RECHTBANK Oost-Brabant
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 25/030
Beslissing van 25 november 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van
[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.R.A. de Werd,
hierna te noemen: de rechter.
De procedure
In de zaak met procedurenummer C/01/419950 JE RK 25-1382 is verzoeker partij. In deze zaak gaat het om een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om de minderjarige zoon van verzoeker voorlopig onder toezicht te stellen en gedurende deze periode een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verlenen.
De rechter heeft met de beschikking van 13 oktober 2025 beslist op het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Verzoeker heeft op 21 oktober 2025 zijn wrakingsverzoek ingediend.
Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift aan het niet eens te zijn met de gang van zaken rond de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn minderjarig kind. Daarnaast voert verzoeker aan dat sprake is van een oneerlijke behandeling waardoor hij wordt achtergesteld.
Op 29 oktober 2025 heeft de rechter gereageerd op het wrakingsverzoek. Uit deze reactie blijkt dat de rechter niet berust in het wrakingsverzoek.
De beoordeling van het wrakingsverzoek
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek moet voorop staan dat een rechter door zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter tegenover een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting aanstonds niet-ontvankelijk verklaren indien het wrakingsverzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer merkt in dit verband op dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, als de behandeling van de zaak is geƫindigd doordat einduitspraak is gedaan, wraking te verzoeken van de rechter die deze uitspraak heeft gedaan.
De rechter heeft de beslissing mondeling gegeven op 13 oktober 2025, terwijl verzoeker zijn wrakingsverzoek op 21 oktober 2025 heeft ingediend. Het verzoek is dus gedaan nadat de rechter uitspraak heeft gedaan. Om die reden kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. S.J.W. Hermans en
mr. N. Flikkenschild, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).