RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 10547044 \ CV EXPL 23-3312
Vonnis van 17 juli 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. Yadegari,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.A. van den Bogert.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 juni 2023 met producties 1 tot en met 6,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,
- de akte van [eiser] met producties 7 tot en met 23,
- de akte van [eiser] met productie 24,
- de mondelinge behandeling van 16 december 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Op 16 maart 2023 kocht [eiser] een auto van [gedaagde] van het merk Ford, model Focus, met het kenteken [kenteken] , bouwjaar 2012 en een kilometerstand van 117783, voor een koopsom van € 8.550,00. De koopovereenkomst vermeldt bij het kopje opmerking onder meer “Technische aflevercontrole” en “Olielekkage verhelpen”.
Op 20 april 2023 heeft [eiser] geconstateerd dat het motorstoringslampje van de auto oranje ging branden. [eiser] heeft dat diezelfde dag aan [gedaagde] gemeld. Op 24 april 2023 heeft [gedaagde] [eiser] verzocht om een formulier in te vullen, waarna de werkplaats contact zou opnemen met [eiser] .
Op 2 mei 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat zij de auto niet kosteloos zal herstellen gelet op de leeftijd van de auto, maar dat zij [eiser] wel tegemoet wil komen. [gedaagde] wenste de auto in de werkplaats te onderzoeken om een exacte diagnose te kunnen stellen en vervolgens herstellen. Op diezelfde dag reageerde [eiser] daarop door te stellen niet verwacht te hebben dat drie weken na aankoop van de auto al zulke gebreken zich zouden voordoen, die tot gevolg hebben dat er niet meer met de auto gereden kan worden. Ook meldde [eiser] dat het probleem van de olielekkage in de motor niet is verholpen, terwijl op de factuur vermeld stond dat [gedaagde] de olielekkage zou verhelpen voor aflevering. De lokale garage van [eiser] heeft bovendien geconstateerd dat het om een kapotte koppakking gaat. [eiser] heeft [gedaagde] daarom verzocht om alvast een inschatting te maken van de verwachte kosten van reparatie.
Op 3 mei 2023 reageerde [gedaagde] dat het lastig is om op afstand een offerte te maken zonder de auto gezien te hebben, maar dat zij een inschatting heeft gemaakt van de kosten (€ 1.504,43). [gedaagde] stelde in diezelfde reactie voor om de kosten van de reparatie te delen, wat neer zou komen op een bedrag van circa € 750,00. De kosten voor transport van de auto zou [gedaagde] volledig dragen.
[eiser] kon zich niet met het voorstel van [gedaagde] verenigen en heeft zich daarom tot zijn gemachtigde gewend. Op 9 mei 2023 is [gedaagde] vervolgens in gebreke gesteld voor de hierna genoemde gebreken:
- motorstoringslampje brandt
- verwarming werkt niet waardoor de motor niet meer gekoeld wordt
- koppakking stuk
- olielekkage in het motorblok is niet verholpen.
[eiser] heeft [gedaagde] daarbij een termijn van zeven dagen gegeven om deze gebreken te herstellen.
Op 10 mei 2023 heeft [gedaagde] in reactie op de ingebrekestelling laten weten dat zij deze niet accepteert, omdat [eiser] heeft gekozen voor levering zonder garantie en het gaat om een auto van 11 jaar oud met meer dan 100.000 kilometer op de teller. Op 11 mei 2023 heeft [eiser] (door zijn gemachtigde) gereageerd dat hij uit de reactie van [gedaagde] opmaakt dat zij een houding aanneemt waaruit blijkt dat verdere aanmaning vruchteloos is en dat het hem dan ook vrijstaat om tot dagvaarding over te gaan. Op 5 juni 2023 heeft [eiser] [gedaagde] gedagvaard.
Op 16 augustus 2023 heeft [gedaagde] [eiser] verzocht meer toelichting te geven over de problemen met de auto. [gedaagde] en [eiser] hebben vervolgens meermaals met elkaar gecorrespondeerd.
Op 21 september 2023 heeft [gedaagde] de auto opgehaald en een leenauto aan [eiser] verstrekt.
Op 3 oktober 2023 heeft [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] laten weten geconstateerd te hebben dat het koelvloeistofpotje van de auto leeg was en dat de motor “helemaal verrot” was gereden door oververhitting, waardoor nu de complete motor vervangen moet worden.
Op 5 april 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht dat de auto is geschorst.
