ECLI:NL:RBOBR:2025:8118

ECLI:NL:RBOBR:2025:8118, Rechtbank Oost-Brabant, 25-11-2025, C/01/417830 / EX RK 25-107

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 25-11-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer C/01/417830 / EX RK 25-107
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002656

Samenvatting

Verzet ex artikel 29 WGBZ. De definitieve toevoeging is niet voordat de einduitspraak is gedaan overgelegd en dat had op grond van artikel 29 lid 1 Wrb in combinatie met artikel 16 lid 4 Wgbz wel gemoeten. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan blijken dat het voor (de advocaat van) verzoekster niet mogelijk was om die toevoeging tijdig aan de rechtbank toe te sturen. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer / rekestnummer: C/01/417830 / EX RK 25-107

Beschikking van 25 november 2025

in de zaak van

[opposante] ,

opposante,

hierna te noemen: [opposante] ,

advocaat: mr. J.B.G. Gelissen,

tegen

DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK OOST-BRABANT,

geopposeerde,

hierna te noemen: de griffier.

1. De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift van 28 juli 2025 met 3 bijlagen;

- het verweerschrift van de griffier van 15 augustus 2025.

De griffier heeft in zijn verweerschrift kenbaar gemaakt dat de zaak wat hem betreft schriftelijk kan worden afgehandeld. Per e-mail van 9 oktober 2025 heeft (de advocaat van) [opposante] de rechtbank bericht in te stemmen met een schriftelijke afhandeling van het verzoek.

Daarop is de beschikking bepaald op vandaag.

2. De feiten

Op 4 maart 2025 is aan [opposante] een griffierecht van € 90,- in rekening gebracht in verband met een door haar aanhangig gemaakte procedure bij rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugd, bekend onder zaaknummer C/01/413294. Dit bedrag is gebaseerd op de door haar overgelegde aanvraag tot het verlenen van een toevoeging bij de Raad voor Rechtsbijstand.

Op 1 juli 2025 is in voornoemde procedure door de rechter een eindbeschikking gegeven. Omdat op dit datum nog geen definitieve toevoeging door [opposante] was overgelegd, heeft de griffier een naheffing griffierecht opgelegd van € 241,-. In totaal heeft de griffier daarmee een griffierecht geheven van € 331,-.

3. Het verzoek en het verweer

[opposante] verzoekt de rechtbank om het griffierecht in de zaak C/01/413294 voor haar vast te stellen op € 90,- en aldus de nota griffierechten van 11 juli 2025 met het betalingskenmerk [nummer] ter hoogte van € 241,- als zijnde onterecht uitgebracht aan te merken en deze te (laten) crediteren.

Aan het verzoek heeft [opposante] het volgende ten grondslag gelegd.

Op het moment dat het griffierecht werd geheven, had [opposante] al een afschrift van haar aanvraag voor een toevoeging aan de rechtbank toegestuurd. De toevoeging is uiteindelijk ook door de Raad voor de Rechtsbijstand toegekend. Er bestaat daarom geen reden om het griffierecht te verhogen. Door te blijven bij het standpunt dat de toevoeging had moeten worden overgelegd voordat de eindbeschikking was gewezen, ontstaat rechtsongelijkheid en is geen sprake van een uniform beleid bij de verschillende rechtbank in Nederland. Als door de rechtbanken verschillend wordt beslist in dit soort gevallen, is sprake van discriminatie hetgeen op grond van artikel 14 van het EVRM verboden is. Daarnaast is door de rechtbank niet verzocht om de definitieve toevoeging te overleggen, hoewel dit op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel op haar weg had gelegen. [opposante] wijst op artikel 3:4 Awb waarin is bepaald dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit alle relevante feiten en omstandigheden mee moet wegen en dat de voor belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn ten opzicht van de met het besluit te dienen doelen. Het doel om griffierecht te heffen is dat door de procespartijen naar rato van inkomsten en/of het belang een bijdrage in de kosten van het gerechtelijk systeem wordt betaald. Het zou onevenredig zijn om in dit geval, waarin sprake is van bewindvoering om financiële redenen en waarin sprake is van een persoon zonder vermogen aan wie een toevoeging is verleend, een verhoogde eigen bijdrage voor vermogenden op te leggen.

De griffier verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan.

In artikel 16 lid 2 van de Wet griffierecht burgerlijke zaken (Wgbz) is bepaald dat als op het moment dat griffierecht wordt geheven nog geen toevoeging voorhanden is als gevolg van omstandigheden die redelijkerwijs niet zijn toe te rekenen, kan worden volstaan met het overleggen van de aanvraag tot toevoeging. Voorts is in artikel 29 lid 1 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) bepaald dat een afschrift van het besluit tot toevoeging zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voordat de einduitspraak is gedaan, moet worden overgelegd aan de rechter voor wie de zaak dient. Deze artikelen richten zich niet tot de griffier; het ligt op de weg van de rechtszoekende en diens advocaat om de rechtbank te informeren over de definitieve toevoeging. Dat is in dit geval niet gebeurd. De taak van de griffier strekt zich enkel tot het heffen van het griffierecht op grond van de stukken die wel of niet worden ingediend. Daarbij geldt geen eigen afwegingskader en rust op de griffier geen waarschuwingsplicht. Een advocaat heeft daarentegen wel een informatie- en toezendingsplicht op grond van artikel 29 Wrb. Voorts is geen sprake van andere omstandigheden die niet aan een partij en/of de advocaat kunnen worden toegerekend op grond waarvan de toevoeging niet voor de eindbeschikking had kunnen worden ingediend. De toevoeging is immers al op 13 maart 2025 afgegeven en had dus tijdig aan de rechtbank toegestuurd kunnen worden. Er is geen sprake van discriminatie als bedoeld in artikel 14 van het EVRM, omdat de griffier enkel de wettelijke regeling toepast. Voorts is de Awb niet van toepassing, omdat de griffier geen besluiten neemt in de zin van de Awb maar de regels van de Wgbz toepast. Dat sprake is van bewindvoering, maakt ook niet dat een lager griffierecht berekend had moeten worden, omdat voor iemand wiens vermogen onder bewind is gesteld in de regelgeving over de griffierechten niet een algehele vrijstelling voor familiezaken is geregeld. Dat sprake is van betalingsonmacht, is niet gesteld en niet gebleken.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, verder ingegaan.

4. De beoordeling

Het verzetschrift is tijdig door de rechtbank ontvangen, zodat [opposante] in haar verzet kan worden ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat het verzet ongegrond is, zodat zij het verzet ongegrond zal verklaren. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In artikel 16 lid 1 van de Wgbz is, voor zover hier van belang, bepaald dat de griffier het griffierecht (tegen het tarief) voor onvermogenden moet heffen als op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een afschrift van het besluit tot toevoeging is overgelegd. In lid 2 is vervolgens bepaald dat, als een partij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven nog geen afschrift van dat besluit kan overleggen als gevolg van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan haar zijn toe te rekenen, maar wél een afschrift van de aanvraag daartoe heeft overgelegd, de griffier het griffierecht voor onvermogenden heft. Dat laatste is in dit geval ook gebeurd. [opposante] heeft, zoals door haar is gesteld en door de griffier is erkend, ten tijde van de indiening van haar verzoekschrift een aanvraag tot toevoeging overgelegd. Daarop heeft de griffier terecht een bedrag van € 90,- aan griffierecht in rekening gebracht.

Vast staat dat [opposante] vervolgens geen definitieve toevoeging aan de griffier heeft overgelegd voordat de eindbeschikking werd gewezen, ondanks het feit dat de definitieve toevoeging al op 13 maart 2025 is afgegeven, terwijl pas veel later, op 1 juli 2025, de eindbeschikking is gewezen. De vraag is welke consequenties dit moet hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank wijst de griffier terecht op het bepaalde in artikel 29 lid 1 Wrb (dat aansluit op het bepaalde in artikel 16 lid 4 Wgbz). Daarin is bepaald dat een afschrift van het besluit tot toevoeging zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voordat de einduitspraak is gedaan, wordt overgelegd aan de rechter voor wie de zaak dient. Vast staat dat dat niet is gebeurd. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan blijken dat het voor (de advocaat van) [opposante] , ondanks dat de definitieve toevoeging al in maart 2025 aan haar was verleend, niet mogelijk was om die toevoeging tijdig aan de rechtbank toe te sturen. Het feit dat de griffier niet zelf om de toezending van dat stuk heeft gevraagd, is daarbij niet van belang. Uit de systematiek van de Wrb en de Wgbz blijkt duidelijk dat het aan (de advocaat van) betrokkene zelf is, en niet aan de griffier, om zorg te dragen voor de juiste naleving van de wettelijke bepalingen, waaronder het tijdig aan de rechtbank toezenden van de toevoeging, zoals is bepaald in artikel 29 Wrb. De te late toezending komt dan ook voor rekening en risico van (de advocaat van) [opposante].

[opposante] beroept zich verder op artikel 14 EVRM en stelt dat sprake is van discriminatie omdat de griffier van de rechtbank Limburg partijen vrijwel standaard (wél) verzoekt om (alsnog) de definitieve toevoeging te overleggen. De advocaat van [opposante] heeft ter onderbouwing van die stelling een roljournaal overgelegd van rechtbank Limburg, locatie Maastricht, waaruit volgens hem blijkt dat wordt gevraagd om de definitieve toevoeging te overleggen vóórdat het eindvonnis wordt gewezen en dat wordt gewaarschuwd dat het griffierecht – als de toevoeging niet wordt overgelegd – wordt verhoogd. Op dit overgelegde roljournaal staat echter niet méér vermeld dan dat de volgende rolhandeling een ‘akte eiser’ betreft, met daarbij de opmerking ‘overleggen definitieve toevoeging’. Daaruit blijkt niet dat de rechtbank om een toevoeging heeft gevraagd, het is evengoed mogelijk dat deze akte door de betrokken partij zelf is genomen. De rechtbank ziet ook niet hoe uit dit stuk zou kunnen blijken dat [opposante] is gediscrimineerd: het is eenvoudigweg niet de taak van de griffier om partijen te wijzen op het ontbreken van de definitieve toevoeging en hen – bij gebreke daarvan – op eigen initiatief (actief) te gaan benaderen. Zoals de griffier terecht heeft opgemerkt, heeft de griffier bij het heffen van het griffierecht geen enkele beoordelingsvrijheid, maar moet hij zich bij het in rekening brengen van het griffierecht (en het bepalen van de hoogte daarvan) houden aan de daarvoor geldende landelijk vastgestelde regels en wetten. Dat heeft de griffier in dit geval ook gedaan; de definitieve toevoeging was ten tijde van de eindbeschikking (nog steeds) niet overgelegd, zodat de griffier het griffierecht terecht heeft verhoogd met € 241,- tot het tarief van € 331,-. Daarbij merkt de rechtbank op dat tussen partijen geen discussie bestaat over het feit dat dit tarief correspondeert met het bedrag dat in de desbetreffende zaak in rekening mag worden gebracht indien geen sprake was geweest van een toevoeging.

[opposante] heeft verder nog gewezen op diverse bepalingen van de Awb. De Awb is echter, zoals blijkt uit onder meer de artikelen 8:41 Awb en verder, alleen van toepassing op bestuursrechtelijke procedures. De artikelen 3:2 en 3:4 Awb gelden alleen voor besluiten genomen door een bestuursorgaan. Als de griffier al een bestuursorgaan zou zijn, geldt dat uit artikel 3:4 Awb voortvloeit dat een bestuursorgaan de bij het besluit te betrekken belangen alleen mag afwegen “voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit” (lid 1). Uit de Wgbz blijkt dat de griffier bij het heffen van het griffierecht geen enkele beoordelingsvrijheid heeft.

Voor zover [opposante] ook nog – los van de vraag of de Awb van toepassing is, hetgeen de rechtbank ontkennend heeft beantwoord – heeft willen stellen dat het, nu sprake is van bewind om financiële redenen (schuldenbewind), evident is dat er een toevoeging was verstrekt (en dat evident sprake is van een persoon van onvermogen), gaat dat betoog niet op. Uit het enkele feit dat het vermogen van een persoon onder bewind is gesteld omdat hij niet in staat is om ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden (artikel 1:431 BW) volgt nog niet dat het griffierecht voor onvermogenden moet worden toegepast. Voor het bepalen van de hoogte van het griffierecht gelden immers andere regels (zoals de bepalingen van de Wgbz en de Wrb). Daar komt nog bij dat het bestaan van een bewind niet altijd iets zegt over de financiële mogelijkheden van de onder bewind gestelde, behalve dan dat de bewindvoerder dan degene zal zijn die het griffierecht feitelijk betaalt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verklaart de rechtbank het verzet tegen de beslissing van de griffier ongegrond.

5. De beslissing

De rechtbank

verklaart het verzet tegen de beslissing van de griffier ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.L.P. Crombeen en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?