proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
16 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. M.W.G. Bombeeck).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 16 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank, na onderbreking voor raadkameroverleg, mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Motivering
1. Het UWV heeft eiser in eerste instantie met het besluit 24 juni 2021 per 15 juli 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Met het besluit van 6 december 2021 heeft het UWV aan eiser per 15 februari 2022 een WGA-vervolguitkering toegekend. Eiser was het met de hoogte van die uitkeringen niet eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met de beslissingen op bezwaar van 27 oktober 2021 en 28 februari 2022 heeft het UWV die bezwaren ongegrond verklaard. Tegen die besluiten heeft eiser geen beroep ingesteld, zodat die destijds in rechte zijn komen vast te staan.
2. Op 27 november 2022 heeft eiser om herziening van de (in rechte vaststaande) beslissingen op bezwaar van 27 oktober 2021 en 28 februari 2022 gevraagd. Eiser had op 3 november 2022 een vaststellingsovereenkomst met zijn voormalige werkgever gesloten die onder andere consequenties had voor de hoogte van zijn loon dat vervolgens ook moest doorwerken in de hoogte van eisers WIA-uitkeringen.
3. Het UWV heeft naar aanleiding van het herzieningsverzoek met het besluit van 31 juli 2023 het (primaire) besluit van 24 juni 2021 herzien en met het besluit van 2 augustus 2023 het (primaire) besluit van 6 december 2021 herzien. In de herzieningsbesluiten staat dat de hoogte van de al toegekende uitkeringen wijzigt in verband met het (als gevolg van de vaststellingsovereenkomst gecorrigeerde) hogere loon van eiser. Tegen die besluiten heeft eiser geen bezwaar gemaakt, omdat eiser het daarmee inhoudelijk eens is. Die besluiten zijn in rechte komen vast te staan.
4. Eiser vindt dat het UWV nog altijd niet op zijn herzieningsverzoek heeft beslist en heeft daarom op 12 maart 2024 een beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld. De rechtbank vindt dat het UWV dat wel heeft gedaan en verklaart het beroep van eiser daarom ongegrond. De rechtbank legt dat hierna uit.
Eiser voert aan dat hij om herziening van de beslissingen op bezwaar van 27 oktober 2021 en 28 februari 2022 gevraagd. Eiser wijst erop dat deze rechtbank (naar aanleiding van een eerder beroep wegens niet tijdig beslissen van eiser) het UWV op 27 september 2023 heeft opgedragen om op dat herzieningsverzoek te beslissen. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden en eiser vindt dat daardoor niet meer ter discussie kan staan dat met daarvoor genomen besluiten van 31 juli 2023 en 2 augustus 2023 nog niet was beslist op zijn herzieningsverzoek.
Het UWV is dit niet met eiser eens. Met de (herzienings)besluiten van 31 juli 2023 en 2 augustus 2023 heeft eiser inhoudelijk gekregen waar hij om heeft gevraagd. Eiser heeft daartegen ook geen bezwaar gemaakt, dus met de inhoudelijke reactie op zijn herzieningsverzoek kan hij zich kennelijk verenigen.
De rechtbank vindt dat eiser met de (herzienings)besluiten van 31 juli 2023 en 2 augustus 2023 inhoudelijk heeft bereikt wat hij met zijn herzieningsverzoek kon bereiken. Verder heeft het UWV aan eiser op 12 oktober 2023 een brief gestuurd waarin het UWV expliciet en zonder voorbehoud verklaart: “Met deze besluiten zijn alle vorige besluiten (op bezwaar) komen te vervallen.” Voor zover dat niet reeds uit de (herzienings)besluiten van 31 juli 2023 en 2 augustus 2023 voortvloeide, staat hiermee vast dat de beslissingen op bezwaar van 27 oktober 2021 en 28 februari 2022 in ieder geval per 12 oktober 2023 zijn vervallen. Dit betekent dat die besluiten in ieder geval per 12 oktober 2023 juridisch niet meer bestaan. Daarmee is dus in ieder geval per laatstgenoemde datum een beslissing gegeven op eisers verzoek om die beslissingen op bezwaar te herzien.
Eiser heeft in zijn beroepschrift en op de zitting toegelicht dat hij aanvullende verzekeringen heeft voor arbeidsongeschiktheid. Eiser geeft aan dat zijn verzekeraar de besluiten van 31 juli 2023 en 2 augustus 2023 niet accepteert, omdat zij zich op het standpunt stelt dat de beslissingen op bezwaar van 27 oktober 2021 en 28 februari 2022 nog bestaan. Uit wat hiervoor onder 4.3. is overwogen volgt dat dit standpunt onjuist is. De besluiten op bezwaar van 27 oktober 2021 en 28 februari 2022 hebben juridisch geen enkele betekenis meer. Ter verdere voorlichting aan eisers verzekeringsmaatschappij merkt de rechtbank op dat de besluiten van 31 juli 2023 en 2 augustus 2023 tot stand zijn gekomen naar aanleiding van een herzieningsverzoek (zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb) van eiser en dat eiser bij dat verzoek nieuwe feiten heeft gesteld, te weten zijn gecorrigeerde loongegevens naar aanleiding van de onder 2. genoemde vaststellingsovereenkomst. Het UWV heeft op de zitting nog opgemerkt dat de verzekeraar altijd met het UWV contact op kan nemen om informatie te verkrijgen over (de hoogte van) de uitkering van eiser en per welke datum de uitkering is ingegaan. De rechtbank geeft de verzekeraar met klem in overweging van dat aanbod gebruik te maken zo zij ook het oordeel van de rechtbank over eisers rechtspositie niet wenst te respecteren.
5. Omdat het beroep van eiser ongegrond wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken na vandaag aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2024 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. P. van Berkel, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: