RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/402997 / HA ZA 24-234
Rolbeslissing van 15 januari 2025
in de zaak van
STICHTING DROOGTESCHADE WATERWINNING,
te Hilversum,
eisende partij,
hierna te noemen: SDW,
advocaat: mr. M. Ynzonides,
tegen
1. BRABANT WATER N.V.,
te 's-Hertogenbosch,
advocaat: mr. P.W. den Hollander,2. VITENS N.V.,
te Zwolle,
advocaat: mr. B.J.P.G. Roozendaal,3. WMD DRINKWATER N.V.,
te Assen,
advocaat: mr. T. van Malssen,4. N.V. WATERBEDRIJF GRONINGEN,
te Groningen,
advocaat: mr. D.J. Beenders,5. OASEN N.V.,
te Gouda,
advocaat: mr. M.J. de Best,6. N.V. WATERLEIDING MAATSCHAPPIJ LIMBURG,
te Maastricht,
advocaat: mr. H.H.T. Beukers,7. EVIDES N.V.,
te Rotterdam,
advocaat: mr. F.A. Linssen,8. N.V. PWN WATERLEIDINGBEDRIJF NOORD-HOLLAND,
te Velserbroek,
advocaat: mr. W.C.T. Weterings,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de Drinkwaterbedrijven.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 maart 2024
- de akte van SDW tot overlegging van producties 1 t/m 40
- de brief van de rechtbank van 24 mei 2024
- de brieven van de Drinkwaterbedrijven (ingekomen tussen 4 en 17 juli 2024) met een reactie op het verzoek van SDW om een regiezitting
- de brief van de rechtbank van 31 juli 2024
- de oproeping voor de regiezitting
- de brieven van de rechtbank van 28 oktober en 29 november 2024
- de regiezitting van 2 december 2024, waar partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- het procesvoorstel van de rechtbank van 5 december 2024
- de akte uitlaten procesvoorstel van SDW van 17 december 2024
- de akte uitlaten procesvoorstel van de Drinkwaterbedrijven van 18 december 2024.
Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol van vandaag voor het nemen van een rolbeslissing.
2. Overwegingen
De vorderingen van SDW zijn vorderingen op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve zaken (hierna: WAMCA). Een collectieve actie dient verschillende fasen te doorlopen.
Gehoord de standpunten van partijen, heeft de rechtbank na de regiezitting in een brief van 5 december 2024 voorstellen gedaan voor de procesorde in deze zaak voor wat betreft de fase voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak. Partijen hebben zich hierover schriftelijk kunnen uitlaten.
Behandeling van de voorvragen in twee stappen
De rechtbank heeft voorgesteld om bij de behandeling van de voorvragen (tot aan de inhoudelijke behandeling) de wettelijke systematiek te volgen en de voorvragen te behandelen in twee stappen:
I. bevoegdheid en toepasselijk wettelijk regime (WAMCA en/of artikel 3:305a (oud) BW)
1. conclusie Drinkwaterbedrijven over het incident houdende onbevoegdheid en over het toepasselijk wettelijk regime op de vorderingen (12 weken)
2. incidentele antwoordconclusie SDW over onbevoegdheid (12 weken)
3. mondelinge behandeling
4. vonnis
II. ontvankelijkheidseisen collectieve actie
5. antwoordconclusie Drinkwaterbedrijven (12 weken)
6. mondelinge behandeling
7. vonnis
Hierbij geldt dat de rechtbank in haar vonnis (voornoemd punt 4) aan de vraag naar het toepasselijk wettelijk regime slechts kan toegekomen voor zover de rechtbank zal beslissen dat zij bevoegd is in deze zaak te beslissen.
SDW kan zich verenigen met het opdelen van de voorfase in deze twee stappen, maar vindt de voorgestelde termijnen aan de lange kant. SDW meent dat een termijn van 6 weken voor de eerste conclusie van de Drinkwaterbedrijven voldoende is, aangezien de dagvaarding al lang geleden is uitgebracht en gedaagden al veel tijd hebben gehad om hun verweer voor te bereiden. SDW stelt dat zij zelf aan een termijn van 4 weken voldoende heeft om te reageren op het beroep op onbevoegdheid. Voor de tweede antwoordconclusie zou volgens SDW een termijn van 8 weken voldoende zijn.
De Drinkwaterbedrijven hadden graag gezien dat de behandeling in de voorfase in drie stappen zou hebben plaatsgevonden, maar leggen zich neer bij het voorstel van de rechtbank om dit in twee stappen te doen. De Drinkwaterbedrijven betogen dat hen 16 weken de tijd moet worden gegund om de eerste conclusie te nemen, omdat deze niet alleen moet gaan over de door hen gestelde onbevoegdheid van de rechtbank, maar ook over het toepasselijk wettelijk regime, en omdat extra tijd nodig is voor onderling overleg en afstemming. Voor de conclusies in de tweede ronde zijn zij akkoord met het termijnvoorstel van 12 weken.
