ECLI:NL:RBOBR:2025:513

ECLI:NL:RBOBR:2025:513, Rechtbank Oost-Brabant, 30-01-2025, 11238557_T30012025

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 30-01-2025
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer 11238557_T30012025
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Eindhoven

Samenvatting

Pachtzaak. Vonnis in het incident. De verzochte voeging (217 Rv) wordt toegewezen, omdat er een duidelijk belang is gelet op de bij wijze van tegeneis in de hoofdzaak gevraagde indeplaatsstelling (artikel 7:363 BW). Eindvonnis zie: ECLI:NL:RBOBR:2025:8178.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

PACHTKAMER

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 11238557 CV EXPL 24-4040

Vonnis in het incident van 30 januari 2025

in de zaak van:

[eiser 1] ,

wonende in [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

verwerende partij in het incident tot voeging,

gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde 1] ,

wonende in [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. E.H.M. Harbers,

in welke zaak zich willen voegen aan de zijde van [gedaagde 1] :

1. [gedaagde 2] ,

wonende in [woonplaats] ,

2. [gedaagde 3],

wonende in [woonplaats] ,

eisende partijen in het incident tot voeging,

gemachtigde: mr. E.H.M. Harbers.

Partijen worden hierna genoemd: [eiser 1] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 19 juli 2024 van [eiser 1] met bijlagen 1 tot en met 3,

de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 2 oktober 2024 van [gedaagde 1] met bijlagen 1 tot en met 5, tevens incidentele vordering tot voeging van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,

de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie met ook conclusie van antwoord in het incident van 31 oktober 2024 van [eiser 1] met bijlagen 4 tot en met 7,

e brief van 1 november 2024 van de griffier, waarin staat dat [gedaagde 1] mag reageren op het laatst door [eiser 1] ingediende processtuk door een conclusie van dupliek in conventie en conclusie van repliek in reconventie in te dienen,

de brief van 13 november 2024 van [gedaagde 1] , waarin samengevat is vermeld dat hij bezwaar maakt tegen indiening van de conclusie van repliek in conventie door [eiser 1] , dat [gedaagde 1] geen conclusie van dupliek in conventie en conclusie van repliek in reconventie zal indienen, en dat [gedaagde 1] vraagt om een mondelinge behandeling in de hoofdzaak te bepalen,

de brief van 14 november 2024 van [eiser 1] , waarin is gereageerd op de hiervoor genoemde brief van 13 november 2024.

Vervolgens is vonnis in het incident bepaald.

2. Een korte schets van de hoofdzaak, het incident en waar dit vonnis over gaat

In de hoofdzaak vordert [eiser 1] dat de pachtovereenkomst tussen hem als verpachter en [gedaagde 1] als pachter met betrekking tot het perceel landbouwgrond in [plaats] , thans kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding] en groot 3.15.60 ha, wordt ontbonden. Daarnaast vordert [eiser 1] dat [gedaagde 1] dat perceel ontruimt binnen acht dagen na het vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 750,00 per dag dat [gedaagde 1] dat niet doet. De reden hiervoor is kort gezegd dat volgens [eiser 1] door [gedaagde 1] geen sprake meer is van een bedrijfsmatige agrarische exploitatie, zoals is vereist in artikel 7:312 BW en zoals volgt uit de rechtspraak. Daardoor is [gedaagde 1] tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als pachter en is ontbinding van de pachtovereenkomst gerechtvaardigd (artikel 7:376 lid 1 BW).

[gedaagde 1] is het om verschillende redenen niet eens met de vordering van [eiser 1] . De hoofdreden is dat [eiser 1] al geruime tijd ervan op de hoogte is dat het gepachte al een aantal jaren wordt geëxploiteerd door de zonen van [gedaagde 1] , en dat zij het gebruik van het gepachte als goed pachter kunnen en willen voortzetten. Daarom vraagt [gedaagde 1] de vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst af te wijzen. Verder heeft [gedaagde 1] een tegeneis (eis in reconventie) ingesteld. De tegeneis ziet erop dat zonen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de plaats van [gedaagde 1] worden gesteld als pachter in de met [eiser 1] bestaande pachtovereenkomst van het perceel waarop de vordering van [eiser 1] betrekking heeft (artikel 7:363 BW). [gedaagde 2] en [gedaagde 3] exploiteren een akkerbouwbedrijf ( [naam bedrijf gedaagde 2 en 3] , gelegen aan de [adres] in [plaats] ) met een traditioneel teeltplan dat voornamelijk bestaat uit mais, tarwe en aardappelen. Het teeltareaal is 16.5 ha grond en het merendeel daarvan wordt gepacht van twee partijen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben de ambitie om het bedrijf verder te laten groeien en daarvoor is het gepachte van essentieel belang. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bieden voldoende waarborgen voor de bedrijfsvoering.

Bij incidentele conclusie vorderen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zich te mogen voegen in de procedure (hoofdzaak) tussen [eiser 1] en [gedaagde 1] aan de zijde van hun vader [gedaagde 1] , omdat het vaste rechtspraak is dat degene ten behoeve van wie indeplaatsstelling wordt gevraagd zij in de procedure dienen te worden betrokken.

[eiser 1] verzet zich tegen de gevorderde voeging, en hij heeft een nadere reactie in de hoofdzaak ingediend. Volgens [eiser 1] kan voeging op dit moment niet aan de orde zijn, omdat er eerst een onherroepelijke uitspraak in de ontbindingsprocedure moet komen en de door [gedaagde 1] ingestelde tegenvordering tardief (te laat) is ingesteld.

In dit vonnis beoordeelt de pachtkamer alleen de incidentele vordering tot voeging van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , en wordt bepaald hoe de hoofdzaak procedureel verder zal verlopen. Een inhoudelijke beoordeling van de door [eiser 1] en [gedaagde 1] in de hoofdzaak ingestelde vorderingen is in dit stadium van de procedure nog niet aan de orde, omdat op grond van artikel 209 Rv eerst en vooraf moet worden beslist op het door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] opgeworpen incident tot voeging (artikel 217 Rv). Dat laatste brengt overigens mee dat de pachtkamer op dit moment geen kennis neemt van het door [eiser 1] op 31 oktober 2024 ingediende processtuk voor zover dat betrekking heeft op de conclusie van repliek in conventie. [gedaagde 1] heeft daartegen terecht bezwaar gemaakt, omdat het [eiser 1] niet was toegestaan deze proceshandeling te verrichten en hij daarmee als het ware ongevraagd op de zaken vooruit heeft gelopen.

3. De beoordeling

De beslissing in het incident tot voeging en het verdere verloop van de hoofdzaak

De pachtkamer staat de gevorderde voeging toe en bepaalt dat in de hoofdzaak een mondelinge behandeling (zitting) zal worden gehouden. Hierna wordt om te beginnen uitgelegd hoe de pachtkamer tot het oordeel in het voegingsincident is gekomen. Daarna komt het verdere verloop van de hoofdzaak aan bod.

De maatstaf in het incident tot voeging

Op basis van artikel 217 Rv kan iedereen die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangige procedure vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een belang bij voeging is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert. Indien aan het vereiste van artikel 217 Rv is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens artikel 218 Rv op tijd is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar. Aan de toewijsbaarheid kunnen echter de eisen van een goede procesorde in de weg staan. Afwijzing van een incidentele vordering tot voeging wegens strijd met de goede procesorde is onder meer mogelijk indien toewijzing tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zou leiden (artikel 20 Rv).

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben de vordering tot voeging op tijd en op de juiste wijze ingesteld

Op grond van artikel 218 Rv is de bevoegdheid van een partij om zich te voegen beperkt tot uiterlijk de roldatum waarop de laatste conclusie in de hoofdzaak wordt genomen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben de incidentele vordering tot voeging tegelijkertijd ingesteld met de door [gedaagde 1] in de hoofdzaak genomen conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie. Dat is dus op tijd. Ook hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan de overige in de wet gestelde eisen voldaan (artikel 219 Rv).

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] mogen zich voegen in de hoofdzaak

De pachtkamer is van oordeel dat de hiervoor bij 3.2 beschreven maatstaf is voldaan. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben duidelijk een belang bij voeging in de hoofdzaak, met name omdat [gedaagde 1] bij wijze van tegeneis heeft verzocht dat zijn zonen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in zijn plaats als pachters worden aangesteld in de pachtovereenkomst met [eiser 1] die in de hoofdzaak centraal staat. In de rechtspraak, waar [gedaagde 2] en [gedaagde 3] terecht op hebben gewezen, wordt dat belang bij indeplaatsstelling ook aangenomen. Daaruit blijkt dat de uitkomst van een pachtgeding waarin een vordering tot medepacht (artikel 7:364 BW) of indeplaatsstelling (artikel 7:363 BW) zoals in deze zaak aan de orde is, niet alleen bepalend is voor de burgerlijke rechten en verplichtingen van de pachter en verpachter, maar ook van de persoon over wiens medepacht of indeplaatsstelling wordt beslist. De voorgestelde medepachter of beoogde in de plaats gestelde dient daarom de gelegenheid te krijgen zijn standpunt ter zake aan de rechter voor te leggen en bij het geding zelf ook partij te zijn. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben kort gezegd aangevoerd dat zij het akkerbouwbedrijf willen uitbreiden en dat daarvoor het gepachte van groot belang is. Ook daaruit blijkt dat hun belang bij voeging in de hoofdzaak evident is.

