RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01-162378-25, 01-014533-25, 01-073597-23 en 01-339503-23
(ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 3 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,
ingeschreven en gedetineerd te P.I. Grave, Muntlaan 1.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 september 2025 en 19 november 2025.
Op de zitting van 19 november 2025 heeft de rechtbank de tegen de verdachte onder de hiervoor genoemde parketnummers aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 8 augustus 2025 en 23 oktober 2025.
Nadat de tenlastelegging met parketnummer (01-162378-25) op de terechtzitting van 19 november 2025 is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
t.a.v. 01-162378-25 (hierna dagvaarding I)
Feit 1:
hij op of omstreeks 31 oktober 2024 te Helvoirt, gemeente Vught ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/ uit een woning ( [adres 1] ) geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, - ramen (aan de achterzijde van de keuken), - (de deurkruk van) de tuindeur, - een raam (van de slaapkamer boven de erker) heeft geforceerd en/of de woning is binnengegaan en/of de woning heeft doorzocht en/ of lades heeft opengetrokken en/ of lades heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2:
hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Oud Gastel, gemeente Halderberge ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/ uit een woning ( [adres 2] ) geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, - een raam heeft geforceerd en/of - door dat raam en/of de kelderdeur de woning is ingeklommen en/of binnengegaan en/of - de woning heeft doorzocht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3:
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Eersel, een fiets (Giant Damesfiets, kleuren zilver en blauw), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
Feit 4:
hij in of omstreeks de periode van 4 november 2024 tot en met 15 mei 2025 te - Casteren, gemeente Bladel [zaaknummer [nummer 1] ], - Hansweert, gemeente Reimerswaal [schoenspoor zaak 1, zaaknummers [nummer 2] en [nummer 3] ], - Veldhoven [schoenspoor zaak 2, zaaknummer [nummer 4] ], - Hulsel, gemeente Reusel-De Mierden [schoenspoor zaak 3, zaaknummer [nummer 5] ] en/of - Knegsel, gemeente Eersel [schoenspoor zaak 4, zaaknummer [nummer 6] ], althans in Nederland in/ uit een woning ( [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] , [adres 6] en/of [adres 7] ) - contant geld, sieraden en een zonnebril, - VVV-bonnen (ter waarde van ongeveer 250 euro), - een portemonnee met inhoud (Rabobank bankpas, identiteitsbewijs, rijbewijs en ongeveer 400 euro), - ongeveer 50 euro en/of - een envelop met DE-spaarpunten, een envelop met ongeveer 80 euro, een gouden kettinkje, een gouden trouwring en twee gouden broches, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan - [slachtoffer 4] , - [slachtoffer 5] , - [slachtoffer 6] , - [slachtoffer 7] en/of - [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats(en) van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/ die weg te nemen goederen/ goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
t.a.v. 01-014533-25 (hierna: dagvaarding II)
Feit 1:
hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Eindhoven een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Zoraki, type M906, kaliber 7.65 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of een patroonmagazijn voorhanden heeft gehad;
Feit 2:
hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Eindhoven munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, merk Gustav Genschow & Co en/of Fabrique Nationale de Herstal, kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad;
Feit 3:
hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,78 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 1,19 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 4:
hij op of omstreeks 13 juli 2024 te Eindhoven, een fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
t.a.v. 01-073597-23 (hierna dagvaarding III)
hij op of omstreeks 16 oktober 2022 te Eindhoven - een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, kaliber 7.65 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of - munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, van het kaliber 7.65, voorhanden heeft gehad;
t.a.v. 01-339503-23 (hierna dagvaarding IV)
hij in of omstreeks de periode van 2 september 2023 tot en met 24 september 2023 te Eindhoven opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, - ongeveer 15,31 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of - ongeveer 5,37 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, - ongeveer 2,08 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Voor wat betreft het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie bewezenverklaring gevorderd voor schuldheling en het bij dagvaarding II onder 4 ten laste gelegde feit voor opzetheling.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het bij dagvaarding II onder 3 ten laste gelegde feit (de aanwezigheid van harddrugs) en het bij dagvaarding IV ten laste gelegde (de aanwezigheid van harddrugs). De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit van de bij dagvaarding I onder feit 4 ten laste gelegde woninginbraken in Veldhoven, Hulsel en Knegsel en voor het bij dagvaarding II onder feit 4 ten laste gelegde voor zover dit ziet op de kwalificatie opzetheling. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke standpunten gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen.
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
1 Dagvaarding I
Ten aanzien van feiten 1 en 2 wordt zonder nadere overwegingen verwezen naar de bewijsbijlage.
Feit 3
Op 11 april 2025 wordt de verdachte staande gehouden in Eersel op een blauwe Giant damesfiets, welke van diefstal afkomstig blijkt te zijn.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze fiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De rechtbank constateert dat er geen sleutel in het ringslot van de fiets zat en dat het slot niet was afgesloten. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de fiets - waarvan zichtbaar was dat de sleutel ontbrak - heeft geleend van een vriendin. De verdachte wilde geen naam of telefoonnummer van deze vriendin verstrekken om zijn verklaring te verifiëren.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat de verdachte wist dat de fiets gestolen was. Opzetheling kan daarom niet bewezen worden verklaard.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De rechtbank overweegt dat het feit dat er geen sleutel in de fiets zat, de verdachte tot meer voorzichtigheid had moeten aanzetten. Dit is een opvallend gegeven, aangezien de afwezigheid van een sleutel bij de meeste sloten betekent dat de fiets is afgesloten en er niet mee gereden kan worden. Er lijkt zogezegd iets aan de hand met het slot van de fiets waarop verdachte reed. Uitgaande van de omstandigheden, zoals door de verdachte zelf geschetst, lag het op zijn weg om hier onderzoek naar te doen. Nu de verdachte dit heeft nagelaten, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.
Feit 4
Hansweert
Op 4 november 2024 is door [slachtoffer 5] aangifte gedaan van inbraak in haar woning aan de [adres 4] te Hansweert, waarbij VVV-bonnen (ter waarde van ongeveer 250 euro) zijn weggenomen. De twee ramen in de slaapkamer, die zich bevindt op de begane grond naast de woonkamer, stonden op de kantelkiepstand. Naar aanleiding van de inbraak in de woning, is door de politie sporenonderzoek verricht. Uit dit onderzoek is gebleken dat door het forceren van het raam aan de linkerzijde van de woning, er toegang kon worden verschaft tot de slaapkamer. Vervolgens heeft de dader vermoedelijk de woning verlaten door het keukenraam aan de achterzijde. Op het aanrechtblad worden meerdere schoensporen waargenomen. Op camerabeelden van buurtbewoners is te zien dat een [persoon] , met kenteken [kenteken] zich rondom de woning ophoudt ten tijde van de inbraak. Diezelfde dag, een uur later omstreeks 14:00 uur, wordt de [persoon] gecontroleerd. In het voertuig zat de verdachte als bijrijder.
Veldhoven
Op 4 maart 2025 heeft er een inbraak plaatsgevonden bij de woning aan de [adres 5] te Veldhoven. Hiervan is aangifte gedaan door [slachtoffer 6] . Hij verklaarde dat zijn portemonnee met inhoud (Rabobank bankpas, identiteitsbewijs, rijbewijs en ongeveer 400 euro contant geld) is weggenomen. Aangever [slachtoffer 6] zag dat een onbekende manspersoon, met een donkere huidskleur, in het oude kantoor de kluis, die daar in de kast stond, vrij aan het maken was. De man is vertrokken op een rode elektrische fiets. Naar aanleiding van de inbraak in de woning, is door de politie sporenonderzoek verricht. Uit dit onderzoek is gebleken dat het draairaam aan de achtertuin van de woning was geforceerd. Op de vensterbank, het raamkozijn en een wit blaadje – gelegen op de vloer voor de kast – zijn schoensporen aangetroffen.
Hulsel
Op 6 mei 2025 is door [slachtoffer 7] aangifte gedaan van inbraak in haar woning aan de [adres 6] te Hulsel. Zij verklaarde dat het raam van het washok openstond, terwijl deze op kiepstand was gezet. Er bleek 50 euro aan contant geld te zijn weggenomen. Naar aanleiding van de inbraak in de woning, is door de politie sporenonderzoek verricht. Onder het raam op de vensterbank werd een schoenspoor aangetroffen.
Knegsel
Op 8 mei 2025 heeft [slachtoffer 8] aangifte gedaan van inbraak in haar woning aan de [adres 7] te Knegsel, waarbij een envelop met Douwe Egberts-spaarpunten, een envelop met ongeveer 80 euro, een gouden kettinkje, een gouden trouwring en twee gouden broches waren weggenomen. Zij verklaarde het uitzetraampje van haar slaapkamer open te hebben gelaten. Naar aanleiding van de inbraak in de woning, is door de politie sporenonderzoek verricht. Uit dit onderzoek is gebleken dat het ijzer van het uitzetraam van de slaapkamer kapot was, passend bij het met kracht opentrekken van het uitzetraam. Aan de binnenzijde onder het raam werd een schoenspoor op de vensterbank waargenomen.
Casteren
Op 15 mei 2025 is door [slachtoffer 4] aangifte gedaan van inbraak in haar woning aan de [adres 3] te Casteren. Er bleken meerdere sieraden, contant geld en een zonnebril te zijn weggenomen. Door [getuige] is een man op de oprit gezien met een blauwe fiets, zwart haar en een donker getinte huidskleur. Naar aanleiding van de inbraak in de woning, is door de politie sporenonderzoek verricht. Uit onderzoek door de politie is gebleken dat de dader zich toegang tot de woning heeft verschaft door het openbreken van het op kierstand staande bovenlicht behorende bij de keuken, waarna hij door het raam naar binnen is gekomen en de woonruimtes heeft doorzocht. In de woonkamer naast de doorgang naar de keuken zijn door verbalisanten op een zwartkleurige eettafel diverse schoenafdrukken waargenomen.
Modus operandi
De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van de aangevers, alsmede uit de overige bewijsmiddelen (ook met betrekking tot de feiten 1 en 2 op deze tenlastelegging) volgt dat er sprake is van een vergelijkbare modus operandi. Deze houdt in dat uit de vrijstaande woningen goederen zijn weggenomen (of geprobeerd weg te nemen), waarbij telkens op klaarlichte dag een kiep/uitzetraam op de benedenverdieping is geforceerd en de dader via dit raam de woning is ingeklommen en de woning heeft doorzocht. Vier van de vijf inbraken vonden plaats in de periode van maart-mei 2025, en in dezelfde regio, ten zuidwesten van Eindhoven. Bij meerdere inbraken wordt een man waargenomen met een donkere huidskleur. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een specifieke en gelijksoortige modus operandi.
Betrokkenheid verdachte
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte de dader is.
De raadsman heeft bepleit dat niet bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de woninginbraken in Veldhoven, Hulsel en Knegsel, nu aangever [slachtoffer 6] de verdachte niet heeft herkend tijdens een meervoudige fotobewijsconfrontatie op 14 mei 2025 en niet kan worden vastgesteld dat de aangetroffen schoensporen daadwerkelijk zijn veroorzaakt met de schoen van de verdachte waardoor niet aan het bewijsminimum wordt voldaan.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Tijdens een doorzoeking van de woning van de verdachte zijn zwarte Adidas schoenen in beslag genomen, die de verdachte droeg toen hij door de politie is gecontroleerd (op 4 november 2024 en 11 april 2025). Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen enerzijds de aangetroffen schoenafdruksporen bij de woninginbraken en anderzijds de zolen van de schoenen van de verdachte, is gebleken dat de schoensporen zijn veroorzaakt (Casteren), waarschijnlijk zijn veroorzaakt (Hansweert en Veldhoven) en mogelijk zijn veroorzaakt met de schoen van de verdachte (Knegsel en Hulsel). In de vakbijlage ‘Vergelijkend schoensporenonderzoek’ is toegelicht dat bij het formuleren van conclusies op de vraag of een schoenspoor met een bepaalde schoen is veroorzaakt termen worden gebruikt zoals: is veroorzaakt, zeer waarschijnlijk, waarschijnlijk en mogelijk. De conclusies dat een schoenspoor mogelijk, waarschijnlijk of zeer waarschijnlijk is veroorzaakt met de onderzochte schoen, geven aan dat de onderzoeker de kans dat een andere schoen het schoenspoor heeft veroorzaakt steeds in stappen kleiner acht, maar de algemene kenmerken komen overeen en de karakteristieke en/of slijtage overeenkomsten zijn in toenemende mate aanwezig.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de schoensporen zijn veroorzaakt met de schoen van de verdachte. Dit sluit ook aan bij de constatering van de rechtbank dat sprake is van een zelfde modus operandi met betrekking tot alle woninginbraken.
Conclusie
Gelet op het voorgaande – in samenhang bezien met de gebezigde bewijsmiddelen – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde woninginbraken. De omstandigheid dat aangever [slachtoffer 6] de verdachte niet heeft herkend bij een fotoconfrontatie, doet daar niet aan af.
2 Dagvaarding II
Ten aanzien van feiten 1 en 2 wordt zonder nadere overwegingen verwezen naar de bewijsbijlage.
Feit 3
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de politie heeft waargenomen dat de verdachte op 13 juli 2024 fietste op een elektrische (lok)fiets van het merk Gazelle. Tijdens een daaropvolgende achtervolging, waarbij de verdachte de politieauto ontweek en passeerde, werd door de verbalisanten gezien dat de verdachte ter hoogte van de [adres 8] in Eindhoven, dan wel de kruising van de Hoogstraat met de Baarsstraat, een donker voorwerp weggooide, waarna het voorwerp ter hoogte van aldaar gestalde fietsen terecht kwam. Ter hoogte van die plek – tussen geparkeerde fietsen – is een zwarte sok aangetroffen die nog droog was, terwijl het wegdek nat was, met daarin meerdere zakjes met verdovende middelen. Eveneens zijn bij de aanhouding van de verdachte enkele gripzakjes met daarin verdovende middelen aangetroffen. Uit onderzoek naar de verdovende middelen blijkt dat het ging om 2,78 gram heroïne en 1,19 gram cocaïne.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen verdovende middelen heeft weggegooid ter hoogte van de [adres 8] , maar een sigaret. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de sok pas voorbij de kruising met de Baarsstraat is aangetroffen, terwijl er is geverbaliseerd dat de verdachte een donker voorwerp weggooide ter hoogte van de [adres 8] . Daar komt bij dat er geen DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden en het – vóór het aantreffen van de sok – nog diverse uren droog is geweest, wat het droog zijn van de aangetroffen sok kan verklaren.
Het door de verdediging aangedragen scenario dat de verdovende middelen niet door de verdachte zijn weggegooid, acht de rechtbank op grond van voornoemde feiten en omstandigheden – in samenhang met de overige inhoud van de bewijsmiddelen – niet aannemelijk. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Feit 4
Op 13 juli 2024 is – zoals reeds overwogen in r.o. 2.1 – de verdachte na een achtervolging, aangetroffen op een gestolen (lok)fiets. De fiets was voorzien van een ringslot, maar er zat geen fietssleutel meer in het slot. Ook ontbrak het ijzer van het slot en stond de greep van het fietsslot naar beneden.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze fiets wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte onder de hiervoor omschreven omstandigheden ten tijde van het voorhanden krijgen van deze fiets moet hebben geweten dat deze fiets van diefstal afkomstig was. De rechtbank acht daarom opzetheling bewezen.
3 Dagvaarding III
Ten aanzien van het ten laste gelegde feit wordt zonder nadere overwegingen verwezen naar de bewijsbijlage.
4 Dagvaarding IV
Op 23 september 2023 reden [verbalisanten 1 en 2] de Bergstraat in Eindhoven in. Ter hoogte van restaurant Mood stond een bestelbus geparkeerd. Zij zagen dat zich achter deze bus twee personen bevonden. Een persoon, naar later bleek: de verdachte, probeerde zich dicht achter de bus te plaatsen. De verbalisanten hadden de indruk dat de verdachte zich aan het zicht wilde onttrekken. Op het moment dat zij naast de bestelbus tot stilstand kwamen, liep de verdachte met versnelde pas van achter de bestelbus in de richting van de Kleine Berg. De verdachte is vervolgens staande gehouden. Op grond van de Wet wapens en munitie werd een onderzoek uitgevoerd aan de kleding van de verdachte waarna 15,31 gram cocaïne en 5,37 gram heroïne in een dubbele stoflaag in de onderbroek van de verdachte werden aangetroffen. In het kader van het onderzoek is de telefoon van de verdachte, een Samsung, type SM-A135F, in beslag genomen en onderzocht.
On)rechtmatige staandehouding
De raadsman heeft bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de vorm van een onrechtmatige staandehouding, waardoor het daarbij aangetroffen bewijsmateriaal van het bewijs dient te worden uitgesloten. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er geen aanwijzingen waren voor een verdenking van een strafbaar feit.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering iedere opsporingsambtenaar bevoegd is een verdachte staande te houden en naar zijn identiteit te vragen. Uit artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat hierbij als verdachte kan worden aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Of de opsporingsambtenaar een dergelijk “redelijk vermoeden” mocht koesteren, behoort, blijkens vaste jurisprudentie, door de zittingsrechter slechts marginaal te worden getoetst.
Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen in de onderhavige zaak ten grondslag heeft gelegen aan het staande houden van de verdachte die marginale toets doorstaan. Het is de verbalisanten ambtshalve bekend dat in de Bergstraat veel drugsdealers actief zijn van Antilliaanse afkomst. Daarnaast gedroeg de verdachte zich verdacht door zich achter een bestelbus te verschuilen, en vervolgens als de politie naast de bestelbus tot stilstand komt met versnelde pas een andere kant op te lopen. Voornoemde omstandigheden gaven aanleiding tot staandehouding. De rechtbank verwerpt het verweer en acht de staandehouding van de verdachte rechtmatig.
Onderzoek aan de telefoon (CG/Landeck)
De raadsman heeft voorts betoogd dat er sprake is van een vormverzuim, nu zonder toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is verricht aan de telefoon van de verdachte, waarvoor bewijsuitsluiting dient te volgen. De raadsman heeft verwezen naar het
Landeck-arrest van het Hof van Justitie en de uitspraken van de Hoge Raad van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:409) en 9 september 2025 (ECLI:NLHR:2025:1247), waaraan kort gezegd de conclusie wordt verbonden dat, indien een meer dan beperkte inbreuk is te voorzien op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, de rechter-commissaris moet beslissen over de vraag of onderzoek aan een telefoon mag worden uitgevoerd.
De rechtbank overweegt dat het Landeck-arrest nog niet was gewezen ten tijde van het onderzoek aan de telefoon. Echter gaat het arrest niet om nieuw recht, maar om uitleg van reeds bestaand recht, waardoor het recht onverminderd van toepassing was.
Bij het onderzoek aan de telefoon van de verdachte viel naar het oordeel van de rechtbank een meer dan beperkte inbreuk te voorzien op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Gelet op het vorenstaande was de toestemming van de officier van justitie niet toereikend en was toestemming vereist van de rechter-commissaris, voordat dit onderzoek mocht worden uitgevoerd. De rechtbank is overeenkomstig het standpunt van de raadsman dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van een vormverzuim.
In het kader van de beoordeling van de vraag of de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van genoemd vormverzuim, overweegt de rechtbank dat een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als zodanig onder omstandigheden een voldoende concreet nadeel kan opleveren. In beginsel is hiervan in het onderhavige geval sprake. De rechtbank neemt echter in aanmerking dat de verdenking tegen verdachte een onderzoek aan de telefoon rechtvaardigde. Indien de machtiging van de rechter-commissaris (op juiste wijze) zou zijn aangevraagd, zou deze naar alle waarschijnlijkheid zijn verkregen. De verdachte is om die reden door het vormverzuim niet in een nadeliger positie geraakt ten opzichte van de situatie dat dit verzuim niet zou zijn begaan. Daarom komt de rechtbank tot het oordeel dat bewijsuitsluiting geen gerechtvaardigd rechtsgevolg van het vormverzuim is, zodat de rechtbank volstaat met de constatering van het vormverzuim.
De beoordeling van het feit
Naar aanleiding van een analyse van de Samsung, type SM-A135F, is een chatgesprek van 2 september 2023 naar voren gekomen waarin, gedurende de tenlastegelegde periode, tussen de verdachte en een tegencontact wordt gesproken over verdovende middelen. Uit dit gesprek volgt dat afnemer de verdachte contacteert voor de aankoop van verdovende middelen. Er is een bericht gestuurd met daarin: ‘1,5 g white cooke en 2 brown pack’, waarna de verdachte een emoticon stuurt van een duimpje. De politie heeft duiding gegeven aan de genoemde termen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank volgt die uitleg van de politie, waardoor zij constateert dat met ‘cooke’, cocaïne wordt bedoeld. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat in de context van de handel in verdovende middelen met ‘brown’ of ‘bruin’ meestal heroïne wordt bedoeld.
Gelet op het voorgaande – in samenhang bezien met het aantreffen van de verdovende middelen op 23 september 2023, de hoeveelheid daarvan en het aantreffen daarvan in een onderbroek met een dubbele stoflaag – is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne en heroïne.
Partiële vrijspraak
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding IV ten laste gelegde heeft begaan voor zover dat betrekking heeft op amfetamine. De rechtbank heeft geconstateerd dat uit het NFI-rapport van 18 oktober 2023 volgt dat er positief is getest op MDMA, maar niet op amfetamine. Gezien het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet het bewijs bevatten voor handel in amfetamine, zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte:
Dagvaarding I
Feit 1:
op 31 oktober 2024 te Helvoirt, gemeente Vught, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning ( [adres 1] ) geld en/of goederen dat/die aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en inklimming,
- ramen (aan de achterzijde van de keuken),- (de deurkruk van) de tuindeur,- een raam (van de slaapkamer boven de erker)
heeft geforceerd en de woning is binnengegaan, de woning heeft doorzocht en lades heeft opengetrokken en doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2:
op 8 juli 2024 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning ( [adres 2] ) geld en/of goederen dat/die aan [slachtoffer 3] toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en inklimming,- een raam heeft geforceerd en - door dat raam de woning is ingeklommen en binnengegaan en - de woning heeft doorzocht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3:
op 11 april 2025 te Eersel, een fiets (Giant Damesfiets, kleuren zilver en blauw) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
Feit 4:
in de periode van 4 november 2024 tot en met 15 mei 2025 te- Casteren, gemeente Bladel [zaaknummer [nummer 1] ],- Hansweert, gemeente Reimerswaal [schoenspoor zaak 1, zaaknummers [nummer 2] en [nummer 3] ],- Veldhoven [schoenspoor zaak 2, zaaknummer [nummer 4] ],- Hulsel, gemeente Reusel-De Mierden [schoenspoor zaak 3, zaaknummer [nummer 5] ] en - Knegsel, gemeente Eersel [schoenspoor zaak 4, zaaknummer [nummer 6] ],
in/uit een woning ( [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] )- contant geld, sieraden en een zonnebril,- VVV-bonnen (ter waarde van ongeveer 250 euro),- een portemonnee met inhoud (Rabobank bankpas, identiteitsbewijs, rijbewijs en ongeveer 400 euro),- ongeveer 50 euro en - een envelop met DE-spaarpunten, een envelop met ongeveer 80 euro, een gouden kettinkje, een gouden trouwring en twee gouden broches
die aan- [slachtoffer 4] ,- [slachtoffer 5] ,- [slachtoffer 6] ,- [slachtoffer 7] of - [slachtoffer 8] ,toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaatsen van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;
Dagvaarding II
Feit 1:
op 13 juli 2024 te Eindhoven een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Zoraki, type M906, kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad;
Feit 2:
op 13 juli 2024 te Eindhoven munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, merk Gustav Genschow & Co en Fabrique Nationale de Herstal, kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad;
Feit 3:
op 13 juli 2024 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad 2,78 gram, van een materiaal bevattende heroïne en 1,19 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 4:
op 13 juli 2024 te Eindhoven een fiets voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
Dagvaarding III
op 16 oktober 2022 te Eindhoven- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, kaliber 7.65 mm en- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, van het kaliber 7.65,
voorhanden heeft gehad;
Dagvaarding IV
in de periode van 2 september 2023 tot en met 23 september 2023 te Eindhoven opzettelijk heeft verkocht, vervoerd en aanwezig heeft gehad,- 15,31 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en- 5,37 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,zijnde cocaïne en heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
De strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en maatregel
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de duur van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij strafoplegging rekening te houden met de tijd die reeds in voorlopige hechtenis is doorgebracht, de toepasbaarheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, de overschrijding van de redelijke termijn (bij dagvaardingen III en IV) en de eendaadse samenloop van feit 1 en feit 2 bij dagvaarding II.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (tweemaal) heling van fietsen, (vijftal) woningbraken en (twee) pogingen tot woninginbraken. De verdachte heeft door aldus te handelen er niet alleen blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van betrokkenen, maar heeft daarnaast (voor de betrokkenen) ook overlast en financiële schade veroorzaakt. Dit komt ook tot uitdrukking in wat door benadeelde partij [benadeelde partij] op de zitting naar voren is gebracht. Daar komt bij dat woninginbraken een inbreuk maken op de privacy van de bewoners en hun gevoel van veiligheid. Het is voor hen bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. De verdachte heeft zich van die gevolgen van zijn handelingen kennelijk niets aangetrokken en slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.
De verdachte heeft zich verder eveneens bij herhaling (tweemaal) schuldig gemaakt aan opiumfeiten en aan (drie) feiten betreffende het voorhanden hebben van een vuurwapen of munitie. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij door het plegen van deze feiten een bijdrage heeft geleverd aan de instandhouding van de reeds bestaande (gevoelens van) onveiligheid als gevolg van de aanwezigheid van (vuur)wapens in de maatschappij, alsook aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land.
Al met al is het een giftige cocktail aan strafbare feiten, die grote impact hebben op de slachtoffers en de maatschappij.
Samenloop
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het voorhanden hebben van een vuurwapen (dagvaarding II, feit 1) en het voorhanden hebben van munitie (dagvaarding II, feit 2) sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, omdat de betreffende munitie zich in het vuurwapen bevond. Dit geldt ook voor het feit op dagvaarding III. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 oktober 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een wapenfeit, opiumfeit en een vermogensfeit. Deze veroordelingen hebben hem niet weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee.
Strafoplegging
Als uitgangspunt bij de beslissing over de strafsoort en hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten gaan voor een voltooide woninginbraak uit van een gevangenisstraf van 3 maanden (en 5 maanden bij recidive), voor het voorhanden hebben van een vuurwapen (categorie III, in een openbare ruimte) een gevangenisstraf van 8 maanden en het dealen van een gebruikershoeveelheid harddrugs op straat (gedurende minder dan een maand) een gevangenisstraf van 3 maanden. Voor wat betreft het aanwezig hebben van verdovende middelen en munitie bij onderhavige hoeveelheden gaan de oriëntatiepunten uit van een geldboete. Voor heling zijn geen oriëntatiepunten vastgesteld.
De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat sprake is van een delictpatroon, waarin de verdachte zich in een hoge frequentie voor een langere periode schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De verdachte is niet op zitting verschenen, en heeft in zoverre ook geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
De rechtbank houdt er in strafverminderende zin rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, nu de verdachte reeds is veroordeeld voor strafbare feiten die zijn gepleegd na de in deze zaak ten laste gelegde feiten. Daarnaast is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, omdat de zaken met parketnummers 01-073597-23 (dagvaarding III) en 01-339503-23 (dagvaarding IV) niet binnen twee jaar na aanvang zijn afgedaan, terwijl er geen bijzondere omstandigheden waren die deze vertraging rechtvaardigen. De rechtbank acht het dan ook op zijn plaats dat de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot matiging van de straf.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsstraf de enige passende straf is. Evenals de officier van justitie kwalificeert de rechtbank de bewezenverklaarde handelwijze van de verdachte als ernstig. Toch komt de rechtbank tot een andere strafoplegging dan de officier van justitie heeft geëist, nu de rechtbank oordeel is dat een gevangenisstraf van na te melden duur de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 250,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, te weten het betaalde eigen risico van de verzekering.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de vordering ter zitting is ingediend waardoor de raadsman de vordering niet heeft kunnen bespreken met de verdachte. Gelet hierop zou volgens de raadsman toewijzing in strijd zijn met artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de vordering niet is onderbouwd. Meer subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Beroep op artikel 6, eerste lid, van het EVRM
Op 19 november 2025 heeft de benadeelde partij ter zitting de vordering ingediend en toegelicht. De rechtbank stelt vast dat de vordering tijdig is ingediend. Verder weegt zij mee dat de verdediging op de hoogte was van de materiële schade die de benadeelde partij had geleden, zodat redelijkerwijs was te verwachten dat er een vordering zou worden ingediend. Daarnaast is de vordering naar aard en omvang relatief eenvoudig, gezien deze uitsluitend bestaat uit de vergoeding van de eigen bijdrage aan de verzekering. Bovendien heeft de rechtbank de vordering ter terechtzitting besproken, en de verdediging voldoende gelegenheid heeft geboden om de standpunten met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering naar voren te brengen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit. Hoewel de benadeelde partij geen onderbouwende stukken heeft overgelegd van de exacte hoogte van het eigen risico, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de aard van de schade en de gangbare vergoedingen voor dit type schade, het bedrag van € 250,- als billijk kan worden aangemerkt. De rechtbank acht de vordering dan ook in haar geheel toewijsbaar. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, is de wettelijke rente niet aan de benadeelde partij toewijsbaar omdat deze niet is gevorderd.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de benadeelde partij bevordert. Nu de rechtbank deze maatregel ook ambtshalve kan opleggen, zal de rechtbank deze zoals door de officier van justitie gevorderd vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 443,25-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat (zoals de rechtbank begrijpt) uit reeds vergoede schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite partiële vrijspraak ter zake de tenlastegelegde woninginbraak te Hulsel (dagvaarding I onder feit 4).
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat uit de vordering onvoldoende blijkt of de schade reeds vergoed is. De benadeelde partij was niet aanwezig ter terechtzitting om de vordering toe te lichten.