De rechtbank blijft bij haar voorstel om de behandeling van de voorvragen in deze zaak te laten plaatsvinden in twee stappen, zoals hiervoor weergegeven onder 2.3. Partijen zijn daarmee ook akkoord of hebben zich daarbij neergelegd.
De rechtbank handhaaft de in het voorstel opgenomen termijnen van 12 weken voor het nemen van de beide conclusies door de Drinkwaterbedrijven (in het voorstel genoemd onder 1 en 5). De rechtbank houdt daarbij rekening met de extra tijd die gemoeid zal zijn met de benodigde afstemming tussen de acht Drinkwaterbedrijven onderling. De rechtbank ziet in de reacties van partijen onvoldoende reden om die termijnen te verkorten tot respectievelijk 6 en 8 weken (zoals verzocht door SDW), of om de eerste termijn te verlengen tot 16 weken (zoals verzocht door de Drinkwaterbedrijven).
De rechtbank zal tegemoetkomen aan het verzoek van SDW om de termijn voor het nemen van een incidentele antwoordconclusie over het beroep op onbevoegdheid (in het voorstel genoemd onder 2) terug te brengen tot een termijn van 4 weken.
Voor al deze termijnen gelden de normale uitstelregels uit het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken.
Afstemming processtukken
In haar brief van 5 december 2024 heeft de rechtbank ook voorstellen gedaan die zien op (de opzet van) de door partijen in te dienen processtukken.
Zoals is besproken op de regiezitting, en door hen is bevestigd in de nadien (gezamenlijk) genomen akte, zullen de Drinkwaterbedrijven hun processtukken onderling afstemmen en waar mogelijk gelijksoortige processtukken indienen. Zij zullen daarbij kenbaar maken welke delen wel en niet gelijkluidend zijn.
De rechtbank heeft in haar voorstel ook opgenomen dat SDW en de Drinkwaterbedrijven zoveel mogelijk eenzelfde opzet zullen hanteren voor hun processtukken (zelfde indeling naar onderwerpen, zelfde volgorde van behandeling, eenvormig gebruik van afkortingen etc). De Drinkwaterbedrijven hebben hiertegen aangevoerd dat van hen niet kan worden verlangd dat zij hun processtukken opstellen in afstemming met SDW. De rechtbank overweegt dat met het voorstel niet is beoogd te bepalen dat de Drinkwaterbedrijven en SDW onderling afstemming moeten zoeken voordat zij hun processtukken indienen. Aan partijen komt immers de vrijheid toe om naar eigen inzicht de eigen processtukken in te delen en de eigen standpunten te verwoorden. Dit neemt niet weg dat het een efficiënte en ordelijke behandeling van deze omvangrijke zaak ten goede kan komen wanneer partijen bij het opstellen van processtukken waar mogelijk aansluiting zoeken bij (de opzet van) de reeds ingediende processtukken.
Plannen eerste mondelinge behandeling
Om de behandelduur van deze zaak niet onnodig lang te laten oplopen, zal de rechtbank met het plannen van een (eerste) mondelinge behandeling niet wachten tot de incidentele antwoordconclusie van SDW is ingediend. De rechtbank wil op korte termijn komen tot een datumbepaling voor de eerste mondelinge behandeling (in het voorstel genoemd onder 3), waarvoor de rechtbank één dag zal inplannen. De rechtbank wil die zittingsdag inplannen in de periode van 1 juli tot en met 22 juli 2025, of in de maand september 2025. De rechtbank wil bij het plannen van deze zitting graag rekening houden met de beschikbaarheid van partijen en hun raadslieden, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is met zo een groot aantal betrokkenen. Partijen zullen daarom gelegenheid krijgen hun eventuele verhinderingen in deze periodes aan te geven.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
stelt voor de behandeling van de voorvragen in deze zaak het volgende schema vast:
I.
bevoegdheid en toepasselijk wettelijk regime (WAMCA en/of artikel 3:305a (oud) BW)
conclusie Drinkwaterbedrijven over het incident houdende onbevoegdheid en over het toepasselijk wettelijk regime op de vorderingen (12 weken)
incidentele antwoordconclusie SDW over onbevoegdheid (4 weken)
mondelinge behandeling
vonnis
II.
ontvankelijkheidseisen collectieve actie
5. antwoordconclusie Drinkwaterbedrijven (12 weken)
6. mondelinge behandeling
7. vonnis
verwijst de zaak naar de rol van 9 april 2025 voor conclusie aan de zijde van de Drinkwaterbedrijven en vervolgens naar de rol van 7 mei 2025 voor incidentele antwoordconclusie aan de zijde van SDW, zoals bedoeld in voorgaand schema onder I;
bepaalt dat partijen uiterlijk op 5 februari 2025 aan de rechtbank opgave doen van hun verhinderingen in de periode van 1 juli tot en met 22 juli 2025 en de maand september 2025;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mr. K.A. Maarschalkerweerd, mr. A. Wijsman - van Veen en mr. J.A.W. Huijben en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.