[verzoekster] uit [vestigingsplaats] (hierna: verzoekster)
(gemachtigde: [naam])
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (hierna: minister).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening, waarmee verzoekster wil voorkomen dat de minister de door een derde op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) gevraagde informatie over haar openbaar zal maken. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
De minister heeft met het besluit van 30 juni 2025 besloten om twee weken daarna informatie over verzoekster openbaar te maken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De minister heeft laten weten dat hij zal wachten met openbaar maken van de informatie tot de voorzieningenrechter een uitspraak op het verzoek heeft gedaan.
In een uitspraak van 22 juli 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:2934) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld over een soortgelijk verzoek om voorlopige voorziening, dat is ingediend door een andere verzoeker, maar ook gericht is tegen hetzelfde besluit van 30 juni 2025. Die voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en bepaald dat de openbaarmaking wordt opgeschort tot twee weken nadat op het bezwaar is beslist.
In een uitspraak van 31 juli 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:5014) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant geoordeeld over een soortgelijk verzoek om voorlopige voorziening, dat is ingediend door een andere verzoeker, maar ook gericht is tegen hetzelfde besluit van 30 juni 2025. Ook die voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en bepaald dat openbaarmaking wordt opgeschort tot twee weken nadat op het bezwaar is beslist. Uit die uitspraak volgt dat de minister de griffier telefonisch heeft bericht dat de minister niet wil wachten met openbaarmaking tot op alle bezwaren is beslist.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat met de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland het besluit van 30 juni 2025 al is opgeschort en dat openbaarmaking daarom pas zou kunnen plaatsvinden twee weken nadat op het bezwaar van de verzoeker tegen dat besluit is beslist.
3. In navolging van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland oordeelt de voorzieningenrechter dat afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zou betekenen dat openbaarmaking al plaatsvindt voordat de minister op het bezwaar van verzoekster heeft beslist. Daarmee zou de bezwaarprocedure zinledig worden. Dit vormt voldoende aanleiding om het verzoek toe te wijzen.
Conclusie en gevolgen
4. Gelet op wat hiervoor is overwogen, wordt het verzoek toegewezen.
5. Omdat er nog geen griffierecht is geheven van verzoekster, hoeft de minister dat ook niet te vergoeden. Wel krijgt verzoekster een vergoeding voor haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 907,– (1 punt met een waarde per punt van € 907,–) omdat verzoeksters gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
bepaalt dat de openbaarmaking wordt opgeschort tot twee weken nadat op het bezwaar van verzoekster is beslist;
veroordeelt de minister tot het betalen van € 907,– aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: