RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.130289.25
Datum uitspraak: 15 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 november 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 september 2024 te Bergeijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Diepveldenweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- een in dezelfde richting als hem, verdachte, rijdende personenauto/bus links, over de weghelft bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer, in te halen
- (daarbij) een snelheid tussen de 76 kilometer en 83 kilometer per uur te rijden, terwijl de aldaar geldende maximum snelheid 60 kilometer per uur betrof, op het moment dat een hem, verdachte, over die weg tegemoetkomende motorrijdster reeds dicht was genaderd, waardoor een botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en de hem, verdachte, tegemoetkomende motor, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten fracturen van het schaambeen, een gecompliceerde bekkenfractuur, een afgescheurde urineweg, een open dijbeenfractuur met afgescheurde spieren, huid en/of pezen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat ten gevolge van het aan zijn schuld te wijten verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] is toegebracht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de bewezenverklaring van het ten laste gelegde in de schuldcategorie aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank heeft daarbij gelet op de inhoud van de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, alsmede op de procespositie van de verdediging. Door verdachte is een bekennende verklaring afgelegd en de bewezenverklaring en de bewijsvoering zijn niet door de verdediging bestreden.
Het verkeersongeval.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte als bestuurder van een personenauto op 18 september 2024 omstreeks 16.56 uur een inhaalmanoeuvre uitvoerde op de Diepveldenweg in Bergeijk en aldus op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer reed. Vanuit de tegenovergestelde richting kwam [slachtoffer] , als bestuurster van een motor, aanrijden. Zij zag de personenauto van verdachte op haar weghelft en in haar richting rijden en stuurde zoveel mogelijk naar rechts in een poging de personenauto van verdachte enigszins te ontwijken. Verdachte reed op dat moment tussen de 76 en 83 kilometer per uur, de ter plaatse maximaal toegestane snelheid bedroeg 60 kilometer per uur. De personenauto van verdachte en de motor met daarop [slachtoffer] kwamen frontaal met elkaar in botsing, waarbij de linkervoorzijde van de personenauto van verdachte de motor van [slachtoffer] raakte.
[slachtoffer] heeft als gevolg van het ongeval breuken in haar bovenbeen links en haar bekken opgelopen en beschadigingen aan haar bovenbeenspier en de zenuwen van haar linkerbeen, alsmede aan haar blaas.
De vraag die door de rechtbank moet worden beantwoord is of het ongeval in strafrechtelijke zin aan de schuld van verdachte te wijten is.
Beoordelingskader schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).
Op grond van vaste jurisprudentie gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld dient te worden of verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Niet ieder tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van schuld. Maar van iedere verkeersdeelnemer mag in ieder geval worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op de concrete verkeerssituatie en op andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers.
Overwegingen rechtbank
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van verwijtbaar handelen en als welke mate van schuld dit handelen vervolgens moet worden gekwalificeerd, is voor de rechtbank in de eerste plaats van belang dat verdachte bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse.Daarnaast betrekt de rechtbank in haar beoordeling dat verdachte de inhaalmanoeuvre inzette op een plek waar de Diepveldenweg een lichte S-bocht vertoonde, als gevolg waarvan het zicht op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer verminderd was.
Een getuige die dezelfde richting op reed als verdachte nam de verdachte tegemoet rijdende motorrijdster waar en ook de motorrijdster zag verdachte haar tegemoet rijden. Van verdachte had verwacht mogen worden dat hij in de S-bocht van de Diepveldenweg geen inhaalmanoeuvre zou uitvoeren dan wel pas zou inhalen met de ter plaatse toegestane snelheid nadat hij zich er terdege van had vergewist dat zich op de (voor hem) linkerweghelft geen tegemoetkomend verkeer bevond. Verdachte heeft dit alles niet gedaan. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.
De rechtbank merkt het letsel dat [slachtoffer] door het ongeval heeft opgelopen aan als zwaar lichamelijk letsel.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit, zoals hieronder bewezen is verklaard.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen en hetgeen door de rechtbank is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
op 18 september 2024 te Bergeijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Diepveldenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,
- een in dezelfde richting als hem, verdachte, rijdende personenauto/bus links, over de weghelft bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer, in te halen
- daarbij een snelheid tussen de 76 kilometer en 83 kilometer per uur te rijden, terwijl de aldaar geldende maximumsnelheid 60 kilometer per uur betrof, op het moment dat een hem, verdachte, over die weg tegemoetkomende motorrijdster reeds dicht was genaderd, waardoor een botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en de hem, verdachte, tegemoetkomende motor, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten fracturen van het schaambeen, een gecompliceerde bekkenfractuur, een afgescheurde urineweg, een open dijbeenfractuur met afgescheurde spieren, huid en pezen werd toegebracht.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de duur van de op te leggen taakstraf. Voorts heeft zij verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit, betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij een motorrijdster ernstig gewond is geraakt. Verdachte heeft een gevaarlijke inhaalmanoeuvre uitgehaald terwijl zijn zicht op de andere weghelft was beperkt door het verloop van de weg en het voertuig dat voor hem reed. Als gevolg daarvan is hij op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer frontaal in botsing gekomen met het slachtoffer. Zij is sindsdien rolstoelafhankelijk, arbeidsongeschikt en ook overigens ernstig beperkt in haar dagelijks functioneren.
Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring door het slachtoffer blijkt hoe groot de impact van het ongeval is op haar leven. Het ongeval was te voorkomen geweest als verdachte simpelweg beter had opgelet die dag en zijn gedrag had aangepast aan de verkeersomstandigheden.
Kijkend naar de persoon van verdachte, is verdachte blijkens een uittreksel uit de justitiële documentatie niet eerder in beeld gekomen bij politie en justitie voor een soortgelijk strafbaar feit. Voorts blijkt uit hetgeen verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, dat hij oprecht berouw heeft van zijn handelen. Verdachte heeft ter terechtzitting dan ook zijn spijt betuigd.
Voor de bewezen verklaarde feiten wordt, gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, – naast een taakstraf – in beginsel een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd. Echter, gelet op de aard van het werk van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid onevenredig hard wordt getroffen. Verdachte is voor de uitoefening van zijn werkzaamheden afhankelijk van zijn rijbewijs.
Hoewel de ernst van het feit en de gevolgen daarvan een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid rechtvaardigen, acht de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging als forse waarschuwing voor de toekomst het meest passend. De rechtbank volstaat daarom met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaren. Gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, acht de rechtbank daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren op zijn plaats.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende misdrijf oplevert:
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Strafoplegging
- legt aan verdachte op:
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.M. Rinzema, voorzitter,
mr. H.M. Hettinga en mr. E.M.J. Raeijmaekers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,
en is uitgesproken op 15 december 2025.