RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: [01.119816.25]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.119816.25
Datum uitspraak: 15 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2004] ,
wonende te [adres 1] ,
nu gedetineerd te: P.I. Grave.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juni 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Langenboom, gemeente Land van Cuijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om geld en/of goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan
zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, toen die [slachtoffer 1] in zijn auto was ingestapt en het bestuurdersportier wilde sluiten, dat bestuurdersportier heeft/hebben vastgepakt en/of heeft/hebben tegengehouden en/of een of meermalen tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "Ik doe niks", althans (telkens) woorden van dergelijke aard en/of strekking en/of het bijrijdersportier heeft/hebben geopend en/of heeft/hebben geprobeerd in genoemde auto in te stappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:
hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Uden, gemeente Maashorst tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of diens auto en/of een telefoon, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n) door die [slachtoffer 2] een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, te tonen en/of in diens richting te houden en/of tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: "Als je meewerkt, ga ik je niet steken", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij € 5000,- moest betalen, anders zouden ze zijn werk en familie inlichten dat hij met een minderjarige jongen had afgesproken, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij zijn telefoon moest afgeven en/of moest uitstappen en achterin de auto moest gaan zitten en/of nadat die [slachtoffer 2] geld had gepind, die [slachtoffer 2] een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, voor te houden en het gepinde geld te eisen en/of het geld uit de handen van die [slachtoffer 2] te rukken en/of te trekken en die [slachtoffer 2] daarbij of vervolgens tegen diens hoofd te slaan en/of te stompen;
feit 3:
primair
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Erp, gemeente Meierijstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en/of een bankpas en/of een legitimatiebewijs/paspoort, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door bij de woning van genoemde [slachtoffer 3] aan te bellen en/of nadat door die [slachtoffer 3] de (voor)deur was geopend, die [slachtoffer 3] naar binnen te duwen en/of (vervolgens) een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, te pakken en/of in zichtbaar voor die [slachtoffer 3] vast te houden en/of in diens richting vast te houden en/of tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij,verdachte, en/of zijn mededader(s) zijn, [slachtoffer 3] , telefoon en/of zijn bankpas en/of zijn legitimatiebewijs moesten hebben;
subsidiair
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Erp, gemeente Meierijstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of een bankpas en/of een legitimatiebewijs/paspoort, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde(n) door een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, te pakken en/of zichtbaar voor die [slachtoffer 3] vast te houden en/of in diens richting vast te houden en/of tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij zijn telefoon en/of zijn bankpas en/of zijn legitimatiebewijs moest afgeven;
feit 4:
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Erp, gemeente Meierijstad, en/of te Uden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk
[slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden;
feit 5:
hij op of omstreeks 9 april 2025 te Uden, gemeente Maashorst tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van een hoevelheid geld, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 4] en/of een derde toebehoorde(n) van die [slachtoffer 4] geld heeft geëist en/of tegen die [slachtoffer 4] heeft geschreeuwd, althans geroepen, of hij een pinpas en/of geld bij zich had en/of daarbij of vervolgens die [slachtoffer 4] op krachtdadige wijze tegen diens (linker)oog, althans in diens gezicht, heeft geslagen en/of gestoten en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De formele voorvragen
Partiële nietigheid dagvaarding t.a.v. feit 4
Door de verdediging is aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 4 nietig dient te worden verklaard, omdat dit feit onvoldoende feitelijk is omschreven.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat feit 4 wel duidelijk genoeg is omschreven en dat de dagvaarding daarom in zijn geheel geldig is.
In artikel 261 van het wetboek van Strafvordering (Sv) zijn regels gesteld waaraan de dagvaarding en tenlastelegging moeten voldoen. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat de dagvaarding de omstandigheden dient te vermelden “waaronder het feit zou zijn begaan”. De ratio van dit voorschrift is dat het voor de verdachte en de rechter op voorhand duidelijk moet zijn van welke feitelijke gedragingen de verdachte wordt beschuldigd. Het recht op een eerlijk proces zou niet zijn gewaarborgd als de tekst van de tenlastelegging te ruim of dubbelzinnig kan worden uitgelegd. De verdachte loopt dan het risico dat hij op de zitting wordt geconfronteerd met verwijten waarop hij zich niet kon voorbereiden.
