ECLI:NL:RBOBR:2025:7999

ECLI:NL:RBOBR:2025:7999, Rechtbank Oost-Brabant, 28-10-2025, 419249

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 28-10-2025
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer 419249
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002656

Samenvatting

GI beëindigt voor afloop van de machtiging de uithuisplaatsing van 1-jarig kind (1:265d lid 1 BW). De ouders vragen toch intrekking van de machtiging. Kinderrechter wijst het verzoek van ouders toe; ouders hebben nog belang bij hun verzoek (1:265d lid 4 BW). Wat betekent de beëindiging van de plaatsing voor de lopende machtiging tot uithuisplaatsing? Kan de GI die daarna, binnen drie maanden, nog gebruiken van de machtiging?

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/01/419249 / JE RK 25-1257

Datum uitspraak: 28 oktober 2025

Beschikking van de kinderrechter over intrekking machtiging tot uithuisplaatsing en vaststelling contactregeling

in de zaak van

[vader] ,

en

[moeder] ,

hierna te noemen: de ouders,

wonende op een geheim adres,

advocaat: mr. R.H.P. Feiner,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

hierna te noemen: de raad,

de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

statutair gevestigd in [plaats 1] , locatie [plaats 2] ,

hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 september 2025;

een digitaal bericht van mr. Feiner van 22 september 2025;

een digitaal bericht van mr. Feinter van 13 oktober 2025.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:

mr. Feiner namens de ouders;

[naam 1] namens de GI;

[naam 2] namens de raad.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn de ouders bij de zitting niet verschenen. mr. Feiner heeft daarover tijdens de zitting gezegd dat hij de ouders heeft geadviseerd zich te concentreren op hun thuissituatie nu [minderjarige] op 13 oktober 2025 thuis is geplaatst.

2. De feiten

De ouders zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd. Zij hebben samen het gezag over [minderjarige] .

De moeder heeft nog een zoon uit een eerdere relatie, [minderjarige 2] (2012). De vader heeft [minderjarige 2] erkend. [minderjarige 2] staat onder voogdij en woont niet bij de ouders. Hij heeft wel contact met de ouders.

De vader heeft de [land 1] nationaliteit. De moeder heeft de [land 2] en de [land 3] nationaliteit.

Op 22 juli 2025 is [minderjarige] in het vrijwillig kader, dus zonder een toetsing door en een beslissing van de kinderrechter, in een pleeggezin geplaatst.

Bij beschikking van 25 augustus 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 25 november 2025. Daarnaast is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) voor de duur van vier weken. Die machtiging is bij beschikking van 12 september 2025 verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, dus tot 25 november 2025.

Na de plaatsing op 22 juli 2025 hebben de ouders slechts enkele keren begeleid contact gehad met [minderjarige] .

3. Het verzoek

De ouders verzoeken:

primair: op grond van artikel 1:265d lid 2 onder a. van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1:265d lid 4 BW de uithuisplaatsing te beëindigen;

subsidiair: een contactregeling te bepalen van twee keer per week een dagdeel.

De rechtbank zal, voor zover nodig, onder de beoordeling ingaan op wat de ouders aan hun verzoek ten grondslag leggen en op het standpunt van de GI en de raad.

4. De beoordeling

Rechtsmacht

De moeder heeft de [land 2] en de [land 3] nationaliteit. Omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt aan de [land 1] rechter rechtsmacht toe om over het verzoek te oordelen (artikel 7 Brussel II ter-verordening).

Relatieve bevoegdheid

[minderjarige] verblijft momenteel in het arrondissement Oost-Brabant, zodat deze

rechtbank bevoegd is op het verzoek te beslissen.

Toepasselijk recht

Nu de [land 1] rechter bevoegd is kennis te nemen van het verzoek is

Nederlands recht van toepassing (artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).

Verzoek intrekken machtiging tot uithuisplaatsing

Bij aanvang van de zitting van 14 oktober 2025 is gebleken dat de GI de uithuisplaatsing heeft beëindigd en dat [minderjarige] op 13 oktober 2025, een dag voor de zitting, is teruggeplaatst bij de ouders. Deze terugplaatsing heeft plaatsgevonden in overleg met de raad.

De ouders handhaven hun primaire verzoek, voor zover dit ziet op het bepaalde in artikel 1:265d lid 4 BW. De ouders gaan ervan uit dat het feit dat de GI de uithuisplaatsing heeft beëindigd, niet tot gevolg heeft dat de machtiging tot uithuisplaatsing die de kinderrechter op 12 september 2025 heeft verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling is vervallen. Zij verzoeken de kinderrechter die machtiging tot uithuisplaatsing in te trekken. Het subsidiaire verzoek tot het vaststellen van een contactregeling hebben de ouders ingetrokken.

De kinderrechter is van oordeel dat het primaire verzoek van de ouders tot intrekking van de machtiging tot uithuisplaatsing moet worden toegewezen. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij dat vindt.

Op grond van artikel 1:265d lid 4 BW kan de kinderrechter op verzoek van, voor zover hier van belang, de ouders met gezag de machtiging tot uithuisplaatsing geheel of gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten.

Artikel 1:265d lid 1 BW bepaalt dat de uithuisplaatsing door de GI kan worden beëindigd als deze niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De GI heeft de uithuisplaatsing per 13 oktober 2025 beëindigd. Nu [minderjarige] weer bij de ouders verblijft, hebben de ouders alleen belang bij een intrekking van de machtiging als na de beëindiging van de uithuisplaatsing door de GI de machtiging tot uithuisplaatsing nog voortduurt.

De vraag of en zo ja welke gevolgen een beëindiging van de uithuisplaatsing door de GI heeft voor een lopende machtiging tot uithuisplaatsing, wordt in de wet en de wetsgeschiedenis niet duidelijk beantwoord.

In de conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1972) schrijft Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers hierover onder 3.12:

“Art. 1:265d BW bepaalt niet of en zo ja welke gevolgen de beëindiging van de uithuisplaatsing voor de geldigheid van de machtiging heeft. In de Memorie van Toelichting bij het voormalige art. 1:263 BW staat vermeld dat de gezinsvoogdij-instelling de plaatsing kan beëindigen, ‘ook als de machtiging nog voortduurt’. In de Memorie van Toelichting bij het bij de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen ingevoerde art. 1:265d BW is vermeld ‘dat het bureau jeugdzorg de uithuisplaatsing kan beëindigen voordat de machtiging afloopt’. Geen van beide frases suggereert dat als de gecertificeerde instelling voor het verlopen van de machtiging de uithuisplaatsing beëindigt, tevens de machtiging voor de resterende loopduur komt te vervallen.

De wet bepaalt enkel, in artikel 1:265c lid 3 BW, dat een machtiging vervalt als deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.

In de hiervoor onder 4.10. genoemde conclusie wijst Lückers er onder 3.9. op dat in de toelichting bij het amendement-Dijkstal c.s. bij de wet van 26 april 1995 (Kamerstukken II 1993/94, 23 003, nr. 26, p. 3.), op basis waarvan de tekst van het (toenmalige) artikel (1:262 lid 2 BW) is gewijzigd, staat dat met de gewijzigde formulering van de nu in lid 3 van art. 1:265c BW opgenomen tekst is beoogd duidelijk te maken dat een machtiging vervalt in alle gevallen waarin zij gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.

Dat de machtiging (ook) vervalt als de GI de plaatsing beëindigt blijkt niet uit de kamerstukken.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage overwoog in een uitspraak van 13 september 2006 (ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ1927):

“Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat [minderjarige 2] sinds april 2006 thuis bij de moeder en de stiefvader woont en dat sindsdien geen gebruik is gemaakt van de machtiging tot uithuisplaatsing. Omdat de bestreden machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] derhalve gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd, is deze thans komen te vervallen (artikel 1:262 lid 3 BW), zodat de moeder en de stiefvader geen belang meer hebben bij dit hoger beroep, voor zover dit de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] betreft.

Ditzelfde hof overwoog echter daarna in een uitspraak van 9 juni 2010 onder 6 (ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2277):

“Met de door de minister noodzakelijk geachte rechtsbescherming is, naar het oordeel van het hof, onverenigbaar dat een door Jeugdzorg - overeenkomstig artikel 1:263 BW - beëindigde uithuisplaatsing, binnen drie maanden nadien en binnen de looptijd van de aanvankelijk gegeven machtiging daartoe, zou kunnen herleven zonder tussenkomst van de kinderrechter.”

Het hof oordeelt in die uitspraak vervolgens dat gelet op het wettelijk systeem met de beëindiging van de plaatsing, de machtiging tot uithuisplaatsing is vervallen.

In een meer recente uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 november 2024 (ECLI:NL:RBZWB:2024:7928) overweegt de kinderrechter onder 5.5:

“De kinderrechter constateert dat de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend tot 15 november 2024. De GI heeft echter vanaf 11 juli 2024 geen gebruik meer gemaakt van deze machtiging. Gelet op artikel 1:265c lid 3 BW komt de machtiging tot uithuisplaatsing te vervallen indien deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. Hieronder valt niet alleen de situatie dat de machtiging de eerste drie maanden, nadat zij is afgegeven, niet ten uitvoer is gelegd, maar ook de situatie dat de machtiging – na eerst wel ten uitvoer te zijn gelegd – op een later moment gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. Derhalve stelt de kinderrechter vast dat de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is komen te vervallen. Het resterende deel van het verzoek zal dan ook worden afgewezen.”

[minderjarige] is op 13 oktober 2025 thuis geplaatst. De situatie dat de GI langer dan drie maanden geen gebruik heeft gemaakt van de machtiging in de zin van artikel 1:265c BW doet zich hier dus niet voor. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat uit de wet en de wetsgeschiedenis onvoldoende blijkt dat een beëindiging van de plaatsing door de GI tot gevolg heeft dat de door de kinderrechter verleende machtiging eindigt. Dit betekent dat de ouders belang hebben bij hun verzoek tot intrekking van die machtiging. Immers, zolang de machtiging voortduurt, is de GI gerechtigd om van die machtiging gebruik te maken.

