ECLI:NL:RBOBR:2024:6825

ECLI:NL:RBOBR:2024:6825

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 07-03-2024
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 388945 / HA ZA 23-18
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vorderingen ingetrokken. Beslissing over proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/388945 / HA ZA 23-18

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 7 maart 2024

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. E.H.H. Schelhaas te 'S-HERTOGENBOSCH,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

te [plaats] ,2. mr. [gedaagde 2],

te [plaats] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: de advocaat,

advocaat: mr. P.J. de Jong Schouwenburg te AMSTERDAM.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in 's-Hertogenbosch. De zaak wordt behandeld door mr. L.S. Frakes, rechter, en I. Menke als griffier. Aanwezig zijn partijen (mr. [gedaagde 2] mede namens de B.V.), mrs. Jansen en [B] voor de heer [eiser] en mrs. Van Dam en De Jong Schouwenburg voor gedaagden. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1. De beoordeling

Het procesverloop blijkt uit:

- de dagvaarding

- het antwoord

- de eisvermindering

- de mondelinge behandeling met zittingsaantekeningen en de spreekaantekeningen van mrs. Jansen en Van Dam .

De feiten zijn als volgt.

( a) [eiser] heeft in 2000 een bedrijfspand gehuurd van een verhuurder, met het recht van eerste koop. [eiser] heeft in 2009 een bod uitgebracht op het pand, maar de verhuurder liet weten niet te verkopen. [eiser] had in 2009 een huurachterstand van drie maanden. [eiser] heeft in 2010 de huur opgezegd. De verhuurder heeft de opzegging aanvaard. [eiser] heeft toch geweigerd het gehuurde op te leveren.

( b) De verhuurder heeft het bedrijfspand op enig moment overgedragen aan haar aandeelhouder in privé.

( c) [eiser] heeft een onderneming in 2011 verkocht en het bedrijfspand onderverhuurd aan de koper.

( d) De verhuurder heeft in 2011 het faillissement van [eiser] aangevraagd. De advocaat heeft als zodanig, in de context van de faillissementsaanvraag, gewerkt voor [eiser] als cliënt. De rechtbank Arnhem heeft het faillissement uitgesproken omdat de verhuurder (of de achterliggende persoon in privé) en meerdere leveranciers openstaande vorderingen hadden en omdat [eiser] onrechtmatig had gehandeld door het gehuurde niet te ontruimen.

( e) De advocaat heeft in 2011 namens [eiser] de verhuurder (en de achterliggende persoon) aansprakelijk gesteld voor schending van het recht van eerste koop.

( f) [eiser] heeft in/rond 2015 een WSNP-traject doorlopen.

[eiser] vordert een verklaring voor recht dat de advocaat tekort is geschoten en een veroordeling tot vergoeding van schade (totaal € 344.296,36). [eiser] vindt dat de verhuurder het recht van eerste koop heeft geschonden. [eiser] vindt dat de advocaat een beroepsfout heeft gemaakt doordat de advocaat geen stuitingsbrief heeft gestuurd, of doordat de brief niet is ontvangen, of doordat nu niet kan worden bewezen dat de brief wel is ontvangen, waardoor de verjaring van de rechtsvordering op de verhuurder is voltooid, [eiser] de vordering niet meer kan incasseren en [eiser] dus schade lijdt.

De advocaat voert verweer. Hij vindt dat hij wel degelijk een brief heeft gestuurd en dat deze ook is ontvangen. De advocaat meent dus helemaal geen fout te hebben gemaakt. De advocaat vindt ook dat er geen schade is in verband met zijn handelen.

[eiser] heeft vlak voor de zitting alle vorderingen ingetrokken, behalve wat betreft de proceskosten. [eiser] vindt dat de brief van mr. [C] (zie de zin hierna) doorslaggevend is in zijn nadeel en dat dit standpunt eerder naar voren had kunnen/moeten worden gebracht, zodat een proceskostenveroordeling gerechtvaardigd is. De e-mail van mr. [C] (destijds de advocaat van de verhuurder) gedateerd 20 maart 2014 (productie 3 antwoord) is gestuurd aan de verhuurder (cliënt van mr. [C] ) met de boodschap dat bij de e-mail de brief van de advocaat van 14 maart 2014 aan de verhuurder is gevoegd (onweersproken). Mr. [C] voegt daaraan toe (onweersproken): “De stuiting houdt verband met de aansprakelijkheidstelling die in 2011 uitgebracht is in verband met de verkoop van het winkelpand (…).”

De rechtbank laat zich verder niet uit over de vorderingen die [eiser] heeft ingetrokken.

De rechtbank beoordeelt nog wel de kwestie van de proceskosten. De rechtbank komt de conclusie dat zij [eiser] moet veroordelen in de proceskosten conform de wettelijke regel dat de partij die ongelijk krijgt, wordt veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft hiervoor de volgende redenen.

( a) De eerste reden is dat [eiser] onderzoek had kunnen doen bij mr. [C] vóór het uitbrengen van de dagvaarding. Het lag volgens de rechtbank niet uitsluitend op de weg van de advocaat om dit onderzoek te doen voor de onderbouwing van het antwoord. Stelplicht/bewijslast rusten op [eiser] omdat [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van de beweerde beroepsfout. Een verzwaarde motiveringsplicht voor de advocaat is hier ook wel belangrijk, maar ontheft [eiser] niet van de verplichting om voor zover mogelijk feiten te onderzoeken.

( b) De tweede reden is dat de advocaat tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft uitgelegd dat veel inspanningen nodig zijn geweest (oude computer aansluiten, enz.) om de e-mail van mr. [C] te vinden. Dergelijke inspanningen worden volgens de rechtbank meestal (door een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat/vakgenoot) niet uitgevoerd bij aanmaningen en sommaties, maar wel in een procedure voor de conclusie van antwoord (zoals hier). Het klopt dus in de visie van de rechtbank dat de advocaat in eerste instantie weinig informatie heeft geleverd (de advocaat liet eerst aan [eiser] weten geen bewijs te hebben van verzending/ontvangst) en daarna meer, maar dit rechtvaardigt volgens de rechtbank geen proceskostenveroordeling in het nadeel van de advocaat. De kosten van de procedure zijn dus niet nodeloos gemaakt, anders dan [eiser] zegt.

( c) De derde reden, voor wat betreft de kosten van de mondelinge behandeling (1 punt), is dat [eiser] heeft aangedrongen op een mondelinge behandeling over de proceskosten, waardoor mrs. [A] en De Jong Schouwenburg naar ’s-Hertogenbosch hebben moeten reizen voor een behandeling die uitsluitend gaat om de proceskosten in een eenvoudige procedure (dagvaarding, antwoord, akte, mondelinge behandeling). De rechtbank kent de feiten rondom een proceskostenveroordeling uit eigen waarneming (namelijk het procesdossier). Dit weegt mee in het nadeel van [eiser] .

( d) De vierde reden is dat de redelijkheid en billijkheid (beperkende werking) [eiser] in dit geval niet baten. Anders dan [eiser] zegt, is de enkele omstandigheid dat de advocaat eerst liet weten geen bewijs te hebben van verzending/ontvangst en pas later via mr. [C] bewijs ontving (de e-mail van mr. [C] ), niet genoeg voor de conclusie dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Het is in de visie van de rechtbank geen beroepsfout. Deze omstandigheid impliceert naar het oordeel van de rechtbank niet dat de advocaat op enkele punten ongelijk heeft gekregen en rechtvaardigt niet een compensatie van proceskosten of een proceskostenveroordeling in het nadeel van de advocaat. Het beroep van de advocaat op de gangbare toepassing van de regels over de proceskosten (kosten ongelijk) is in de visie van de rechtbank in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

De rechtbank merkt in algemene zin op dat een schending van artikel 21 Rv – de waarheidsplicht – zonder meer reden kan zijn voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank doet hier verder niets mee in deze zaak omdat tussen partijen in geschil is of [eiser] zoals vereist openheid van zaken heeft gegeven over de vraag of hij de curator in zijn faillissement en de bewindvoerder in zijn WSNP-traject heeft geïnformeerd over de vordering tot vergoeding van schade als gevolg van de beweerde schending van het recht van eerste koop. |

De conclusie is dat de rechtbank [eiser] veroordeelt in de proceskosten.

De proceskosten worden begroot op:

- griffierecht

5.737,00

- salaris advocaat

5.428,00

(2,00 punten × € 2.714,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

11.343,00

2. De beslissing

De rechtbank

verstaat dat [eiser] zijn vorderingen heeft ingetrokken en uitsluitend aanspraak maakt op vergoeding van de proceskosten,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 11.343,00, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand