2. Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechters daarop
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de ontnemingszaak met het parketnummer
82.19826 1.22.
Namens verzoeker heeft de verdediging blijkens het proces-verbaal en zoals nader toegelicht
bij de mondelinge behandeling in de kern het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd.
Er is schijn van partijdigheid vanwege het feit dat de rechters in het vonnis in de hoofdzaak hebben
geoordeeld dat sprake is van voor verbeurdverklaring vatbare voorwerpen die door een strafbaar feit
zijn verkregen en nu dezelfde vraag aan de orde is in de ontnemingsprocedure.
De rechters hebben in hun gezamenlijke schriftelijke reactie aangegeven niet in de wraking te
berusten en de grondslag voor de wraking te bestrijden. (aangehecht)
3. De beoordeling
Op grond van artikel 512 Sv kan een rechter gewraakt worden als zich feiten of omstandigheden
voordoen, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als
de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief
gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn,
omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch
schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere feiten of omstandigheden die een
zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn
van) partijdigheid.
De wrakingskamer is van oordeel dat in deze geen sprake is van bijzondere feiten of
omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Het enkele feit dat de rechters in het onderliggende strafvonnis hebben geoordeeld dat
verbeurdverklaring aan de orde is. omdat sprake is van door een strafbaar feit verkregen
voorwerpen, brengt niet mee dat sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid in de
ontnemingsprocedure. Immers, in die ontnemingsprocedure staat in de kern een andere vraag
centraal, namelijk of sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel van verzoeker.
De wrakingskamer acht in de geschetste gang van zaken dan ook geen grond gelegen voor de
conclusie dat de rechters een (objectiveerbare dan wel subjectieve) schijn van partijdigheid
hebben gewekt.
De conclusie van het voorgaande is dan ook dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking zal
afwijzen.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking van de rechters mr. H. Slaar en mr. R. van den Munckhof af.
Deze beslissing is gegeven door mr. EM. Vermeulen, voorzitter, mr. H.M. Hettinga en mr. S.A.E.M.
Rampaart. leden, in tegenwoordigheid van de griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari
2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.