Op 9 september 2024 heeft in opdracht van [eiser] een deskundigenonderzoek plaatsgevonden door [A] . [A] heeft als volgt geconcludeerd:
“Door een al eerder verholpen koelvloeistof lekkage is de motor te heet geworden. Hierdoor heeft de koppakking en of cilinderkop schade opgelopen. Om de precieze schade te achterhalen dient de motor uit elkaar gehaald te worden. Het onder blok dient goed geïnspecteerd te worden. Deze moet ook vervangen worden als er diepe krassen in de cilinderwanden aanwezig zijn door roest vorming. Een revisie motorblok monteren heeft de voorkeur.
Gezien de hoeveelheid koelvloeistof welke nu nog aanwezig is in de verbrandingskamers denken we dat dit probleem al langer aan de hand was. En niet in een kleine 1200 kilometer is ontstaan.”
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt:
primair:
1. tot terugbetaling van de koopsom van € 8.550,00 aan [eiser] bij volledige ontbinding of een evenredig deel daarvan indien de kantonrechter slechts partiële ontbinding wettigt tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
2. om op straffe van een dwangsom van € 500,00 per (onvoltooide deel van een) dag dat [gedaagde] de auto niet ophaalt na het vonnis en/of geen deugdelijk vrijwaringsbewijs verschaft aan [eiser] en daarmee [eiser] bevrijdt van zijn kentekenhouderverplichtingen (MRB en WA), een en ander tot een maximum van € 20.000,00;
subsidiair:
3. te bepalen dat [eiser] gerechtigd is een derde de auto te doen herstellen en dat de kosten daarvan op [gedaagde] verhaald mogen worden ex art. 7:21 lid 6 BW. Indien [gedaagde] de auto onder zich heeft en [eiser] gerechtigd wordt tot herstel van de auto door een derde ten laste van [gedaagde] , dient deze op straffe van de onder 2. genoemde dwangsom veroordeeld te worden tot afgifte van de auto aan [eiser] ;
4. indien de kosten ten tijde van vonniswijzing niet bekend zijn althans nog niet begroot, wordt verzocht voor de begroting van de kosten de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure en [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van het alsdan vastgestelde bedrag. Dit zijn de kosten van herstel door een derde ex art. 7:21 lid 6 BW;
primair en subsidiair:
5. vergoeding van de aanvullende schadeposten:
a. motorrijtuigenbelasting: € 52,00 per maand, vanaf 16 maart 2023 tot datum van vrijwaring, herstel of schorsing;
b. verzekeringspremies: € 39,94 per maand, vanaf 16 maart 2023 tot datum van vrijwaring, herstel of schorsing;
c. extra kosten: € 780,00;
d. buitengerechtelijke incassokosten € 971,03;
6. de wettelijke rente over de hoofdsom en de nevenvorderingen, berekend vanaf de datum van aankoop, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van algehele voldoening;
7. de kosten van dit geding, waaronder de kosten van de eigen bijdrage van [eiser] .
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat sprake is van een consumentenkoop en de auto niet de eigenschappen bezit die hij op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De auto is non-conform aangezien drie weken na aankoop al een motorstoringslampje is gaan branden, de verwarming niet meer werkt waardoor de motor niet meer gekoeld kan worden, de koppakking stuk is en er een olielekkage is in het motorblok. [eiser] heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om de auto te herstellen, maar [gedaagde] is niet tot herstel overgegaan. [eiser] vordert daarom ontbinding van de overeenkomst en (terug)betaling van de koopsom en de geleden schade in de vorm van de motorrijtuigenbelasting, verzekeringspremie en kosten voor het huren van een leenauto.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , dan wel [gedaagde] in de gelegenheid te stellen een diagnose te stellen en indien nodig tot herstel van datgene waartoe zij gehouden is.
[gedaagde] voert daartoe - kort samengevat - aan dat [eiser] de auto heeft gekocht zonder garantie en dat gelet op de leeftijd en de kilometerstand van de auto bij aankoop geen sprake is van non-conformiteit. [gedaagde] voert daarnaast aan dat [eiser] mogelijk te lang heeft doorgereden met het waarschuwingslampje en een temperatuurmeter die in het rood stond, waardoor [eiser] de schade aan de motor zelf heeft veroorzaakt. [eiser] had door het niet werken van de verwarming en het branden van het waarschuwingslampje moeten signaleren dat er geen koelvloeistof meer aanwezig was en had de auto daarom per direct moeten stilzetten. Als [eiser] op tijd was gestopt met rijden, dan zou de motor niet oververhit zijn geraakt. De auto was bij aflevering volledig apk-gekeurd en op het moment van leveren had de auto geen gebreken.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Ambtshalve toetsing
Er is sprake van consumentenkoop. De kantonrechter moet ambtshalve onderzoeken of door [gedaagde] als handelaar aan een aantal informatieverplichtingen is voldaan. Er is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. In dat geval zijn de informatieplichten van toepassing die zijn opgenomen in artikel 6:230l BW. Uit de stellingen van partijen en uit de stukken in het procesdossier leidt de kantonrechter af dat [eiser] bij het sluiten van de koopovereenkomst moet hebben beschikt over alle essentiële informatie, omdat die uit de context bleek, dan wel op duidelijke en begrijpelijke wijze door [gedaagde] aan [eiser] was verstrekt.
De kantonrechter moet ook ambtshalve toetsen of de overeenkomst oneerlijke bedingen bevat in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen bevat. Daarvan is niet gebleken.
Er is sprake van non-conformiteit
Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of de door [gedaagde] aan [eiser]
geleverde auto beantwoordt aan de koopovereenkomst. [eiser] baseert zijn vorderingen op de
stelling dat dit niet zo is. De kantonrechter overweegt in reactie op het verweer van [gedaagde]
dat het enkele feit dat de auto zonder garantie is verkocht, [gedaagde] niet ontslaat
van haar verplichting een auto te leveren die beantwoordt aan de koopovereenkomst.
Tussen partijen staat vast dat sprake is van een consumentenkoop. Op grond van
artikel 7:17 lid 1 BW is de verkoper verplicht een zaak te leveren die aan de overeenkomst beantwoordt. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Wanneer een (tweedehands) auto wordt gekocht om daarmee, naar de verkoper
bekend is, aan het verkeer deel te nemen, zal als regel moeten worden aangenomen, dat de
auto in elk geval niet beantwoordt aan de overeenkomst indien, als gevolg van een daaraan klevend gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld, zodanig gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren. Een koper mag verwachten dat een tweedehands auto de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Bij een gebruikte auto is van belang dat een koper mag verwachten dat de auto in een staat is die bij de ouderdom, het aantal gereden kilometers en de onderhoudstoestand past. Of een gebruikte auto aan de koopovereenkomst beantwoordt, moet worden beoordeeld naar het moment van aflevering. Artikel 7:18a lid 2 BW komt de koper in de stelplicht en bewijslast tegemoet in de vorm van een bewijsvermoeden. Vermoed wordt dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van wat partijen zijn overeengekomen zich binnen een termijn van één jaar na aflevering openbaart, tenzij de verkoper anders aantoont of de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Indien dus sprake is van een afwijking van wat is overeengekomen en deze afwijking zich binnen één jaar na aankoop openbaart, wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Het is dan aan de verkoper om te stellen en te bewijzen dat de zaak bij aflevering wèl aan de overeenkomst beantwoordde.
De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat
drie weken na aankoop een motorstoringslampje oranje is gaan branden, de verwarming niet
meer werkte waardoor de motor niet meer gekoeld werd, de koppakking stuk is gegaan en
de auto olie lekte in het motorblok, waardoor niet meer met de auto aan het verkeer kon
worden deelgenomen. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het er ook wel
over eens zijn dat gelet op de leeftijd en de kilometerstand niet verwacht hoefde te worden
dat de koppakking al stuk ging. Op grond van het wettelijk bewijsvermoeden, worden de
gestelde en niet (voldoende gemotiveerd) betwiste gebreken vermoed bij aflevering
aanwezig te zijn geweest. De kern van het geschil tussen partijen gaat over de
“tenzij-clausule”.
[gedaagde] heeft in dat verband namelijk aangevoerd dat [eiser] al 1100 kilometer zonder problemen had gereden met de auto, waardoor ervan uitgegaan kan worden dat de auto in prima staat was bij aflevering, gelet ook op de gedane apk-keuring voor aflevering. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verder naar voren gebracht dat de kapotte koppakking geen oorzaak maar een gevolg is, en wel van de handelwijze van [eiser] . [gedaagde] betoogt dat het stuk gaan van de koppakking het gevolg is van te lang doorrijden met de auto zonder dat er koelvloeistof aanwezig was, terwijl een waarschuwingslampje is gaan branden en ook de temperatuurmeter in het rood moet hebben gestaan. [gedaagde] op de mondelinge behandeling: “Het hele probleem is het gevolg van het negeren van lampjes”.
