ECLI:NL:RBOBR:2025:7951

ECLI:NL:RBOBR:2025:7951, Rechtbank Oost-Brabant, 04-09-2025, 11593485 \ CV EXPL 25-1361

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 04-09-2025
Datum publicatie 16-12-2025
Zaaknummer 11593485 \ CV EXPL 25-1361
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Consumentenrecht; Ambtshalve toetsing; Buy now pay later; tussenvonnis; Handelaar wordt in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat aangerekende rente en incassokosten geen deel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker en het krediet onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW valt.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Zaaknummer: 11593485 \ CV EXPL 25-1361

Vonnis van 4 september 2025

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

COEO SECURITISATION LIMITED,

gevestigd te Dublin, Ierland,

eisende partij,

gemachtigde: LAVG,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

niet verschenen.

1. De procedure

Eisende partij heeft gevorderd dat gedaagde partij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan haar een bedrag te betalen met rente en kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven.

Tegen de niet verschenen gedaagde partij is verstek verleend.

Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2. De beoordeling

De kantonrechter is bevoegd van de vordering kennis te nemen en stelt tevens vast dat het Nederlands recht op de procedure van toepassing is.

De vordering van eisende partij ziet op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument, waarbij de consument bij de aankoop heeft gekozen voor de aangeboden mogelijkheid om (een deel van) het aankoopbedrag pas na enige tijd te betalen. Deze uitgestelde betaling wordt ook wel ‘buy now, pay later’ genoemd en is in beginsel een vorm van kredietverstrekking.

Op kredietovereenkomsten tussen een kredietverstrekker die handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf en een consument zijn in beginsel consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. De meeste van die bepalingen staan in titel 2A (artikel 57 en verder) van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het belangrijkste in dit verband zijn de informatieplichten van de artikelen 7:60 en 7:61 BW. Ook in artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) is een belangrijke consumentenbeschermende bepaling opgenomen, namelijk een kredietwaardigheidstoets, waarmee wordt beoogd het risico op terugbetalingsproblemen te beperken.

In artikel 7:58 lid 2 BW zijn enkele uitzonderingen opgenomen van kredietovereenkomsten waarvoor minder consumentenbescherming nodig wordt geacht. Eén van die uitzonderingen is opgenomen onder sub e van dat artikel: een kredietovereenkomst waarbij het krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald en waarvoor slechts onbetekenende kosten kunnen worden aangerekend.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 17 oktober 2024 (C-409/23, ECLI:EU:C:2024:895) op prejudiciële vragen van de Hoge Raad geoordeeld dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van een krediet zonder kosten of een krediet met onbetekenende kosten in de zin van artikel 7:58 lid 2, onder e, BW vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten niet in aanmerking mogen worden genomen, ongeacht of de vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn op grond van de wet of op grond van de overeenkomst en ongeacht of deze – als het gaat om bedongen rente en kosten – hoger zijn dan hetgeen zonder het beding op grond van de wet verschuldigd zou zijn. Vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten moeten daarbij echter wel in aanmerking worden genomen indien de kredietgever, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op anticipeert dat de consument zijn betalingsverplichting niet zal nakomen.

In dit verband verwijst de kantonrechter ook naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 27 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1008). De Hoge Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat bij de beoordeling of zich het hiervoor bedoelde geval voordoet, de rechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren dient te onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten.

De kantonrechter zal eisende partij in de gelegenheid stellen om te onderbouwen dat het door haar verleende krediet valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW en daarbij aan te tonen dat zij voldoet aan de regels om voor deze uitzondering in aanmerking te komen. Eisende partij dient zich in dat verband derhalve concreet en onderbouwd uit te laten over het verdienmodel. De kantonrechter merkt daarbij op dat hij kennis heeft genomen van het rapport “Buy Now, Pay Later, Verkenning van een nieuwe trend” van de AFM uit 2022, in het bijzonder paragraaf 4.5, waaruit volgt dat veel kredietverstrekkers die een achteraf betaalmethode aanbieden een substantieel deel van hun inkomsten genereren uit niet-betalende consumenten. De kredietverstrekker waarvan gedaagde partij in deze zaak gebruik heeft gemaakt, is één van de vijf kredietverstrekkers die door de AFM is onderzocht. Gelet op deze bevindingen van de AFM moet er derhalve ernstig rekening mee worden gehouden dat dit ook (onderdeel van) het verdienmodel van de kredietverstrekker in onderhavige zaak is en dat eisende partij derhalve geen beroep op de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW toekomt.

Eisende partij krijgt de gelegenheid onderbouwd toe te lichten dat dit niet het geval is. De kantonrechter wijst eisende partij in dit kader, gelet op de aard van de gevraagde gegevens, op het bepaalde in artikel 22 lid 2 en 3 en artikel 22a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Mocht eisende partij daarop een beroep willen doen, dan moet zij dit motiveren.

Als de kantonrechter tot het oordeel komt dat de kredietovereenkomst niet is uitgezonderd van het toepassingsgebied van titel 7.2A BW, dan zal de kantonrechter ambtshalve moeten toetsen of de informatieplichten van de artikelen 7:60 en 7:61 BW zijn nageleefd en of de in artikel 4:34 Wft bedoelde kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd. Als daar niet aan is voldaan, of als eisende partij er niet in slaagt aan te tonen dat daaraan is voldaan, zal de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. De kantonrechter zal eisende partij in de gelegenheid stellen om ook op dit punt een toelichting, voor zover mogelijk onderbouwd met bewijsstukken, te geven.

De zaak wordt voor akte uitlating door eisende partij verwezen naar de rol.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 2 oktober 2025 te 9:00 uur, voor het nemen van een akte na tussenvonnis door eisende partij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot, en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?