De rechtbank is van oordeel dat in de tenlastelegging van feit 4 onvoldoende is geconcretiseerd welke feitelijke gedragingen aan verdachte worden verweten. De tenlastelegging bevat naast de delictsomschrijving van art. 282 Sr niet veel meer informatie dan het tijdstip en de locatie wanneer en waarop het feit zou zijn gepleegd. Wat de rol van verdachte bij de vrijheidsbeneming is geweest, en hoe de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, valt uit de tenlastelegging niet op te maken.
De rechtbank deelt niet het standpunt van de officier van justitie, dat het bij de tenlastelegging van wederrechtelijke vrijheidsbeneming niet nodig is om de feitelijke gedragingen in de tenlastelegging nader te beschrijven. Het valt ook niet in te zien waarom dat in de gegeven omstandigheden niet mogelijk zou zijn.
Kort en goed voldoet de dagvaarding ten aanzien van feit 4 niet aan de voorschriften die daaraan in de wet worden gesteld. De rechtbank verklaart de dagvaarding daarom op dit punt nietig.
Overig
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding voor het overige geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak feit 3
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder feit 3 primair ten laste gelegde diefstal en tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde afpersing in vereniging.
De raadsvrouw heeft namens de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde geweld en diefstal van het paspoort partiële vrijspraak van feit 3 primair bepleit, en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt als volgt.
Niet ter discussie staat dat de primair ten laste gelegde woningoverval in Erp niet heeft plaatsgevonden. Aangever is op dat punt teruggekomen op zijn eerdere verklaringen. Net als de officier van justitie gaat de rechtbank er voorts niet vanuit dat aangever, de verdachte en de medeverdachten vanaf het zandpad in Uden/Zeeland op enig moment terug zijn gereden naar de woning van aangever in Erp. Verdachte heeft dit ter terechtzitting stellig ontkend, terwijl hij het ten laste gelegde op andere punten wel heeft bekend en ook belastend over zichzelf heeft verklaard. De rechtbank ziet verder geen aanwijzingen in het dossier die dit onderdeel van de verklaring van aangever ondersteunen.
De rechtbank constateert dat de officier van justitie in het voorgaande geen aanleiding heeft gezien een wijziging van de tenlastelegging te vorderen.
Van de ten laste gelegde gedragingen die zien op voormelde woningoverval dient verdachte zonder meer te worden vrijgesproken. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden, is of verdachte in Erp, gemeente Meierijstad, betrokken is geweest bij diefstal al dan niet met geweld (primair) of afpersing (subsidiair) van aangever, terwijl daarbij de telefoon, bankpas en het legitimatiebewijs van aangever zijn buitgemaakt.
De rechtbank concludeert dat verdachte weliswaar betrokken is geweest bij de diefstal al dan niet met geweld of afpersing van aangever van zijn telefoon, bankpas en het legitimatiebewijs, maar die gedraging heeft uitsluitend plaatsgevonden in Uden/Zeeland en niet in Erp, zoals ten laste is gelegd.
De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde onder feit 3.
Bewijs ten aanzien van feit 1, 2 en 5
Het standpunt van de officier van justitie
De officier heeft ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 5 gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte ten aanzien van feit 1 partieel vrijspraak bepleit van bedreiging met geweld en zich voor feit 1 voor het overige en de feiten 2 en 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal voor deze feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, Sv volstaan. Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt heeft verdachte deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. En voor zover de feiten door verdachte zijn bekend heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Feit 1 (poging tot diefstal met geweld in vereniging t.a.v. [slachtoffer 1] )
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vast.
Op 14 april 2025 had aangever [slachtoffer 1] een afspraak in Langenboom via een datingapp met iemand die zich voordeed als [alias verdachte] . Op de afgesproken plek stond daar verdachte aangever op te wachten. Aangever vertrouwde de situatie niet en wilde met zijn auto wegrijden. Verdachte heeft toen het bestuurdersportier van de auto van aangever vastgehouden en aangever belet het portier te sluiten. Verdachte keek aangever daarbij strak aan en zei: “Ik doe niks”. Vervolgens hebben medeverdachte [medeverdachte 1] en een ander het bijrijdersportier gepakt en geprobeerd in de auto te stappen. Doordat aangever de auto vol gas voor- en achteruit liet rijden hebben de medeverdachten de auto los moeten laten en heeft aangever weg kunnen rijden.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot diefstal met geweld in vereniging.
Van de ten laste gelegde bedreiging met geweld wordt verdachte vrijgesproken, nu de geuite woorden “Ik doe niks” naar het oordeel van de rechtbank in deze context geen bedreigend karakter hebben.
Feit 2 (afpersing in vereniging t.a.v. [slachtoffer 2] )
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vast.
Op 18 maart 2025 had aangever [slachtoffer 2] via een datingapp een afspraak met iemand die zich voordeed als [alias verdachte] . Aangekomen op de plek van de afspraak, te weten op een parkeerplaats te Uden, stapten er twee mannen in zijn auto, waarbij verdachte achterin instapte en de medeverdachte voorin. Aangever werd vervolgens bedreigd met een mes, waarbij de medeverdachte zei dat hij aangever zou steken als hij niet mee zou werken. Verdachte en de medeverdachte zeiden dat aangever € 5.000,- moest betalen, omdat zij anders het werk en de familie van aangever zouden inlichten dat aangever met een minderjarige jongen had willen afspreken. Aangever moest zijn telefoon afgeven en achterin gaan zitten. De medeverdachte wees het mes continu in de richting van aangever. Aangever heeft € 2.000,- gepind en onder bedreiging van het mes hebben de verdachte en de medeverdachte het geld uit zijn handen getrokken en heeft één van hen aangever een vuistslag in zijn gezicht gegeven. Verdachte en de medeverdachte hebben vervolgens met medeverdachte [medeverdachte 1] afgesproken en het geld onderling verdeeld.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing in vereniging.
Feit 5 (poging tot afpersing in vereniging t.a.v. [slachtoffer 4] )
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vast.
Op 9 april 2025 had aangever [slachtoffer 4] via een datingapp een afspraak in Uden met iemand die zich voordeed als [alias verdachte] . Aangekomen op de afgesproken plek stapte een man in de auto van aangever. Deze man pakte de autosleutel van aangever en schreeuwde tegen aangever of hij geld en een pinpas bij zich had. Daarbij heeft hij aangever een vuistslag in zijn gezicht gegeven. Buiten de auto stonden nog twee andere mannen. Aangever is door een van deze mannen uit de auto getrokken en een van de mannen heeft de auto doorzocht. Een van de mannen trok aan de telefoon van aangever tijdens een worsteling, waardoor deze doormidden is gebroken.
De rechtbank stelt vast dat verdachte een van de drie betrokken mannen is geweest.
Aangever heeft in zijn aangifte en aanvullend verhoor wisselend verklaard over wie van de drie personen hem een vuistslag heeft gegeven. De rechtbank hoeft bij de beoordeling van het bewijs echter niet vast te stellen wie van de drie betrokken mannen de vuistslag heeft gegeven, nu ten laste is gelegd dat dit geweld in vereniging is gepleegd en vaststaat dat een van de drie mannen de vuistslag heeft gegeven.
De rechtbank acht uit voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot afpersing in vereniging.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
feit 1
op 15 april 2025 te Langenboom, gemeente Land van Cuijk, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om geld en/of goed(eren) van hun gading, dat/die aan [slachtoffer 1] toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan van geweld tegen die [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden, toen die [slachtoffer 1] in zijn auto was ingestapt en het bestuurdersportier wilde sluiten, dat bestuurdersportier heeft vastgepakt en heeft tegengehouden en meermalen tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Ik doe niks", en het bijrijdersportier heeft geopend en heeft geprobeerd in genoemde auto in te stappen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
op 18 maart 2025 te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen,
met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld en
diens auto en een telefoon, die aan die [slachtoffer 2] toebehoorden, door die [slachtoffer 2] een mes te tonen en in diens richting te houden en tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: "Als je meewerkt, ga ik je niet steken", en tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij € 5000,- moest betalen, anders zouden ze zijn werk en familie inlichten dat hij met een minderjarige jongen had afgesproken, en tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij zijn telefoon moest afgeven en moest uitstappen en achterin de auto moest gaan zitten en nadat die [slachtoffer 2] geld had gepind, die [slachtoffer 2] een mes voor te houden en het gepinde geld te eisen en het geld uit de handen van die [slachtoffer 2] te trekken en die [slachtoffer 2] tegen diens hoofd te slaan en stompen;
feit 5
op 9 april 2025 te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van geld dat aan die [slachtoffer 4] toebehoorde, van die [slachtoffer 4] geld heeft geëist en tegen die [slachtoffer 4] heeft geschreeuwd of hij een pinpas en geld bij zich had en die [slachtoffer 4] op krachtdadige wijze in diens gezicht heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterden cursief weergegeven. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een proeftijd van 3 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens verdachte gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht en voor oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, en een deel voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden. Als het jeugdstrafrecht niet wordt toegepast, dient de tijd die verdachte in detentie moet doorbrengen zo kort mogelijk te zijn, gelet op zijn beïnvloedbaarheid en de jonge leeftijd van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Adolescentenstrafrecht
Het uitgangspunt is dat een meerderjarige volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht, tenzij er in het bijzonder redenen zijn om de toepassing van het minderjarigenstrafrecht te rechtvaardigen.
