorschrift. Niet in geschil is dat de Beleidsregel niet is gebaseerd op de tijde van belang geldende Subsidieverordening Mill en Sint Hubert 2017. Voor zover eisers betogen dat het raadsbesluit het wettelijk voorschrift is dat aan de betreffende subsidieverstrekking, namelijk de doelgroepenkorting, ten grondslag ligt, volgt de rechtbank eisers hierin niet. Daartoe is het navolgende redengevend. Op grond van artikel 4:23, eerste lid, van de Awb verstrekt een bestuursorgaan slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Onder een wettelijk voorschrift zoals hiervoor bedoeld wordt verstaan een regeling van een orgaan dat aan de Grondwet of een wet in formele zin regelgevende bevoegdheid ontleent. De eis van een wettelijk voorschrift komt erop neer dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift. Een algemeen verbindend voorschrift is een naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende regel, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent. Uit de inhoud van het raadsbesluit, zoals hiervoor onder 2 is weergegeven, kan de rechtbank geen naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende regel, afleiden. Het raadsbesluit heeft slechts interne werking, waarbij in aanmerking is genomen dat het raadsbesluit uitsluitend is bedoeld en ook heeft gediend als basis voor de vaststelling van de Beleidsregel.
Voor zover eisers betogen dat in dit geval artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder d, van de Awb van toepassing is, omdat verstrekking van de doelgroepenkorting aan eisers als een incidenteel geval is aan te merken en de Beleidsregel inmiddels is ingetrokken, volgt de rechtbank eisers ook hierin niet. Daartoe is het navolgende redengevend. Op grond van artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder d, van de Awb is het eerste lid niet van toepassing in incidentele gevallen, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt. De rechtbank stelt vast dat de wetgever deze uitzondering in onderdeel d heeft bedoeld voor gevallen waarin zowel het aantal subsidieontvangers als het tijdvak van subsidiëring beperkt is. Dat is hier niet het geval. Vaststaat immers dat de Beleidsregel heeft gegolden vanaf 13 december 2018 tot aan de intrekking daarvan in februari 2023 en dat in de Beleidsregel geen grens is gesteld aan het aantal subsidieontvangers. De omstandigheid dat alleen eisers als collectief particulier opdrachtgeverschap (hierna: CPO) een doelgroepenkorting hebben aangevraagd, doet er niet aan af dat het karakter van de Beleidsregel niet incidenteel van aard is geweest.
De rechtbank stelt verder vast dat de doelgroepenkorting is gebaseerd op de Beleidsregel. De Beleidsregel kan echter niet worden aangemerkt als beleidsregel in de zin van de Awb. Het gaat niet om bij besluit vastgestelde algemene regels omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan beleid zonder wettelijke basis dienen als publiekrechtelijke grondslag voor een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit.. Dergelijke zeer bijzondere omstandigheden doen zich hier voor. Uit artikel 5 van de Beleidsregel volgt namelijk dat de beleidgever – het college – met de doelgroepenkorting heeft bedoeld om specifieke doelgroepen, waaronder starters en CPO’s, te stimuleren een gemeentelijke bouwkavel in de gemeente te kopen. Door een dergelijke stimulans uit te werken en vast te leggen in een beleidsregel vervult het college daarmee bij uitstek een publieke taak op het gebied van woningbouw. Daarbij is het niet voor te stellen dat een particuliere verkoper een korting op de koopprijs van een bouwkavel geeft voor specifieke doelgroepen. De doelgroepenkorting is ook niet uitgewerkt en vastgelegd in de op de (ver)koop van de bouwkavel betrekking hebbende koopovereenkomst en akte van levering. Uit het voorgaande volgt (ook) dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend, beleid.
Gelet op het voorgaande is de doelgroepenkorting, die is gebaseerd op de Beleidsregel, aan te merken als een subsidie en is de in de brieven van 8 december 2020 en 5 januari 2021 vervatte weigering hiervan op grond van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb een subsidiebesluit.
Is artikel 8:3, tweede lid, van de Awb van toepassing?
10. De rechtbank volgt het college niet in zijn betoog dat het hier gaat om een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling en dat op grond van artikel 8:3, tweede lid, van de Awb beroep daartegen is uitgesloten. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zijn de brieven van 8 december 2020 en 5 januari 2021 aan te merken als (afwijzende) subsidiebesluiten. Omdat dergelijke besluiten eigenstandige publiekrechtelijke rechtsgevolgen teweegbrengen, staat artikel 8:3 van de Awb niet aan de beroepbaarheid van deze subsidiebesluiten in de weg en kan daartegen dus ook bezwaar worden gemaakt.
Tussenconclusie
11. Het voorgaande betekent dat het college ten onrechte met de besluiten van 15 juli 2021 de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk heeft verklaard. Om die reden zijn de beroepen gegrond en zullen die besluiten worden vernietigd.
De afwijzing van de doelgroepenkorting
12. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of zij zelf in de zaak kan voorzien door zelf een oordeel te geven over de bezwaren van eisers. Naar de rechtbank het college begrijpt kan dat dat niet (meer), omdat de gemeenteraad van Land van Cuijk de Beleidsregel begin 2023 heeft ingetrokken. De rechtbank volgt het college hierin niet. Artikel 7 van de Beleidsregel bepaalt namelijk dat de beleidsregel van toepassing is op percelen die worden verkocht na inwerkingtreding van de Beleidsregel. Dat is hier het geval, omdat vaststaat dat percelen van eisers zijn gekocht na de inwerkingtreding van de Beleidsregel en de Beleidsregel op dat moment (nog) geldig was. De rechtbank kan dus met inachtneming van de Beleidsregel zelf in de zaak voorzien. Hiertoe moet zij beoordelen of het college terecht eisers’ aanvragen om doelgroepenkorting heeft afgewezen.