De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslag
beslaglijst van 13 oktober 2025 (dagvaarding III), onder 4 en 7 genoemde goederen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verbeurdverklaring gevorderd van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
beslaglijst van 28 oktober 2025 (dagvaarding I), onder 5 genoemde goed
1. STK Schoenen;
beslaglijst van 13 oktober 2025 (dagvaarding II), onder 3 en 4 genoemde goederen
1. STK Sok;
4 STK Enveloppe;
1. STK Mes;
1. STK Sok;
beslaglijst van 13 oktober 2025 (dagvaarding IV), onder 1, 2 en 3 genoemde goederen
1. STK Mes;
145,00 EUR Geld Euro;
1. STK GSM.
en onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
beslaglijst van 13 oktober 2025 (dagvaarding II), onder 1, 2, 5, 6, 7 en 8 genoemde goederen
1. STK Pistool;
1. STK Patroonhouder;
1. STK Verdovende Middelen;
3 STK Verdovende Middelen;
1. STK Verdovende Middelen;
1. STK Verdovende Middelen;
beslaglijst van 13 oktober 2025 (dagvaarding III), onder 5, 6 en 8 genoemde goederen
1. STK Pistool;
1. STK Patroonhouder;
6 STK Patroon.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, in het kader van de bepleite vrijspraak, primair het standpunt ingenomen dat de teruggave dient te worden gelast van de op de beslaglijst van 13 oktober 2025 (dagvaarding IV) onder 1, 2 en 3 genoemde goederen, te weten: een mes, 145 euro en een Samsung telefoon. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat teruggave dient te worden gelast van het mes, gezien het goed geen verband houdt met het tenlastegelegde feit. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen goederen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan de verdachte toebehoorden.
Met betrekking tot het mes (dagvaarding IV, onder 1 genoemd goed) overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan handel in verdovende middelen, hetgeen blijkt uit het gebezigde bewijs. In dit kader is ook het mes in beslag genomen, welk voorwerp bij de verdachte in zijn broekzak werd aangetroffen. De rechtbank overweegt dat het mes in dit kader geen doel heeft dan potentieel gebruik als wapen. Gezien het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, kan het mes in de context van de handel in verdovende middelen dienen voor intimidatie of bescherming van de drugsdealers of de transactie zelf. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het mes verbeurd te verklaren, conform het verzoek van de officier van justitie.
De rechtbank is van oordeel dat de overige in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien deze voorwerpen tot het begaan van de feiten zijn bestemd en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
De uitspraak
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde de misdrijven opleveren:
ten aanzien van dagvaarding I (01-162378-25):
Feit 1:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;
Feit 2:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;
Feit 3:
schuldheling;
Feit 4:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd;
ten aanzien van dagvaarding II (01-014533-25)
Feiten 1 en 2:
eendaadse samenloop van:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
Feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 4:
opzetheling;
ten aanzien van dagvaarding III (01-073597-23)
eendaadse samenloop van:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van dagvaarding IV (01-339503-23)
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf en maatregel;
T.a.v. 01-162378-25 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, 01-014533-25 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4,
01-073597-23 feit 1, 01-339503-23 feit 1:
een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart verbeurd van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
01-014533-25: 1 STK Sok;
01-014533-25: 4 STK Enveloppe;
01-073597-23: 1 STK Mes;
01-073597-23: 1 STK Sok;
01-162378-25: 1 STK Schoenen;
01-339503-23: 1 STK Mes;
01-339503-23: 145,00 EUR Geld Euro;
01-339503-23: 1 STK GSM.
verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen goederen, te weten:
01-014533-25: 1 STK Pistool;
01-014533-25: 1 STK Patroonhouder;
01-014533-25: 1 STK Verdovende Middelen;
01-014533-25: 3 STK Verdovende Middelen;
01-014533-25: 1 STK Verdovende Middelen;
01-014533-25: 1 STK Verdovende Middelen;
01-073597-23: 1 STK Pistool;
01-073597-23: 1 STK Patroonhouder;
01-073597-23: 6 STK Patroon.
t.a.v. dagvaarding I (01-162378-25), feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 250,00 euro, bestaande uit materiële schade;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
t.a.v. dagvaarding I (01-162378-25), feit 2:
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 250,00 euro, voormeld bedrag bestaat uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen.
bepaalt dat toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
t.a.v. dagvaarding I (01-162378-25), feit 4:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] :
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. Boersma, voorzitter,
mr. F. van Buchem en mr. E.L. Traag, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,
en is uitgesproken op 3 december 2025.