proces-verbaal van de mondelinge tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van
16 juli 2024 in de zaak tussen
[eiseres] ., uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigden: mr. N.W.J. van der Stokker-Welsink en drs. [naam] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. M.W.G. Bombeeck).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 16 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiseres en het UWV deelgenomen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank na onderbreking voor raadkameroverleg mondeling tussenuitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
Motivering
1. Aan de orde zijn twee beroepen van eiseres. Het eerste beroep (23/1447) gaat over de beslissing van het UWV om [naam] (de ex-werkneemster) per 27 december 2014 een WGA-loonaanvullingsuitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Hiertoe heeft het UWV besloten met het besluit van 17 oktober 2014 wat na bezwaar is gehandhaafd met het besluit van 25 april 2023. Het tweede beroep (23/1448) gaat over de beslissing van het UWV om de ex-werkneemster per 16 november 2022 een IVA-uitkering toe te kennen op grond van de Wet WIA. Hiertoe heeft het UWV besloten met het besluit van 7 februari 2023 wat na bezwaar is gehandhaafd met het besluit van 26 april 2023. Deze tussenuitspraak gaat (alleen) over een gebrek in het besluit van 26 april 2023.
2. Eiseres heeft op 15 november 2022 verzocht om het uitkeringsrecht van de ex-werkneemster te herbeoordelen. Het UWV heeft dit gedaan en met het besluit van 7 februari 2023 aan de ex-werkneemster een IVA-uitkering toegekend per 16 november 2022. Deze beslissing is met het besluit van 26 april 2023 gehandhaafd. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij heeft als (enige) beroepsgrond naar voren gebracht dat het UWV had moeten beoordelen of het recht op een IVA-uitkering niet ergens in de periode van 2016 tot en met 2022 is ontstaan.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Gelet op artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA en de daarover gewezen rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep had het UWV moeten beoordelen op welk moment in de periode voorafgaand aan de dag waarop eiseres haar aanvraag deed de ex-werkneemster duurzaam arbeidsongeschikt werd en vervolgens wanneer recht op een IVA-uitkering ontstond. Het UWV heeft ten onrechte niet bekeken of in de hiervoor genoemde periode niet reeds sprake was van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid en dus of een recht op een IVA-uitkering voor de ex-werkneemster was ontstaan. Eiseres stelt in zoverre terecht dat het besluit van 26 april 2023 in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. In zoverre lijdt het besluit van 26 april 2023 aan een gebrek.
4. Het UWV heeft op de zitting verklaard gebruik te zullen maken van een door de rechtbank geboden mogelijkheid om een geconstateerd gebrek in de besluitvorming te herstellen. De rechtbank constateert een gebrek (zoals hiervoor onder 3. is beschreven) en ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen dat te herstellen. De rechtbank stelt daarvoor de (in artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb bedoelde) termijn van zes weken. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar.
5. Mocht de genoemde termijn van zes weken niet haalbaar blijken, dan zal het UWV binnen deze termijn een concreet verzoek voor verlenging daarvan moeten indienen.
6. Nadat het UWV gebruik heeft gemaakt van de herstelgelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV (volgens artikel 8:51b, derde lid, van de Awb). In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
7. De rechtbank wijst er nog op dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak. De reden daarvoor is dat het inbrengen van nieuwe beroepsgronden tegen het oorspronkelijke besluit die al eerder naar voren hadden kunnen worden gebracht over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
8. Het onderzoek in zaak 23/1447 is voltooid en zal daarom worden gesloten. Omdat zowel partijen als de rechtbank er de voorkeur aan geven dat op beide beroepen in een uitspraak wordt beslist, zal de rechtbank bepalen dat op beide beroepen gelijktijdig uitspraak wordt gedaan. In zaak 23/1447 kan dat tot gevolg hebben dat later dan de in artikel 8:66 van de Awb bedoelde termijn uitspraak wordt gedaan. Dit is met partijen op zitting besproken en zij hebben ermee ingestemd dat zo nodig buiten de hiervoor bedoelde termijn uitspraak wordt gedaan in zaak 23/1447.
De rechter deelt mee dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat tegen deze tussenuitspraak nu geen hoger beroep kan worden ingesteld. Tegen deze tussenuitspraak kan wel hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Deze tussenuitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2024 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: