RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/402402 / HA ZA 24-191
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.C.C.A.M. Kuijken,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,3. [gedaagde 3],
te [plaats] ,4. [gedaagde 4],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden 1 t/m 4]
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ,
advocaat: mr. S.R. Baetens (voorheen: mr. S.H. Oosterhuis-Broers),
met als op de voet van artikel 118 Rv in het geding geroepen partijen:
5. [gedaagde 5] ,
te [plaats] ,
6. [gedaagde 6],
te [plaats] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 5] en [gedaagde 6] ,
advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats,
en
7. [gedaagde 7] ,
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 7] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Op 16 juli 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen in deze zaak. Daarin staan de processtukken opgesomd die tot dat moment tussen partijen gewisseld zijn.
De rechtbank heeft [eiser] bij dit tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om de kappers van erflaatster ( [gedaagde 5] en [gedaagde 6] ) en de pedicure van erflaatster ( [gedaagde 7] ) op de voet van artikel 118 Rv op te roepen. [eiser] heeft dat gedaan bij exploot van 5 augustus 2025.
[gedaagde 7] is niet verschenen in de procedure. Tegen haar is verstek verleend.
[gedaagde 5] en [gedaagde 6] zijn wel verschenen in de procedure doordat mr. Slaats zich voor hen heeft gesteld. Zij hebben een akte met productie ingediend waarin zij de vorderingen van [eiser] onderschrijven. [eiser] en [gedaagden 1 t/m 4] hebben daarop gereageerd bij akte van 24 september 2025.
Ten slotte is beslist dat vandaag vonnis zal worden gewezen in deze zaak.
2. De verdere beoordeling
De rechtbank blijft bij wat zij heeft overwogen en beslist bij tussenvonnis van 16 juli 2025. Bij dit tussenvonnis heeft de rechtbank al beslist op de reconventionele vorderingen van [gedaagden 1 t/m 4] Deze vorderingen worden afgewezen.
Is het testament van erflaatster van 17 maart 2023 nietig?
Ter beoordeling ligt nog voor de geldigheid van het testament van erflaatster van 17 maart 2023.
Wat vindt [eiser] ?
[eiser] stelt dat het testament nietig is, omdat erflaatster op het moment van testeren niet in staat was om haar keuzes zowel rationeel als emotioneel te overzien. Zij verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 25 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:307). Voor de onderbouwing van haar stelling voert [eiser] aan dat erflaatster ten tijde van het testeren een hoge leeftijd had (91 jaar), hulpafhankelijk was, en bovendien leed aan dementie. Dat sprake was van dementie, blijkt volgens [eiser] uit de brief die de heer [A] , specialist ouderengeneeskunde bij [bedrijfsnaam A] , op 24 april 2023 aan notaris [C] heeft geschreven. [eiser] stelt dat mevrouw [B] , ouderengeneeskundig specialist, dit bij brief van 29 augustus 2023 aan de huisarts van erflaatster heeft bevestigd. [eiser] vindt verder nog van belang dat i) notaris [D] niet op initiatief van erflaatster is benaderd, (ii) de afspraak met notaris [D] voor erflaatster een verassing was, en (iii) dat de afspraak met notaris [D] bij erflaatster thuis plaatsvond. Ten slotte stelt [eiser] dat notaris [D] het “Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening” (hierna: het Stappenplan) niet heeft gevolgd voor het verlijden het testament van 17 maart 2023.
Wat vinden [gedaagden 1 t/m 4] ?
[gedaagden 1 t/m 4] brengen hiertegen in dat [gedaagde 1] op verzoek van erflaatster contact heeft gezocht met notaris [D] , die verbonden is aan het bij erflaatster bekende notariskantoor Marks Wachters. Zij stellen dat de achterliggende reden hiervan was dat erflaatster meerdere malen aan [gedaagde 1] te kennen had gegeven dat zij een fout wilde herstellen, dat ze dom was geweest, maar dat de papieren bij haar kappers lagen. Volgens [gedaagden 1 t/m 4] was van een onverwachts bezoek dan ook geen sprake. Verder voeren [gedaagden 1 t/m 4] aan dat [gedaagde 1] niet op de hoogte was van het eerdere testament van erflaatster en dat hij alleen bij het eerste gesprek tussen erflaatster en de notaris aanwezig is geweest. Volgens [gedaagden 1 t/m 4] heeft erflaatster na de bespreking met de notaris een concept van het testament ontvangen en heeft zij deze samen met de notaris doorgenomen, waarbij de notaris ook het Stappenplan heeft gevolgd. Onder verwijzing naar een e-mail van notaris [D] en de aantekeningen die hij heeft gemaakt van zijn bezoeken aan erflaatster stellen [gedaagden 1 t/m 4] dat de notaris geen enkele twijfel had bij de wilsbekwaamheid van erflaatster.
De verklaring van [A] doet hier volgens [gedaagden 1 t/m 4] niets aan af. Hierbij wijzen [gedaagden 1 t/m 4] erop dat deze verklaring niets zegt over de wilsbekwaamheid van erflaatster op 17 maart 2023, omdat de verklaring dateert van meer dan een maand na het testeren. Volgens [gedaagden 1 t/m 4] is er in de weken erna ontzettend veel gebeurd in het leven van erflaatster en is zij enorm onder druk gezet, beïnvloed en gemanipuleerd door [eiser] . Ook merken zij op dat [A] werkzaam is bij Vitalis, de werkgever van [eiser] . [gedaagden 1 t/m 4] wijzen er ten slotte op dat uit de verklaring van [A] volgt dat erflaatster ten tijde van het onderzoek door [A] op 18 april 2023 een helder bewustzijn had, er geen
geheugenproblemen of oriëntatiestoornissen geconstateerd zijn, en er slechts milde
cognitieve problemen geconstateerd werden. Volgens [gedaagden 1 t/m 4] schuilde de door de heer [A] geconstateerde wilsonbekwaamheid ten aanzien van het testeren vooral in het niet in staat zijn om consequente keuzes te maken. [gedaagden 1 t/m 4] stellen dat zij dit wel kunnen plaatsen na alles wat er na 17 maart 2023 gebeurd is, maar dat dit niet kan worden toegeschreven aan een onderliggende aandoening. Hierbij tekenen [gedaagden 1 t/m 4] aan dat daarvan ook niets blijkt uit de overgelegde verklaringen. [gedaagden 1 t/m 4] wijzen erop dat [eiser] weliswaar stelt dat sprake was van dementie, maar dat [eiser] deze stelling niet heeft onderbouwd met stukken. Hierbij tekenen [gedaagden 1 t/m 4] aan dat, zelfs al zou er sprake zijn geweest van dementie, dit nog niet direct wil zeggen dat erflaatster wilsonbekwaam is geweest. Dementie komt namelijk voor in allerlei gedaantes en gradaties, aldus [gedaagden 1 t/m 4]
[gedaagden 1 t/m 4] stellen verder dat van zorgafhankelijkheid geen sprake was. In dit verband wijzen zij erop dat erflaatster nog zelfstandig woonde en verder ook geen professionele zorg kreeg.
Over de brief van mevrouw [B] aan de huisarts van erflaatster van 29 augustus 2023 merken [gedaagden 1 t/m 4] op dat deze brief een half jaar na het testeren is opgesteld en dat erflaatster in de tussenliggende periode snel achteruit is gegaan. [gedaagden 1 t/m 4] stellen dat het verschil met de vrouw die zij was in maart 2023, maar ook tijdens de zitting over het beschermingsbewind in juni 2023, groot was. De brief van mevrouw [B] zegt volgens [gedaagden 1 t/m 4] dan ook niets over
de gesteldheid van erflaatster op 17 maart 2023.
De conclusie van [gedaagden 1 t/m 4] is dat erflaatster wilsbekwaam was op het moment van testeren en dat de notaris zijn taak zorgvuldig heeft uitgevoerd. [gedaagden 1 t/m 4] menen dan ook dat het testament van erflaatster niet nietig is op de voet van artikel 3:34 BW, zodat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.
Wat vinden [gedaagde 5] en [gedaagde 6] ?
[gedaagde 5] en [gedaagde 6] zijn van mening dat het testament van 17 maart 2023, verleden door notaris [D] , vernietigd dient te worden, omdat dit testament niet overeenkomt met de aan hen bekende en bestendige wil van erflaatster. [gedaagde 5] en [gedaagde 6] hebben een persoonlijke toelichting overgelegd als productie 1 bij hun akte. Hierin geven zij - kort gezegd - aan dat wat in het testament van 2020 stond de laatste wil van erflaatster was. Volgens [gedaagde 5] en [gedaagde 6] wilde erflaatster niet wat er in 2023 is opgeschreven.
Wat oordeelt de rechtbank?
De rechtbank overweegt dat de vraag of erflaatster ten tijde van het opmaken van haar testament op 17 maart 2023 wilsbekwaam was, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van artikel 3:34 lid 1 BW. Artikel 3:34 lid 1 BW luidt als volgt:
‘‘Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waarde ring der bij de handeling betrokken belangen belet te, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.’’
Uit de tweede zin van lid 2 van artikel 3:34 BW volgt dat het ontbreken van wil een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen was gericht, zoals een uiterste wilsbeschikking, nietig maakt. In tegenstelling tot wat [eiser] – getuige haar primaire vordering – stelt, kan van vernietigbaarheid op de door haar genoemde grond dan ook geen sprake zijn. Voor zover de vordering van [eiser] strekt tot vernietiging van het testament, wordt deze dan ook afgewezen. Voor zover [eiser] stelt dat het testament nietig is, overweegt de rechtbank als volgt.
Wie zich erop beroept dat bij de erflaatster in verband met een stoornis van diens geestesvermogens de wil tot het opmaken van de uiterste wilsbeschikking ontbrak, zal – gelet op de bewijsvermoedens van artikel 3:34 lid 1 BW (‘geacht te ontbreken’) – ermee kunnen volstaan te stellen en zo nodig te bewijzen dat de erflaatster ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking leed aan een geestelijke stoornis en voorts dat deze stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen belette ofwel dat de wilsverklaring onder invloed van de geestelijke stoornis is gedaan. Aan de stelplicht en bewijslast is in de regel voldaan door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt.
Nu [eiser] aanvoert dat erflaatster op 17 maart 2023 bij het opstellen van haar testament niet in staat was om haar wil te bepalen als gevolg van dementie, in combinatie met de andere door [eiser] aangedragen omstandigheden, rust op haar de stelplicht en zo nodig de bewijslast van die stelling. Dit betekent dat [eiser] voldoende feiten dient aan te voeren waaruit blijkt dat de gestelde stoornis een redelijke waardering van de betrokken belangen belette of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van haar testament onder invloed van die stoornis is gedaan. Bij die beoordeling kunnen ook feiten en omstandigheden die zijn voorafgegaan aan, of zijn gevolgd op, het passeren van het testament van belang zijn.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagden 1 t/m 4] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat erflaatster ten tijde van het verlijden van het testament op 17 maart 2023 leed aan dementie en dat dit een redelijke waardering van de betrokken belangen belette of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van haar testament onder invloed van die stoornis is gedaan.[eiser] beroept zich allereerst op de verklaring van de heer [A] . Van belang is dat zich twee verklaringen van [A] in het dossier bevinden. De ene verklaring is gericht aan notaris [C] en de andere verklaring is opgesteld ten behoeve van de afdeling Toezicht van deze rechtbank. Geen van beide verklaringen bieden naar het oordeel van de rechtbank steun aan de stelling dat erflaatster leed aan dementie, laat staan in een mate dat het in de weg stond aan de vrije wilsvorming van erflaatster. In dit verband is van belang dat de heer [A] in beide verklaringen schrijft dat erflaatster een helder bewustzijn had en dat sprake was van milde cognitieve problemen. Verder volgt uit de verklaring die gericht is aan de afdeling Toezicht dat geen sprake was van geheugenproblemen en oriëntatiestoornissen, maar dat erflaatster moeite had met het behouden van het financiële overzicht en dat ze kwetsbaar was voor financieel misbruik door derden.
Ook de brief van mevrouw [B] aan de huisarts van erflaatster biedt onvoldoende steun aan de stelling dat erflaatster op 17 maart 2023 leed aan dementie en dat dit een redelijke waardering van de betrokken belangen belette of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van haar testament onder invloed van die stoornis is gedaan. Zoals ook [gedaagden 1 t/m 4] hebben aangevoerd, is deze brief pas een half jaar na het testeren opgesteld en staat in de brief dat erflaatster met name de laatste tijd (dus medio september 2023) hard achteruit ging, zowel fysiek als cognitief. Het feit dat in september 2023 dementie is vastgesteld bij erflaatster, brengt niet noodzakelijkerwijs met zich mee dat dit bij erflaatster ten tijde van het passeren van het testament op 17 maart 2023 een redelijke waardering van de betrokken belangen belette of dat zij de verklaring die heeft geleid tot het passeren van het testament onder invloed daarvan heeft gedaan. Een medische verklaring die hierin inzicht verschaft, is door [eiser] ook niet in het geding gebracht.
De stelling van [eiser] dat zij vermoedt dat notaris [D] het Stappenplan niet heeft toegepast, heeft zij in het licht van de overgelegde e-mail van notaris [D] met bijbehorende notities onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft geen feiten gesteld die aantonen dat notaris [D] ten onrechte niet heeft getwijfeld aan het vermogen van erflaatster om een uiterste wil te maken. De beoordeling van de vrije wilsvorming moet worden onderscheiden van die van de wilsbekwaamheid. Beide staan desalniettemin niet helemaal los van elkaar. De zelfstandige wilsvorming is ook onderdeel van de beoordeling van de notaris van de wilsbekwaamheid van een testateur. Een testateur die fysiek en/of mentaal kwetsbaar is, kan een verhoogde vatbaarheid voor beïnvloeding hebben. Als er door beïnvloeding niet of nauwelijks zelfstandige wilsvorming mogelijk is, dan kan dit tot de beoordeling wilsonbekwaamheid leiden. Uit de overgelegde notities van notaris [D] blijkt dat hij daar ook aandacht voor heeft gehad en dat hij op basis daarvan geen reden had om aan te nemen dat erflaatster wilsonbekwaam was. Zo staat in de notities van notaris [D] :
‘‘Check gedaan of hier sprake is van ouderenmisbruik door [gedaagde 1] (of zijn broers/moeder): signaal dat oma niet zelfde afspraak maakt en [gedaagde 1] bij de eerste bespreking aanwezig was. Contrasignaal: oma is helder van geest, formuleert zelfstandig en consistent haar wens en lijkt te lijden onder de situatie zoalng er geen testament is opgesteld waarin haar kleinzonen de belangrijkste erfgenamen zijn. Conclusie: geen reden om aan te nemen dat mevrouw wilsonbekwaam is. Ook geen reden om getuigen in te zetten.’’
Voor zover [eiser] nog aanvoert dat niet van te voren met erflaatster was gesproken over de inhoud van het testament en dat het initiatief niet bij haar lag, wijst de rechtbank ook op de hiervoor genoemde notities van notaris [D] , die heeft verklaard dat hij buiten aanwezigheid van [gedaagde 1] met erflaatster heeft gesproken over haar wil en over de consequenties daarvan en zich er duidelijk van heeft vergewist dat dit daadwerkelijk haar wil was.
Ten slotte heeft [eiser] voor de onderbouwing van haar stellingen nog gewezen op de hoge leeftijd van erflaatster, haar hulpafhankelijkheid en het feit dat de gesprekken met notaris [D] bij erflaatster thuis plaatsvonden. Nog daargelaten dat onder meer uit de verklaring van mevrouw [B] volgt dat erflaatster vrijwel tot het laatst zelfstandig woonde, is dit zonder nadere motivering, die [eiser] niet heeft gegeven, onvoldoende om te concluderen dat deze omstandigheden maken dat sprake was van een geestelijke stoornis van erflaatster en op de eventuele invloed van deze stoornis op de bekwaamheid van erflaatster tot waardering van de bij het testament van 17 maart 2023 betrokken belangen.
De verklaringen van [gedaagde 6] en [gedaagde 5] , die allebei schrijven dat het testament vernietigd moet worden vanwege wilsonbekwaamheid van erflaatster, leggen in het licht van het voorgaande onvoldoende gewicht in de schaal. In de persoonlijke toelichting van [gedaagde 6] en [gedaagde 5] geven zij weliswaar aan dat het testament van 2023 niet de laatste wil van erflaatster weergeeft, maar zij voeren geen feiten aan die de stelling van [eiser] ondersteunen dat erflaatster ten tijde van het verlijden van het testament op 17 maart 2023 leed aan dementie en dat dit een redelijke waardering van de betrokken belangen belette of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van haar testament onder invloed van die stoornis is gedaan.
Nu niet kan worden vastgesteld dat erflaatster wilsonbekwaam was op 17 maart 2023, is van nietigheid van het testament geen sprake. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
De proceskosten
Gelet op het feit dat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten – zowel in conventie als in reconventie – tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank,
in conventie en in reconventie:
wijst de vorderingen af;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.