13. Het college legt aan de afwijzing van de doelgroepenkorting ten grondslag dat de hoofdsom van de gerealiseerde nieuwbouwwoning niet meer mag bedragen dan € 230.000,- en eisers niet hebben aangetoond aan die voorwaarde te hebben voldaan.
14. Eisers betogen dat het college ten onrechte als voorwaarde voor de doelgroepenkorting heeft gesteld dat de waarde van de woning niet meer dan € 230.000,- mag bedragen. Zij voeren aan, kort gezegd, dat dit maximumbedrag onlosmakelijk is verbonden met de categorie “starterswoning” en dat het college daarmee ten onrechte de categorieën “starters” en “CPO” over één kam scheert. CPO-plannen kunnen echter ook betrekking hebben op middeldure woningen, aldus eisers.
15. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend, beleid. Naar vaste rechtspraak wordt buitenwettelijk begunstigend beleid terughoudend getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven worden aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.
Vaststaat dat het college de aanvragen van eisers om voor een doelgroepenkorting in aanmerking te komen heeft afgewezen omdat zij niet hebben aangetoond dat de hoofdsom van hun gerealiseerde nieuwbouwwoning niet meer dan € 230.000,- mag bedragen. Ook staat vast dat het college daarmee zijn beleid consistent heeft toegepast. Een verdere toetsing van de Beleidsregel of de toepassing daarvan gaat de bevoegdheid van de rechtbank te buiten. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van eisers’ betoog dat het college ten onrechte ten aanzien van CPO’s, gelijk starters, als voorwaarde stelt dat de hoofdsom voor de gerealiseerde nieuwbouwwoning niet meer dan
€ 230.000,- mag bedragen.
16. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de bezwaren van eisers ongegrond te verklaren.
Is de redelijke termijn overschreden?
17. Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in
artikel 6 van het EVRM is overschreden en hebben een schadevergoeding gevorderd vanwege overschrijding van die termijn.
Vaste rechtspraak is dat de redelijke termijn in zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar duurt. Als het verzoek bij de rechter in eerste aanleg wordt gedaan, is de redelijke termijn in beginsel overschreden als de totale duur van de procedure na bezwaar en beroep langer dan twee jaar heeft geduurd. De termijn vangt aan bij ontvangst van het bezwaarschrift. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de manier waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de belanghebbende gedurende de hele procesgang en de aard van het bestreden besluit en het daardoor getroffen belang van de belanghebbende.Als sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, dan moet worden beoordeeld of die heeft plaatsgevonden in de bestuurlijke fase en/of in de rechterlijke fase. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, tenzij sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat daarvan geen sprake is geweest. Daarvoor is in beginsel een vergoeding van immateriële schade van € 500,– per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden, gepast.
Gelet op het tijdsverloop tussen de datum van ontvangst van het bezwaarschrift van eisers 1, 2 en 3 op 11 januari 2021 en die van eiser 4 op 8 februari 2021 en de datum van deze uitspraak, heeft de behandeling van het bezwaar en beroep ongeveer drie jaar en twee á drie maanden geduurd. Daarmee is de redelijke termijn overschreden met één jaar en twee á drie maanden.
Bij de toerekening van deze termijnoverschrijding en de daarvoor toe te kennen schadevergoeding heeft te gelden dat in een geval als dit, waarin een besluit op bezwaar wordt vernietigd en de rechter vervolgens zelf beslist op het bezwaar, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in één van de rechterlijke procedures sprake is van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie, dan onder 14.1 genoemd, dan komt de periode waarmee die behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat.
De bezwaarfase heeft ten aanzien van eisers 1, 2 en 3 slechts 3 dagen langer geduurd in plaats van de toegestane zes maanden en ten aanzien van eiser 4 (zelfs) korter dan zes maanden. Dit terwijl de beroepsfase, die met de ontvangst van de beroepen op 25 augustus 2021 is gestart, twee jaar en ruim zeven maanden en dus ruim een jaar langer heeft geduurd dan de toegestane anderhalf jaar. De rechtbank is daarom van oordeel dat die overschrijding in zijn geheel aan haar moet worden toegerekend.
Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zou de aan elk van eisers toe te kennen schadevergoeding € 1.500,- bedragen. De rechtbank ziet evenwel in de omstandigheid dat zij onder dezelfde CPO de doelgroepenkorting hebben aangevraagd en gezamenlijk aan deze beroepsprocedure hebben deelgenomen, aanleiding dit bedrag te matigen in die zin dat elk van hen 25% van het aan de mate van overschrijding van de redelijke termijn gerelateerde schadevergoedingsbedrag krijgt toegekend. Dit betekent dat elk van hen een bedrag van € 375,- krijgt toegekend. Deze matiging acht de rechtbank redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure.
Conclusie en gevolgen
18. De beroepen zijn gegrond, omdat het college ten onrechte met de besluiten op bezwaar van 15 juli 2021 de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank vernietigt daarom deze besluiten op bezwaar. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en verklaart de bezwaren van eisers ongegrond.
19. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat eisers expliciet hebben laten weten geen vergoeding voor hun proceskosten te willen hebben.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten op bezwaar van 15 juli 2021;
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D.M. Michael, voorzitter, en mr. M.M.L. Wijnen en mr. R. Grimbergen, leden, in aanwezigheid van mr. V.A.C.M. Vonk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 18 april 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.