Omdat de incidentele vordering van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot voeging in het beginstadium van procedure in de hoofdzaak is ingesteld, valt niet te verwachten dat toewijzing van de incidentele vordering een onredelijke of onnodige vertraging van deze procedure in de hoofdzaak tot gevolg heeft. Ook dient, zoals hiervoor bij 2.5 al is vermeld, eerst en vooraf op het incident te worden beslist en hoeft er geen sprake te zijn van een onherroepelijke uitspraak in de hoofdzaak in conventie zoals [eiser 1] in reactie op het opgeworpen incident lijkt te betogen.

De conclusie is dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zich mogen voegen in de hoofdzaak aan de kant van hun vader [gedaagde 1] .

De proceskosten in het incident tot voeging

[eiser 1] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten in het incident veroordeeld. De proceskosten van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden tot vandaag vastgesteld op:

- salaris gemachtigde

135,00

(1 punt × € 135,00)

- nakosten

67,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

202,50

De pachtkamer wil de hoofdzaak met partijen bespreken

De pachtkamer begrijpt “de conclusie van antwoord, tevens incidentele vordering tot voeging, tevens eis in reconventie van 2 oktober 2024” voor zover die ziet op de hoofdzaak zo, dat die zowel de stellingen en verweren van [gedaagde 1] , en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , verwoordt. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoeven daarom niet meer in de gelegenheid te worden gesteld om afzonderlijk in de hoofdzaak op de dagvaarding van [eiser 1] te reageren. Indien [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dit anders zien, moeten zij de rechtbank hiervan zo snel mogelijk op de hoogte stellen.

Gelet op de over en weer ingenomen standpunten, wil de pachtkamer de zaak met alle partijen (dat wil zeggen [eiser 1] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ) bespreken tijdens een zitting. Alle partijen krijgen dan de mogelijkheid om hun kant van het verhaal te vertellen, de pachtkamer kan vragen stellen en onderzocht kan worden of partijen samen tot een oplossing kunnen komen. Tijdens de zitting wordt aan de gemachtigden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.

Bij het plannen van een zitting wil de rechtbank voor zover mogelijk rekening houden met de agenda van partijen. Daarom wordt nu eerst aan partijen gevraagd de rechtbank te laten weten op welke dagen zij in de maanden april 2025 tot en september 2025 echt niet naar een zitting kunnen komen.

Als een partij voor de zitting nog een proceshandeling wil verrichten of andere stukken op wil sturen, moet deze partij ervoor zorgen dat de pachtkamer en de andere partij uiterlijk 10 dagen voor de zitting een kopie van de proceshandeling en/of de stukken hebben ontvangen.

Voor de volledigheid merkt de pachtkamer op dat de door [eiser 1] ingediende conclusie van repliek in conventie geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier.

Tot slot

Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak wordt aangehouden.

4. De beslissing

De pachtkamer:

in het incident tot voeging

staat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] toe om zich in de hoofdzaak aan de kant van [gedaagde 1] te voegen,

veroordeelt [eiser 1] in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] vastgesteld op € 202,50, en te vermeerderen met de eventuele explootkosten van de betekening van het vonnis,

in de hoofdzaak

bepaalt een zitting op een nader vast te stellen datum en tijdstip in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8, 5223 BA ’s-Hertogenbosch,

bepaalt dat alle partijen op de zitting aanwezig moeten zijn,

bepaalt dat partijen uiterlijk op de rol van donderdag 20 februari 2025 per brief of e-mail hun verhinderdagen en de verhinderdagen van hun gemachtigden in de periode van april 2025 tot en met september 2025 kunnen opgeven, waarna dag en tijdstip van de zitting worden bepaald,

bepaalt dat de pachtkamer, indien een partij niet dan wel niet tijdig de verhinderdata opgeeft, de datum en het tijdstip van de zitting zelfstandig vaststelt,

bepaalt dat de datum en het tijdstip van de zitting na vaststelling ervan in beginsel niet meer worden gewijzigd,

wijst partijen er op, dat voor de zitting in beginsel 2 uur zal worden uitgetrokken,

bepaalt dat indien een partij wenst dat pachtkamer bij de beoordeling van de hoofdzaak rekening houdt met bijvoorbeeld nieuwe brieven of andere schriftelijke stukken, dat zij deze stukken uiterlijk 10 dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de pachtkamer en haar wederpartij dient toe te zenden,

houdt verdere iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de pachtkamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, bestaande uit mr. A. de Boer, kantonrechter tevens voorzitter, J.J.F. Berkvens en A.A.A. van Poppel als deskundige leden, en is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. de Boer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?