ECLI:NL:RBOBR:2025:3644

ECLI:NL:RBOBR:2025:3644, Rechtbank Oost-Brabant, 25-06-2025, 25/1075 R

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 25-06-2025
Datum publicatie 07-10-2025
Zaaknummer 25/1075 R
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
9 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002682 BWBR0003245 BWBR0005537 BWBR0024779 BWBR0025458 BWBR0026710 BWBR0037885 BWBR0041313 BWBR0043660

Samenvatting

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de gewijzigde lozingsnorm voor de stof perfluorbutaatsulfonzuur (PFBS). Het beroepschrift zal worden behandeld door een meervoudige kamer van de rechtbank op 23 september 2025. Daarvoor schakelt de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak in. De voorzieningenrechter treft in deze uitspraak een voorlopige voorziening voor de tussenliggende periode. De uitspraak is op verzoek van partijen gerectificeerd en gewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

SABIC Innovative Plastics B.V. , uit Bergen op Zoom , verzoekster

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college

Samenvatting

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/1075 R

gerectificeerde uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juni 2025 in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. T.N. Sanders),

en

(gemachtigden: mr. F.C.S. Warendorf en C.A.M. van Broekhoven).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister van infrastructuur en waterstaat (de Minister), vertegenwoordigd door mr. drs. B.E.G. Wiskerke, [naam] en

[naam] .

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de gewijzigde lozingsnorm voor de stof perfluorbutaatsulfonzuur (PFBS) door verzoekster. Het college heeft de geldende omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van 2 april 2002 gewijzigd. Het college heeft in voorschrift 1.1.1 een tijdelijke lozingseis voor 2025 en 2026 voor de jaarvracht PFBS in het afvalwater dat wordt geloosd via de afvalwaterpersleiding (AWP) op de Westerschelde opgenomen en daarnaast in paragraaf 1.2 van het bestreden besluit monitoringsverplichting opgenomen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft hiertegen beroep ingesteld en verzoekt tevens om een voorlopige voorziening.

Het beroepschrift zal worden behandeld door een meervoudige kamer van de rechtbank op 23 september 2025. Daarvoor schakelt de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak in. De voorzieningenrechter treft in deze uitspraak een voorlopige voorziening voor de tussenliggende periode. Hierdoor kan een aanvullende techniek worden toegepast en worden beproefd.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 25 maart 2025 de revisievergunning uit 2002 (die na invoering van de Omgevingswet gelijk is gesteld met een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit) van verzoekster gewijzigd met toepassing van artikel 5.38 van de Omgevingswet in combinatie met artikel 8.99, eerste lid, onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het gaat om de toevoeging van de volgende voorschriften:

( i) een lozingsnorm van 2,75 kg/jaar (maximum jaarvracht) met betrekking tot de hoeveelheid PFBS gemeten met meetmethode NEN-ISO 21675 en PFBS meetpunt 4 (eindlozing op de afvalwaterpersleiding) in de jaren 2025 en 2026, (voorschrift 1.1.1 van het bestreden besluit);

(ii) een controleverplichting door een continue debietmeting en door bemonstering en meting van een volume-proportioneel etmaalmonster 3x per week op voornoemd meetpunt, en een overeenkomstige maandelijkse rapportageverplichting aan het bevoegd gezag (voorschriften 1.2.1 en 1.2.2 van het bestreden besluit).

Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (geregistreerd onder zaaknummer SHE 25/1076) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen na de periode van vier weken als bedoeld in artikel 16.79, tweede lid, van de Omgevingswet. Het bestreden besluit is dus al in werking getreden.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens verzoekster en de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college. De voorzieningenrechter heeft de Minister aangemerkt als derde-partij en de gemachtigden van de Minister waren ook aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.

4. De bodemzaak zal worden behandeld door een meervoudige kamer op 23 september 2025 die er naar zal streven binnen twee weken na de zitting uitspraak te doen. De voorzieningenrechter zal met instemming van partijen deel uitmaken van deze meervoudige kamer. De voorzieningenrechter heeft ter voorbereiding van de behandeling door de meervoudige kamer met partijen besproken welke vragen aan de StAB zullen worden gesteld. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter inlichtingen gevraagd aan partijen. De meervoudige kamer zal later beslissen of MOB, de wijkvereniging Noordgeest en de Stichting Gezond Water in de gelegenheid worden gesteld als partij aan deze procedure deel te nemen. Deze uitspraak gaat dus alleen over de vraag of in afwachting van de uitspraak op het beroepschrift maatregelen moeten worden getroffen met betrekking tot de lozing van afvalwater.

5. De voorzieningenrechter stelt het volgende vast naar aanleiding van de zitting van 28 mei 2025.

- Verzoekster treft al maatregelen ter beperking van de lozing van PFBS:

6. De voorzieningenrechter houdt rekening met de volgende omstandigheden:

7. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan.

Verzoekster heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen voorschriften 1.2.1 en 1.2.2 van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding deze voorschriften te schorsen.

Gelet op de inschakeling van de StAB en de belangen van verzoekster waaronder de behoefte om te beproeven of de lozing van PFBS verder kan worden beperkt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om voorschrift 1.1.1 van het bestreden besluit te schorsen onder strenge voorwaarden. Deze voorwaarden zijn besproken op de zitting en tussen partijen.. De voorwaarde waarover geen overeenstemming is bereikt, betreft het bepalen van een vervangende jaarvracht PFBS in 2025. De voorzieningenrechter vindt het noodzakelijk om de jaarvracht PFBS te beperken teneinde te voorkomen dat er geen enkele lozingseis meer geldt. Hierbij stelt de voorzieningenrechter weliswaar als voorwaarde bij de voorlopige voorziening een ruimere lozingseis dan in het bestreden besluit maar deze eis is aanzienlijk strenger dan de hoeveelheid PFBS die in de afgelopen jaren is geloosd. Bovendien gelden daarnaast de andere voorwaarden waardoor de lozing van PFBS wordt beperkt.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek gedeeltelijk toe en schorst voorschrift 1.1.1 van het bestreden besluit tot en met de uitspraak van de rechtbank. De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze voorlopige voorziening van rechtswege vervalt als niet wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Als de voorwaarden niet worden nageleefd, vervalt de voorlopige voorziening automatisch (zonder enige tussenkomst van de voorzieningenrechter) en is voorschrift 1.1.1 direct en onverkort van toepassing.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten.

Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoek ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,- De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 PFBS mag alleen in de LXF Plant worden gebruikt;

 er dient gebruik te worden gemaakt van de methodes en wijze van procesvoering beschreven in paraaf 5.2, 5.3 en 6.4 van de brief van 15 november 2024;

 er mag slechts één masterbatch worden uitgevoerd voor 23 september 2025. Hierbij dient de koelwatertechniek beschreven in paraaf 5.3 van de brief van 15 november 2024 te worden toegepast. Bovendien moet het vrijkomend koelwater worden opgevangen en mag dit koelwater niet worden geloosd zonder voorafgaande goedkeuring van bevoegd gezag;

 de jaarvracht PFBS mag in 2025 niet hoger zijn dan 4 kg.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2025.

de griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?