De kinderrechter overweegt daarover als volgt.

Tijdens de zitting hebben de advocaat van de ouders, de GI en de raad gezamenlijk toegelicht hoe het tot de thuisplaatsing van [minderjarige] is gekomen.

Voorafgaand aan de thuisplaatsing heeft op initiatief van de raad op 10 oktober 2025 een netwerkbijeenkomst plaatsgevonden om te bezien of en onder welke voorwaarden [minderjarige] naar huis zou kunnen in afwachting van de afronding van het raadsonderzoek in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling. De GI heeft aangegeven dat zij op basis van de huidige situatie, waarin er sinds 22 juli 2025 geen aanwijzingen meer zijn van drugsgebruik, het huis van de ouders er opgeruimd en netjes uitziet en [minderjarige 2] in de weekenden ook bij de ouders verblijft, geen redenen ziet waarom [minderjarige] niet thuis zou kunnen worden geplaatst. De raad was het daar mee eens. Daarbij is ook van belang dat de ouders zich tijdens de netwerkbijeenkomst open hebben opgesteld, mee hebben gedacht over wie uit hun netwerk kan meekijken en hen kan ondersteunen en zij openstaan voor urinecontroles als daar om wordt gevraagd. Dat de situatie op 22 juli 2025 zeer zorgelijk was, staat niet ter discussie.

Er zijn veiligheidsafspraken gemaakt om te waarborgen dat het goed gaat met [minderjarige] bij de ouders thuis en in te kunnen grijpen, mocht het onverhoopt niet goed genoeg gaan. Die afspraken zijn opgenomen in het “Planningsoverzicht week 42” dat mr. Feiner bij zijn bericht van 13 oktober 2025 heeft overgelegd. Ook zal [naam 3] op 19 en 20 oktober aanstaande bij de ouders thuis meekijken om te bezien hoe het gaat en wat de ouders mogelijk nog nodig hebben aan hulp en ondersteuning bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

De raad heeft ter zitting opgemerkt dat zij de thuisplaatsing spannend vindt, mede omdat de ouders en [minderjarige] zo beperkt contact met elkaar hebben gehad in de afgelopen maanden. De raad benadrukt dat hij zich geen zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige] bij de ouders, gelet op het veiligheidsplan dat er ligt. Wel vindt de raad dat veel van de ouders wordt gevraagd, nu dagelijks derden bij de ouders thuis komen en hulpverleners en instanties ook onaangekondigd bij de ouders kunnen verschijnen. De raad hoopt dat de ouders dit kunnen volhouden en de druk voor hen niet te zeer oploopt met een verhoogd risico op een terugval in drugsgebruik. De ouders staan open voor alle hulp, maar de raad vindt dat het drugsgebruik enigszins wordt gebagatelliseerd. Dit ook omdat de vader enkele weken voorafgaand aan het incident van 22 juli 2025 ernstige gezondheidsproblemen had als gevolg van drugsgebruik. Toch ging het op 22 juli 2025 nog een keer mis.

Positief vindt de raad dat hij veel beter onderzoek kan doen naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel nu [minderjarige] bij de ouders thuis verblijft.

Uit wat door de raad, de GI en namens de ouders ter zitting naar voren is gebracht, blijkt naar het oordeel van de kinderrechter dat alle betrokkenen er op dit moment voldoende vertrouwen in hebben dat [minderjarige] , met de waarborgen die zijn gecreëerd voor haar veiligheid, bij de ouders kan wonen. De uithuisplaatsing is dus niet meer noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] in de zin van artikel 1:265b BW. Dit betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing moet worden ingetrokken, omdat de gronden daarvoor niet langer aanwezig zijn. De kinderrechter volgt daarbij de overweging van het hof in de hiervoor onder 4.15 genoemde uitspraak. Het past niet bij de rechtsbescherming waar de ouders aanspraak op hebben dat een door de GI beëindigde uithuisplaatsing binnen drie maanden daarna en binnen de looptijd van de aanvankelijk gegeven machtiging tot uithuisplaatsing, zou kunnen herleven zonder tussenkomst van de kinderrechter.

Met de beëindiging van de uithuisplaatsing is een nieuwe situatie ontstaan. Mocht het onverhoopt niet goed genoeg gaan met [minderjarige] bij de ouders thuis en mocht de GI gedurende de looptijd van de voorlopige ondertoezichtstelling opnieuw een uithuisplaatsing nodig vinden, dan moet de GI daartoe een nieuwe machtiging verzoeken bij de kinderrechter.

De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing intrekken met ingang van vandaag.

Het meer of anders verzochte zal de kinderrechter afwijzen.

5. De beslissing

De kinderrechter:

trekt met ingang van vandaag de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder in;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. dr. V.M. Smits, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?