[eiser] heeft dit betwist. Hij stelt dat hij slechts nog 10 kilometer is doorgereden (namelijk naar huis) nadat het waarschuwingslampje is gaan branden. [eiser] , die al 20 jaar beroepschauffeur is, stelt dat hij de auto ook niet per direct hoefde stil te zetten, omdat het een oranje waarschuwingslampje betrof en dat daarmee dus ook enkele kilometers doorgereden mocht worden. Er is vervolgens iemand van de lokale garage bij [eiser] geweest om onder de motorkap te kijken. De auto is daarna versleept naar de lokale garage. [eiser] beroept zich ook op het rapport van [A] , die concludeerde: Gezien de hoeveelheid koelvloeistof welke nu nog aanwezig is in de verbrandingskamers denken we dat dit probleem al langer aan de hand was. En niet in een kleine 1200 kilometer is ontstaan.
[eiser] zegt daarover ook nog dat partijen een technische aflevercontrole waren overeengekomen en hij gelet daarop niet hoefde te verwachten dat al na drie weken de koelvloeistof helemaal leeg was. [eiser] stelt ook nog dat [gedaagde] niet heeft aangetoond dat als de auto per direct was stilgezet nadat het lampje is gaan branden, de gebreken zich niet hadden voorgedaan.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] in het licht van het onderbouwde verweer van [eiser] , niet voldoende onderbouwd heeft gesteld en/of bewezen dat de gebreken pas ná aflevering zijn ontstaan. De kantonrechter weegt daartoe mee dat [gedaagde] heeft erkend dat bij een technische aflevercontrole (het niveau van) de koelvloeistof wordt nagekeken en bijgevuld en dat dit ook is gebeurd. In beginsel is dan niet te verwachten dat deze drie weken later alweer “op” is, tenzij sprake is van een technisch mankement. In dit geval mag wel worden aangenomen dat sprake is van een technisch mankement: het debat concentreert zich rond de vraag wanneer dat mankement dan is ontstaan. [gedaagde] heeft daarover op de mondelinge behandeling gezegd dat het feit dat de koelvloeistof in drie weken tijd al volledig op was, het gevolg kan zijn van steenslag in de radiator of een
verdroogde of verroeste koelvloeistofslang. Er kan volgens [gedaagde] na 10 jaar altijd iets
zijn en het moment van ontstaan is niet altijd te voorspellen. De kantonrechter oordeelt
daarover dat dit laatste naar alle waarschijnlijkheid waar is, maar ook dat met deze
stellingen [gedaagde] niet de drempel haalt van stellen en bewijzen dát het technisch
mankement pas na aflevering is ontstaan. Wat [gedaagde] aanvoert, laat namelijk net zo
goed de mogelijkheid open dat het technisch mankement bij aflevering al wél aanwezig was.
In zijn stelling dat dit het geval was, wordt [eiser] bovendien gesteund door [A] . Ook
voor het verwijt dat [eiser] langer dan verantwoord was heeft doorgereden en daarmee zelf het
kapot gaan van de koppakking heeft veroorzaakt, waar anders misschien (aldus [gedaagde] )
alleen sprake was geweest van een kapotte radiator of kapotte slang (waarin de
veronderstelling besloten lijkt te liggen dat dan geen sprake zou zijn van non-conformiteit)
ziet de kantonrechter geen controleerbare aanleiding. De kantonrechter ziet daarom, en
mede ook vanwege het feit dat auto al in september 2023 naar [gedaagde] is vervoerd en er
dus alle tijd en gelegenheid is geweest om met controleerbare eigen bevindingen te komen
en hiervan onderbouwing te overleggen, ook geen aanleiding of ruimte om nog verder
onderzoek te laten doen.
De bovenstaande overwegingen resulteren in de conclusie dat de kantonrechter van
oordeel is dat de auto niet voldoet aan de verwachtingen die [eiser] op basis van de
koopovereenkomst had en mocht hebben en dat dus sprake is van non-conformiteit.
De overeenkomst wordt ontbonden
[eiser] vordert dat de kantonrechter de koopovereenkomst ontbindt. Nu ervan moet worden uitgegaan dat [gedaagde] een auto aan [eiser] heeft geleverd die niet beantwoordt aan de koopovereenkomst, staat daarmee vast dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en verplicht was om op verzoek van [eiser] (de gebreken aan) de auto te herstellen. Artikel 7:21 lid 3 BW bepaalt dat de verkoper verplicht is om binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper, gebreken te herstellen. Uit artikel 7:21 lid 2 BW vloeit voort dat de kosten daarvan niet bij [eiser] als koper in rekening kunnen worden gebracht. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is geweest van kosteloos en adequaat herstel. Vanaf het begin heeft [gedaagde] zich namelijk op het standpunt gesteld dat zij de auto niet kosteloos zal herstellen. Verder staat vast dat [eiser] [gedaagde] op 9 mei 2023 in de gelegenheid heeft gesteld om de gebreken te herstellen. [gedaagde] heeft in reactie op de ingebrekestelling laten weten dat zij deze niet accepteert, nu [eiser] heeft gekozen voor levering zonder garantie en het gaat om een auto van 11 jaar oud met meer dan 100.000 kilometer op de teller. Na het uitbrengen van de dagvaarding is er zijdens de gemachtigde van [gedaagde] vervolgens medio augustus 2023 contact opgenomen met [gedaagde] . Zijdens [gedaagde] is vervolgens aangeboden de auto op te halen en meegedeeld dat waar dat op [gedaagde] zal blijken te drukken, herstel zal worden aangeboden. Dat vervolgens een aanbod is gedaan, heeft de kantonrechter niet kunnen vaststellen. Verder staat vast dat geen herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Dit terwijl de auto geruime tijd bij [gedaagde] daartoe beschikbaar was. Daarmee concludeert de kantonrechter dat de situatie bedoeld in artikel 7:22 lid 2 in samenhang met lid 1 BW zich voordoet. [eiser] heeft dan ook de bevoegdheid de koopovereenkomst te ontbinden, zoals hij in deze procedure vordert (zo begrijpt de kantonrechter de vordering van [eiser] onder primair 1)). De gebreken zijn ernstig genoeg om ontbinding te rechtvaardigen (artikel 7:22 lid 1 sub a BW).
Ongedaanmakingsverplichtingen
Het rechtsgevolg van ontbinding is dat er ongedaanmakingsverplichtingen ontstaan.
Dat betekent dat [eiser] de auto moet teruggeven aan [gedaagde] en dat [gedaagde] de
koopsom van € 8.550,00 moet terugbetalen aan [eiser] . De auto staat, zo is op de mondelinge
behandeling verklaard, nog bij [gedaagde] , dus daarmee is in wezen al uitvoering gegeven
aan de verplichting van [eiser] tot teruggave. [gedaagde] moet nu dus nog € 8.550,00 aan
[eiser] terugbetalen. [eiser] heeft ook wettelijke rente gevorderd over dit bedrag vanaf de
dag van aankoop. Die vordering is niet toewijsbaar. De vordering tot ongedaanmaking
ontstaat immers pas door de ontbinding van de koopovereenkomst in deze uitspraak, zodat
van vertraging in de voldoening van de ongedaanmakingsverplichting geen sprake kan zijn
geweest. De schuldenaar van een ongedaanmakingsverbintenis komt er zake daarvan in
verzuim langs de weg van artikel 6:81 e.v. BW, doorgaans dus door een ingebrekestelling.
Van verzuim is (nog) geen sprake, reden waarom de gevorderde wettelijke rente over het
bedrag van € 8.550,00 wordt afgewezen.
[eiser] vordert daarnaast om [gedaagde] te veroordelen om de auto op te halen of te
doen ophalen onder verstrekking van een deugdelijk vrijwaringsbewijs aan [eiser] op straffe
van het verbeuren van een dwangsom. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Op
de mondelinge behandeling is gebleken dat de auto nog steeds bij [gedaagde] staat. In zoverre is de vordering achterhaald. Dat ligt anders met betrekking tot het verstrekken van een vrijwaringsbewijs. Het kenteken van de auto kan niet langer op naam van [eiser] blijven staan. Beide partijen moeten eraan meewerken dat het kenteken weer op naam van [gedaagde] wordt gesteld en [gedaagde] moet dan een deugdelijk vrijwaringsbewijs aan [eiser] verstrekken. In deze zin zal de kantonrechter beslissen. De gevorderde dwangsom zal de kantonrechter, als stok achter de deur, toewijzen, zij het dat deze op een lager bedrag en een lager maximum zal worden gesteld dan gevorderd.
