RECHTBANK OOST-BRABANT
beschikking
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/410068 / FA RK 24-4644
Uitspraak : 15 oktober 2025
Beschikking over gezag en adoptie in de zaak van
[wensouder 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [wensouder 1] ,
en
[wensouder 2] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [wensouder 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de wensouders,
advocaat mr. K.G.A.C. Scheper,
betreffende de minderjarige
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .
Belanghebbenden zijn:
[draagmoeder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de draagmoeder,
en
[draagouder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [draagouder] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de draagouders,
advocaat mr. K.G.A.C. Scheper.
In het kader van zijn wettelijke taak is in de procedure betrokken:
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie [plaats 1] ,
hierna te noemen: de raad.
1. De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen ter griffie op 11 november 2024;
het F9-formulier met producties, ingediend namens verzoekers op 20 november 2025;
de brief van de raad van 28 november 2024;
het F9-formulier met bijlagen, ingediend namens verzoekers op 6 februari 2025;
het raadsrapport van 26 mei 2025;
het F9-formulier met producties, ingediend namens verzoekers op 15 augustus 2025.
Op 7 oktober 2025 heeft de zitting plaatsgevonden. Verschenen zijn de wensouders, de draagouders, [naam 1] en [naam 2] namens de raad.
2. De feiten
De wensouders hebben ruim acht jaar een affectieve relatie met elkaar. Sinds [datum 1] wonen zij samen en op [datum 2] zijn zij met elkaar gehuwd.
De draagouders zijn op [datum 3] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Zij hebben samen een zoon, genaamd [naam 3] , die is geboren in [geboortejaar] .
De wensouders en de draagouders zijn samen een (laagtechnologisch) draagmoederschapstraject aangegaan.
De draagmoeder is op [geboortedatum] bevallen van [minderjarige] . De draagmoeder en [wensouder 1] zijn de genetische ouders van [minderjarige] .
[wensouder 1] heeft [minderjarige] voor de geboorte erkend. De draagmoeder en [wensouder 1] hebben ter gelegenheid van de erkenning verklaard dat het gezag over [minderjarige] alleen door de draagmoeder wordt uitgeoefend.
[minderjarige] wordt sinds zijn geboorte onafgebroken verzorgd en opgevoed door de wensouders.
3. De verzoeken
De wensouders verzoeken, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [wensouder 1] met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten;
II. de adoptie van [minderjarige] door [wensouder 2] uit te spreken, waarbij de adoptie terugwerkt tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] ;
III. te verstaan dat de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en [wensouder 1] in stand blijft;
IV. te verstaan dat de wensouders na het in kracht van gewijsde gaan van de adoptie gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen;
V. in de beschikking te vermelden dat de wensouders kiezen om [minderjarige] de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam] ’ te geven;
VI. de griffier op te dragen een afschrift van de beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de geboorteplaats van [minderjarige] ;
VII. de ambtenaar van de gemeente van de geboorteplaats van [minderjarige] te gelasten een latere vermelding van de rechtelijke beslissing tot adoptie en geslachtsnaamkeuze aan de daarvoor in aanmerking komende akte(n) toe te voegen;
VIII. de griffier op te dragen om van de beschikking aantekening te maken in het gezagsregister betreffende het gezamenlijk gezag van de wensouders.
4. Het advies van de raad
De raad adviseert om het verzoek om [wensouder 1] met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten toe te wijzen.
De raad adviseert om de beslissing op het verzoek tot adoptie aan te houden tot februari 2026, zodat aan de wettelijke verzorgingstermijn van een jaar kan worden voldaan. De raad vindt het van belang dat de bestendigheid van de verzorging en opvoedingssituatie wordt beoordeeld. Tijdens de zitting heeft de raad evenwel aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen toewijzing van het verzoek, omdat inmiddels acht maanden zijn verstreken waarin [minderjarige] door de wensouders wordt verzorgd en opgevoed.
5. De beoordeling
Gezag
De tot het gezag bevoegde vader die het gezag nooit samen met de moeder heeft uitgeoefend, kan de rechtbank vragen om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten dan wel om hem alleen met het gezag over het kind te belasten (artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Een verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten wordt slechts toegewezen als de rechtbank dat in het belang van het kind wenselijk oordeelt (artikel 1:253c lid 3 BW).
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is als [wensouder 1] alleen met het gezag over [minderjarige] wordt belast. De draagmoeder heeft er welbewust voor gekozen om [minderjarige] te dragen om de kinderwens van de wensouders te vervullen. [wensouder 1] is de biologische en juridische vader van [minderjarige] en [minderjarige] wordt vanaf zijn geboorte binnen het gezin van de wensouders verzorgd en opgevoed. Daarbij past niet dat de draagmoeder gezagsbeslissingen over [minderjarige] neemt. De rechtbank zal daarom het gezag van de draagmoeder beëindigen en [wensouder 1] alleen met het gezag over [minderjarige] belasten.
De rechtbank zal de beslissing over het gezag uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat het gezag van [wensouder 1] aanvangt op de dag na die waarop deze beschikking is verzonden (artikel 1:253p BW).
De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2 lid 1 aanhef en onder sub a van het Besluit gezagsregisters de griffier opdragen om aantekening van deze beslissing te doen in het gezagsregister.
Adoptie
Het verzoek strekt tot de adoptie van [minderjarige] door [wensouder 2] , waarbij de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de draagmoeder wordt verbroken en de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en [wensouder 1] blijft bestaan. Het verzoek moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 BW.
Een verzoek door de adoptant die echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder is, kan slechts worden gedaan als die adoptant ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd, dan wel als het kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en de ouder (artikel 1:227 lid 2 BW). De rechtbank stelt vast dat aan de minimale samenlevingstermijn van drie jaar is voldaan. Verzoekers zijn daarom ontvankelijk in hun verzoek.
De rechtbank kan het verzoek tot adoptie toewijzen als de adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is en als vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft (artikel 1:227 lid 3 BW). Daarnaast moet, voor zover hier van belang, aan de volgende voorwaarden worden voldaan (artikel 1:228 BW):
dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is;
dat het kind geen kleinkind van de adoptant is;
dat de adoptant ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;
at geen van de ouders het verzoek tegenspreekt;
(niet van toepassing);
dat de adoptant – in geval van partneradoptie gezamenlijk met de ouder – het kind gedurende ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed;
dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben. Indien evenwel de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen of samen met voornoemde echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel het gezag heeft.
Aan de hierboven onder f genoemde voorwaarde is niet voldaan. De rechtbank ziet echter aanleiding om, zoals door de wensouders is verzocht, aan deze voorwaarde voorbij te gaan. De minimale verzorgingstermijn van één jaar is in de wet opgenomen om de bestendigheid van de verzorging door de adoptiefouder(s) te toetsen. In deze zaak is echter sprake van een bijzonder geval waarbij het afwachten van de termijn geen redelijk doel dient. De wensouders hebben hun kinderwens met behulp van de draagouders in vervulling laten gaan via draagmoederschap. [wensouder 2] is samen met [wensouder 1] al vanaf de zwangerschap intensief betrokken, het is steeds ieders intentie geweest dat [minderjarige] door [wensouder 2] zou worden geadopteerd en [minderjarige] wordt sinds zijn geboorte verzorgd en opgevoed door [wensouder 1] en [wensouder 2] gezamenlijk. De raad heeft tijdens de zitting ook aangegeven dat hij niet langer bezwaar heeft tegen het voorbijgaan aan de termijn omdat er inmiddels al acht maanden sprake is van een bestendige situatie. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het vasthouden aan de minimale verzorgingstermijn in strijd met de artikelen 8 en 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De rechtbank is op grond van het voorgaande ook van oordeel dat de adoptie van [minderjarige] door [wensouder 2] in het kennelijke belang is van [minderjarige] en dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.
Aan de hierboven onder g genoemde voorwaarde is pas voldaan als de beslissing om het gezag van de draagmoeder te beëindigen definitief is. De rechtbank zal de beslissing over het gezag uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar de belanghebbenden hebben dan nog steeds drie maanden de mogelijkheid om tegen die beslissing in hoger beroep te gaan. Na afloop van die drie maanden gaat de beslissing over het gezag in kracht van gewijsde en daarmee is deze definitief. De rechtbank zal de adoptie daarom uitspreken onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot beëindiging van het gezag van de draagmoeder in kracht van gewijsde is gegaan.
Gevolgen van de adoptie
De adoptie heeft haar gevolgen vanaf de dag waarop de adoptie-uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 1:230 lid 1 BW). Dat betekent dat het niet mogelijk is de
adoptie-uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De wensouders verzoeken de adoptie te laten terugwerken tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] . De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, omdat de wet daarvoor geen mogelijkheden biedt. In artikel 1:230 lid 2 BW is bepaald dat de adoptie terugwerkt tot het tijdstip van de geboorte als:
het kind is geboren binnen de relatie van de ouder en de adoptant, en
de adoptie voor de geboorte is verzocht, en
er voor de adoptie geen familierechtelijke betrekkingen waren gevestigd tussen het kind en een andere ouder die door de adoptie zijn verbroken.
Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Met ‘geboren binnen de relatie van de ouder en de adoptant’ heeft de wetgever het oog gehad op de relatie van de moeder en haar vrouwelijke partner. Hoewel de tekst van het artikellid geboorte binnen de relatie van de erkenner en diens partner niet uitsluit, heeft de wetgever de mogelijkheid om de adoptie in die gevallen te laten terugwerken tot de geboorte evenwel uitgesloten door te bepalen dat die niet van toepassing is indien er voor de adoptie nog een andere juridische ouder was. In geval van erkenning is dat altijd de geboortemoeder. Tussen [minderjarige] en de draagmoeder bestaat een familierechtelijke betrekking die door de adoptie zal worden verbroken, zodat het niet mogelijk is de adoptie te laten terugwerken tot het tijdstip van zijn geboorte.
De familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en [wensouder 1] zal na de adoptie blijven bestaan, nu de adoptant de echtgenoot van de ouder is (artikel 1:229 lid 3 BW).
[minderjarige] zal na de adoptie de geslachtsnaam [geslachtsnaam] dragen, nu de wensouders gezamenlijk hebben verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnamen van hen beiden in deze volgorde zal hebben (artikel 1:5 lid 3 BW).
De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2 lid 1 aanhef en onder sub m van het Besluit gezagsregisters de griffier opdragen om, wanneer de adoptie-uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, aantekening daarvan te doen in het gezagsregister. Op grond van artikel 1:251 BW zullen de wensouders na de adoptie vanwege het huwelijk tussen hen automatisch het gezamenlijk gezag hebben.
6. De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het gezag van de draagmoeder over [minderjarige] en belast [wensouder 1] alleen met het gezag over [minderjarige] ;
verklaart de beslissing onder 6.1 uitvoerbaar bij voorraad;
spreekt – onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing onder 6.1 in kracht van gewijsde is gegaan – de adoptie uit van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , door [wensouder 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] ;
verstaat dat de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en [wensouder 1] na de adoptie in stand blijft;
verstaat dat [minderjarige] na de adoptie de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam] ’ zal hebben;
verstaat dat de wensouders na het in kracht van gewijsde gaan van de adoptiebeslissing gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen;
draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – voor zover daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats 2] ;
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats 2] een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen;
draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking te doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin direct aantekening te doen van de beslissing onder 6.1 en om, niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – voor zover daartegen geen hoger beroep is ingesteld – aantekening te doen van de beslissing onder 6.3;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.S. Verstraelen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Schoot als griffier op 15 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.