bevel
RECHTBANK OOST-BRABANT
Strafrecht
parketnummer : 01-306177-24
bevel schorsing voorlopige hechtenis (artikel 80 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [1973] te [geboorteplaats] , feitelijk verblijfsadres:
[adres] , nu gedetineerd in [verblijf plaats] .
Raadsvrouw mr. C.A. Pietsch.
Procedure
Op 09 oktober 2024 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op 31 oktober heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis geschorst in verband met de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van 4 weken in de zaak met parketnummer 01-150657-22. Op 14 november 2024 is op griffie van de rechtbank opnieuw een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis, nu in verband met de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van 10 weken in de zaak met parketnummer 01-059379-24.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en het schriftelijke standpunt van de officier van justitie d.d. 14·november 2024.
Beoordeling
Verdachte heeft een schorsing voor bepaalde tijd verzocht teneinde hem in de gelegenheid te stellen de vrijheidsbenemende straf met parketnummer 01-059379-24 voor de duur van 10 weken uit te zitten.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen de schorsing. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er een aantal grote verschillen tussen de voorlopige hechtenis en de tenuitvoerleggingsfase bestaan zoals bijvoorbeeld waar de regie ligt (bij het OM dan wel de minister), de toetsing van verlofaanvragen en welk detentieregime van toepassing is (HvB dan wel PI). Ingevolge art l:4 van de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen gaat de voorlopige hechtenis qua tenuitvoerleggingsvolgorde voor op andere titels. Switchen tussen titels brengt risico's met zich mee zodra het einde van de onherroepelijke detentie in zicht komt
en er moet worden teruggekeerd naar de voorlopige hechtenis. De kans bestaat dat verdachte ten onrechte op vrije voeten komt onder andere door de vele schakels in de executieketen en handmatige termijnbewaking.
De rechter is van oordeel dat het uitzitten van een onherroepelijk aan verdachte opgelegde gevangenisstraf in deze zaak als alternatief kan dienen voor de voorlopige hechtenis en een grond kan opleveren voor schorsing nu dit een voor verdachte gunstigere vorm van vrijheidsbeneming is dan de voorlopige hechtenis.
De rechtbank vindt het persoonlijk belang van verdachte in dit geval zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang. Dit betekent dat het verzoek om de voorlopige hechtenis voor bepaalde tijd te schorsen zal worden toegewezen, met inachtneming van hetgeen hierna is bepaald.
Beslissing
De rechtbank:
schorst de voorlopige hechtenis met ingang op het moment dat de gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 01-059379-24 onherroepelijk is en ten uitvoer wordt gelegd, welke schorsing eindigt wanneer de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf eindigt of wanneer de detentiefasering een aanvang neemt. Op laatstgenoemd moment dient verdachte zich te melden bij [verblijf plaats] , onder de volgende voorwaarden:
1. De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen.
2. Indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan.
3. De verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.
4. De verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
S. De verdachte, voor zover aan de schorsing voorwaarden zijn verbonden betreffende het gedrag van de verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel I van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
Dit bevel is gegeven op 14 november 2024 door: mr. M.E. Bartels,
in tegenwoordigheid van C.N. van Heuckelum,
rechter, griffier.