[gedaagde] moet [eiser] schadevergoeding betalen
[eiser] vordert vergoeding van door hem betaalde motorrijtuigenbelasting
(€ 52,00 per maand) en verzekeringspremies (€ 39,94 per maand) vanaf 16 maart 2023 tot de datum van vrijwaring, herstel of schorsing. Op 5 april 2024 is de auto geschorst. [eiser] stelt dat hij door de tekortkomingen in die periode geen ongestoord gebruik heeft kunnen maken van de auto als gevolg van de non-conformiteit, maar deze kosten wel moet dragen. [eiser] heeft ook aangevoerd dat hij niet beschikt over een privé terrein en dat het duurder was geweest de auto ergens te stellen, zodat het doorbetalen van deze posten de goedkoopste optie was. [gedaagde] heeft de stelling van [eiser] dat hij deze kosten heeft gemaakt, niet concreet betwist noch dat deze toewijsbaar zijn, indien en voor zover de kantonrechter tot non-conformiteit zou komen (en dat is het geval). De kantonrechter zal deze kosten (vgl. o.m. de arresten van de Hoge Raad van 28 januari 2005 en 5 december 2008 (ECLI:NL:HR:2005:AR6460 r.o. 3.3.1. en ECLI:NL:HR:2008:BF1042, r.o. 3.5 - 3.7) toewijzen vanaf 20 april 2023 (vanaf toen heeft [eiser] geen ongestoord gebruik meer kunnen maken van de auto) tot 5 april 2024. Het gaat om een bedrag van € 91,94 per maand.
[eiser] stelt verder dat hij kosten voor een leenauto heeft moeten maken. [eiser] stelt dat deze kosten € 780,00 bedragen en legt een betaalbewijs van 16 mei 2023 over waarop een bedrag van € 780,00 is overgemaakt, met de omschrijving “voorlopige betaling geleende voertuig 21/04-16/05”. [eiser] voert aan dat hij een auto van familie heeft geleend en stelt dat hij daarmee de kosten van de leenauto heeft beperkt, omdat als hij daadwerkelijk een auto commercieel had gehuurd de kosten hoger zouden zijn. De gevorderde kosten hebben betrekking op de periode april tot en met 21 september 2023. [gedaagde] heeft deze kosten niet concreet betwist. De kantonrechter heeft gezien dat [gedaagde] in de conclusie van antwoord wel heeft aangevoerd dat zij meerdere keren het aanbod van een vervangende auto heeft gedaan, maar voor de conclusie dat [eiser] de gevorderde kosten daarom overbodig heeft gemaakt, is geen toereikende onderbouwing voorhanden. Het gevorderde bedrag wordt daarom toegewezen.
Wettelijke rente over schadevergoeding
De wettelijke rente over de toegewezen schadevergoeding wordt toegewezen vanaf de dag dat [eiser] de kosten heeft voldaan tot de dag van algehele voldoening.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst deze vordering af. [eiser] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die voor vergoeding in aanmerking komen.
Subsidiaire vorderingen
Aan de subsidiaire vorderingen wordt niet toegekomen, waardoor deze verder onbesproken blijven.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
86,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
899,00
De post eigen bijdrage toevoeging is niet apart toewijsbaar. Deze valt onder het bereik van de proceskostenveroordeling.
5. De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de koopovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de auto van het merk Ford, model Focus, met het kenteken [kenteken] ,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] terug te betalen een bedrag van € 8.550,00,
veroordeelt partijen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis tot het overschrijven van het kenteken van de auto aan [gedaagde] over te gaan en [gedaagde] tot het verstrekken van een deugdelijk vrijwaringsbewijs aan [eiser] , op straffe van een dwangsom van € 50 per dag (een deel van een dag daaronder begrepen) dat [gedaagde] dat niet doet, met een maximum van € 2.500,00,
veroordeelt [gedaagde] om [eiser] de volgende bedragen te betalen:
- een bedrag van € 91,94 per maand aan motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremie vanaf 20 april 2023 tot 5 april 2024,
- een bedrag van € 780 aan kosten voor een leenauto,
veroordeelt [gedaagde] om [eiser] wettelijke rente over de bedragen onder 5.4. te betalen vanaf de dag dat [eiser] deze kosten heeft betaald tot de dag van volledige voldoening,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 899,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op
17 juli 2025.