Uit het reclasseringsrapport van 20 november 2025 blijkt dat de reclassering zich onthoudt
van het geven van advies over het wel of niet toepassen van het jeugdstrafrecht. Verdachte lijkt weliswaar impulsief te handelen en beïnvloedbaar te zijn, maar de reclassering ziet geen directe signalen die wijzen op de noodzaak voor het toepassen van jeugdstrafrecht. In gezinsverband lijkt gezinsgerichte hulpverlening niet noodzakelijk, doordat het de vraag is of verdachte weer thuis zal gaan wonen.
Aan de hand van het dossier en wat er ter terechtzitting naar voren is gekomen, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank bij het opleggen van de straf rekening zal houden met de persoonlijke omstandigheden waaronder de jeugdige leeftijd van verdachte.
Algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een afpersing in vereniging, een poging tot afpersing in vereniging en een poging tot diefstal met geweld in vereniging.
Verdachte heeft zich, samen met zijn mededaders, bewust gericht op kwetsbare slachtoffers, door hen onder valse voorwendselen via de app ‘ [datingapp] ’ uit te nodigen voor een ontmoeting, hen naar een afgelegen plek te lokken en hen vervolgens te overvallen. Verdachte heeft zich berekenend getoond, nu hij uit eigen ervaring wist dat in sommige kringen een taboe heerst op ontmoetingen via deze app, en dat schaamte een reden kan zijn om terughoudend te zijn in het doen van aangifte. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Een overval met bedreigingen en/of geweld is voor de slachtoffers een traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Aangever [slachtoffer 4] heeft daarbij door de vuistslag in zijn gezicht ernstig hersenletsel opgelopen. Dergelijke overvallen leiden bovendien tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte heeft met de gevolgen voor de slachtoffers en met die gevoelens in de samenleving geen rekening gehouden toen hij met zijn mededaders besloot op een gewelddadige manier snel aan geld te willen komen. Verdachte heeft aangegeven aanvankelijk onder druk te hebben gestaan van zijn medeverdachte, maar begon later zelf ook het initiatief te nemen in het uitzoeken van een slachtoffer en het maken van een afspraak.
Persoonlijke omstandigheden verdachte
De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte zijn relatief jeugdige leeftijd mee. Ook heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd en daarmee openheid van zaken gegeven, zij het wel nadat overweldigend bewijs jegens hem was gepresenteerd. Hij heeft ter terechtzitting berouw getoond en zijn excuses aangeboden aan de slachtoffers. Daarnaast is de verwachting dat verdachte weinig steun zal krijgen vanuit de thuissituatie.
De straf
De rechtbank acht een gevangenisstraf de enige passende sanctie, gelet op de ernst van de feiten en de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor afpersing/diefstal met geweld. Rekening houdend met de strafverlagende factor dat het bij twee van de delicten een poging betreft en de strafverzwarende factoren dat de delicten in vereniging zijn gepleegd en met (bedreiging met) geweld, zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden opleggen, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten in mindering komt op het onvoorwaardelijke strafdeel.
Deze straf valt veel lager uit dan de eis van de officier van justitie, mede doordat verdachte van feit 3 wordt vrijgesproken en de dagvaarding ten aanzien van feit 4 nietig wordt verklaard.
Aan de voorwaardelijke straf zullen na te noemen geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en hem te begeleiden bij het opbouwen van een bestaan op het rechte pad.
In de omstandigheid dat verdachte heeft bekend de onder 3 tenlastegelegde afpersing
- weliswaar in een andere gemeente - te hebben gepleegd ziet de rechtbank aanleiding de als bijzondere voorwaarde op te leggen contactverboden ook uit te strekken tot dit slachtoffer.
De vorderingen van de benadeelde partijen
[slachtoffer 1] (feit 1)
[slachtoffer 1] , bijgestaan door mr. R. van de Winkel, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van € 1.871,89, bestaande uit € 1.121,89 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte bepleit dat de gevorderde materiële schade niet geheel rechtstreeks te herleiden is tot het delict en daarom slechts tot een bedrag van € 520,30 toegewezen dient te worden. Ten aanzien van immateriële schade is deze onvoldoende onderbouwd en zou deze moeten worden afgewezen, of anders worden toegewezen tot een bedrag van € 300,-, aldus de raadsvrouw van verdachte.
Beoordeling
De rechtbank is ten aanzien van de materiële schade van oordeel dat de schade aan de auto zoals blijkt uit de bijgevoegde offerte past bij schade die ontstaan is uit het delict, waarbij het toegepaste geweld tegen de auto van de aangever was gericht. De rechtbank gaat daarbij uit van de offerte die door het schadebedrijf kort na het delict is opgesteld en acht deze schadepost voldoende onderbouwd.. Het gevorderde bedrag van € 1.121,89 zal worden toegewezen.
Ook de immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd.
De rechtbank overweegt dat de gestelde persoonsaantasting geen nadere onderbouwing behoeft, omdat die aantasting voor de hand ligt, gelet op de aard en de ernst van de normschending en de omstandigheden waaronder de poging overval heeft plaatsgevonden (zie bewezenverklaring).
De hoogte van de immateriële schadevergoeding moet naar billijkheid worden vastgesteld. Bij het beantwoorden van de vraag wat de ’billijkheid’ in de gegeven omstandigheden vordert heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse-schaal. Het gevorderde bedrag van € 750,- zal worden toegewezen.
De toe te wijzen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Samenloop veroordeling/maatregel
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
[slachtoffer 2] (feit 2)
[slachtoffer 2] , bijgestaan door mr. R. van de Winkel, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van € 5.311,-, bestaande uit € 3.811,01 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de schadepost geldopname van € 2.000,- gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft ten aanzien van de schadepost reparatiekosten van de auto afwijzing bepleit. De immateriële schade dient verlaagd te worden tot € 750,-.
Beoordeling
De rechtbank is ten aanzien van de schadepost reparatiekosten van de auto van oordeel dat het rechtstreeks verband tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde feit niet vastgesteld kan worden. De rechtbank verwijst daarbij naar de foto’s van de auto van de benadeelde partij op pagina 332 tot en met 336 van het dossier. Op deze foto’s, die kennelijk dateren van net na de schadeveroorzakende gebeurtenis, is geen schade aan de auto te zien. Daarmee is niet gezegd dat die schade er toen niet zat, maar het ontstaan van die schade kan niet zonder onevenredige belasting van het strafproces nader worden onderzocht. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit onderdeel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal de kostenpost van het gepinde geld ter waarde van € 2.000,- toewijzen, nu deze voldoende is onderbouwd.
De gevorderde immateriële schade ter hoogte van € 1.500,- acht de rechtbank passend en toewijsbaar. De hoogte van de immateriële schadevergoeding moet naar billijkheid worden vastgesteld. Bij het beantwoorden van de vraag wat de ‘billijkheid in de gegeven omstandigheden vordert heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse-schaal.
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.500,-, bestaande uit € 2.000,- materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Samenloop veroordeling/maatregel
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
[slachtoffer 3] (feit 3 en 4)
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft (feit 3) en de dagvaarding partieel nietig zal worden verklaard (feit 4).
De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a Sv. Deze kosten worden begroot op nihil.
[slachtoffer 4] (feit 5)
[slachtoffer 4] , bijgestaan door mr. E.M.M. van den Boogaard, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van € 20.746,87, bestaande uit € 2.746,87 aan materiële schade en € 18.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft afwijzing van de materiële schadepost huishoudelijke hulp en verlaging van de immateriële schade tot een bedrag van € 8.000,- bepleit. Voor het overige heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
De rechtbank zal de gevorderde materiële schade geheel toewijzen, nu deze voldoende is onderbouwd en deze schade het rechtstreeks gevolg is van het door verdachte gepleegde delict.
Ten aanzien van de kostenpost huishoudelijke hulp overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij voldoende heeft gesteld dat hij – gelet op de aard van het letsel – hulp nodig heeft gehad in het huishouden. Voor de met die hulp gemoeide kosten is verdachte aansprakelijk. De gevorderde vergoeding ad € 590,83 is in overeenstemming met de Richtlijn Huishoudelijke hulp van de Letselschaderaad en daarmee voldoende onderbouwd.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij een groot litteken op zijn hoofd heeft ten gevolge van het medisch ingrijpen naar aanleiding van de klap die hij in zijn gezicht heeft gekregen. Uit het dossier en uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij levensgevaarlijk hersenletsel heeft opgelopen en dat dit letsel kan leiden tot blijvende cognitieve klachten,
waaronder concentratieproblemen, geheugenstoornissen en chronische hoofdpijn. De benadeelde partij ervaart nog dagelijks de gevolgen hiervan.
De hoogte van de immateriële schadevergoeding moet naar billijkheid worden vastgesteld. Bij het beantwoorden van de vraag wat de ‘billijkheid’ in de gegeven omstandigheden vordert heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse-schaal. De rechtbank acht een bedrag van € 15.000,- billijk en zal de vordering ten aanzien van de immateriële schade tot een bedrag van die hoogte toewijzen. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
De toe te wijzen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Samenloop veroordeling/maatregel
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 60a, 312, 317 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde nietig;
verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
feit 1:
poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 5:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf:
t.a.v. feit 1, feit 2, feit 5
Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren;
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat veroordeelde zich meldt binnen drie werkdagen na onherroepelijk zijn van het vonnis tussen 09:00 en 12:00 uur telefonisch bij Reclassering Nederland via telefoonnummer 088-8041504 (Eekbrouwersweg 6 te 's-Hertogenbosch). Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
2. dat veroordeelde meewerkt aan diagnostiek (onderzoek naar de verstandelijke vermogens) door Humanitas DMH of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De diagnostiek start zo spoedig mogelijk. Indien uit het onderzoek blijkt dat behandeling of begeleiding geïndiceerd is dan zal veroordeelde hier eveneens aan meewerken. De behandeling/begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de diagnostiek/behandeling/begeleiding.
3. dat indien de reclassering dit noodzakelijk acht, veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start indien het veroordeelde ontbreekt aan stabiele huisvesting en begeleid wonen door de reclassering noodzakelijk wordt geacht. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
4. dat veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met de medeverdachten:
o [medeverdachte 2] , geboren op [2004] ;
o [medeverdachte 1] , geboren op [2005] ,
en de slachtoffers:
o [slachtoffer 2] , geboren op [1953] ;
o [slachtoffer 4] , geboren op [1961] ;
o [slachtoffer 1] , geboren op [1973] ;
o [slachtoffer 3] , geboren op [1963] ,
zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
5. dat veroordeelde op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 14 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft veroordeelde een aaneengesloten blok van 8 uur per dag vrij te besteden. Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [adres 1] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering het locatiegebod laten vervallen.
6. dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van een opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
[slachtoffer 1] (feit 1)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.871,89 euro, bestaande uit 1.121,89 euro materiële schade en 750,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.871,89 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 28 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 1.121,89 euro materiële schade en 750,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de betaling die is gedaan aan de Staat op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering wordt gebracht, en dat dit andersom ook geldt indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
[slachtoffer 2] (feit 2)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 3.500,00 euro, bestaande uit 2.000,00 euro materiële schade en 1.500,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (materiële schade autoreparatiekosten) niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 3.500,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 45 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 2.000,00 euro materiële schade en 1.500,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
bepaalt dat de betaling die is gedaan aan de Staat op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering wordt gebracht, en dat dit andersom ook geldt indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
[slachtoffer 3] (feit 3 en 4)
verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot heden begroot op nihil.
[slachtoffer 4] (feit 5)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van 17.746,87 euro, bestaande uit 2.746,87 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (rest immateriële schade) niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] , van een bedrag van 17.746,87 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 123 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 2.746,87 euro materiële schade en 15.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de betaling die is gedaan aan de Staat op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering wordt gebracht, en dat dit andersom ook geldt indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.M. Hettinga, voorzitter,
mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier,
en is uitgesproken op 15 december 2025.