ECLI:NL:RBOBR:2025:8255

ECLI:NL:RBOBR:2025:8255, Rechtbank Oost-Brabant, 17-12-2025, C/01/400258 / HA ZA 24-23 en C/01/404651 / HA ZA 24-328

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer C/01/400258 / HA ZA 24-23 en C/01/404651 / HA ZA 24-328
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vordering uit hoofde van een gestelde garantie en aansprakelijkheid hypotheekadviseur en bank.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Vonnis van 17 december 2025

in de hoofdzaak met zaak- en rolnummer: C/01/400258 / HA ZA 24-23 van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

LIBERTY MUTUAL INSURANCE EUROPE S.E.,

gevestigd te Leudelange (Luxemburg),

eisende partij,

hierna te noemen: Liberty,

advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker,

tegen

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ,

advocaat: mr. R. Hartman.

en in de vrijwaringszaak met zaak- en rolnummer: C/01/404651 / HA ZA 24-328 van

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ,

te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ,

advocaat: mr. R. Hartman,

tegen

1. [gedaagde 1 in 24-328] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. M.H. Pluymen,

hierna te noemen: [gedaagde 1 in 24-328] ,2. ING BANK N.V.,

te Amsterdam,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

hierna te noemen: ING,

gedaagde partijen,

De zaken in het kort

De hoofdzaak draait om de vraag of Liberty een vordering heeft op [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] wegens een in opdracht van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] jegens derden gestelde en aan hen uitbetaalde garantie. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en veroordeelt [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] tot betaling aan Liberty van het garantiebedrag onder aftrek van een door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] gedane deelbetaling.

De vrijwaringszaak draait om de vraag of [gedaagde 1 in 24-328] en ING tekortgeschoten zijn in de nakoming van verbintenissen jegens [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] en gehouden zijn om aan [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] te betalen datgene waartoe [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] als gedaagde in de hoofdzaak jegens Liberty mocht worden veroordeeld. De rechtbank beantwoordt beide vragen ontkennend en wijst de vorderingen van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] af.

In de hoofdzaak

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het incidenteel vonnis van 24 april 2024 met de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de conclusie van antwoord met producties 11 tot en met 13;

- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de op voorhand genomen akte houdende aanvulling van eis tevens akte houdende overlegging producties van 16 juni 2025 met producties 13 tot en met 16;

- de op voorhand toegestuurde spreekaantekeningen van Liberty (met nog een productie, zijnde een schriftelijke volmacht tussen Liberty als volmachtgever en Liberty Mutual Surety Europe B.V. als gevolmachtigde) en van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] .

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2025. De rechtbank heeft aangegeven de wegens de gevoegde behandeling met de vrijwaringszaak tussen [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] en [gedaagde 1 in 24-328] en ING op 12 juni 2025 op voorhand toegestuurde spreekaantekeningen te beschouwen als aktes die zijn genomen. De advocaten hebben ze niet voorgelezen, maar hebben wel kunnen reageren op de op voorhand toegestuurde spreekaantekeningen van de wederpartij. De bij de mondelinge behandeling aanwezige waarnemer van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] advocaat, mr. B.A. Huygen, heeft bevestigd de spreekaantekeningen van Liberty’s advocaat en de daarbij als productie overgelegde volmacht tijdig te hebben ontvangen en heeft tegen de overlegging daarvan geen bezwaar gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft als koper in februari 2023 een koopovereenkomst gesloten voor de koop van een woning te [plaats] (de “woning”). Op grond van de koopovereenkomst diende [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ten behoeve van de verkopers van de woning (de “verkopers”), waaronder zijn zus, uiterlijk op 3 april 2023 een waarborgsom van € 58.000 te betalen of voor dat bedrag een bankgarantie te stellen en zou de woning uiterlijk op 10 april 2023 worden geleverd. Deze data zijn een aantal keren verschoven, voor het laatst tot 23 mei 2023 (waarborgsom/garantie) respectievelijk 1 juni 2023 (levering).

Op 17 mei 2023 heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] via een digitaal kanaal van Nationale Waarborg een bankgarantie van € 58.000 aangevraagd. De garantieopdracht is via dit digitale kanaal aan [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] toegezonden en door hem ondertekend.

De garantieopdracht vermeldt [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] als “Koper” en de verkopers als “verkoper(s)”. Verder zijn Nationale Waarborg B.V. als “Agent” en “Liberty Mutual Insurance Europe SE gevestigd te Amsterdam.” als “Garant” in de opdracht vermeld. In de garantieopdracht wordt onder andere wordt bepaald:

“- dat de agent zorg draagt voor een correcte uitvoering van de garantieopdracht door de garant en de garantiekosten int;

- dat de garant bereid is om op verzoek van de koper de garantie, ter grootte van het garantiebedrag, te stellen;”

"2) De koper verklaart zich uitdrukkelijk akkoord met de inhoud van de garantie en de daarin op te nemen bepaling dat de garant op eerste aangetekende schriftelijke verzoek van de notaris zorg zal dragen voor betaling aan de notaris, zonder enige verdere verplichting van de garant om de juistheid van de vordering nader te onderzoeken. (...)

4) De koper verbindt zich:

A. onmiddellijk nadat de garant op grond van de garantie betalingen heeft gedaan, die bedragen aan de garant te voldoen;

B. op eerste verzoek van de garant te betalen al hetgeen waarvoor de garant in verband met de garantie in of buiten rechte is aangesproken, ook al zouden deze bedragen nog niet door de garant zijn betaald (...).

5) Indien de koper niet voldoet aan de betalingsverplichtingen, als omschreven in bovengenoemde artikelen, zal de koper onmiddellijk in verzuim zijn zonder dat ingebrekestelling of enige andere formaliteit zal zijn vereist. Alle kosten die door de agent en de garant worden gemaakt ter incasso van haar vordering op de koper, waaronder juridische kosten, de kosten van een deurwaarder en/of de kosten van een incassobureau, zijn geheel voor rekening van de koper."

Op 1 juni 2023 heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] de woning niet afgenomen en is hij door de verkopers in gebreke gesteld en gemaand de woning uiterlijk 9 juni 2023 af te nemen. Dat heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet gedaan. Op 15 juni 2023 hebben de verkopers de koopovereenkomst ontbonden en aanspraak gemaakt op een contractuele boete van € 58.000. Via de notaris die was belast met het transport van de woning hebben zij de namens [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] gestelde bankgarantie ingeroepen en deze is aan hen door Liberty Mutual Surety Europe B.V. (“LMSE”) uitbetaald.

Liberty heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] aangesproken tot terugbetaling van het aan verkopers betaalde bedrag. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft dit geweigerd en is daarop door Liberty gedagvaard.

3. Het geschil

Liberty vordert, kort samengevat, veroordeling van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] tot betaling van € 59.133,50, te vermeerderen van wettelijke rente, en veroordeling van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] in de proceskosten.

Liberty legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij op grond van de door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] aan haar gegeven garantieopdracht ten behoeve van de verkopers een bankgarantie heeft gesteld voor € 58.000 en dat de verkopers na de ontbinding van de koopovereenkomst de bankgarantie hebben ingeroepen. Liberty heeft € 58.000 aan de verkopers betaald en op grond van de garantieopdracht is [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] gehouden de door Liberty op grond van de garantie gedane betalingen aan Liberty te voldoen, vermeerderd met € 500 garantiekosten. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft slechts tweemaal € 500 betaald, aldus Liberty. Liberty maakt naast aanspraak op betaling van het resterende bedrag van € 57.500 ook aanspraak op € 1.633,50 voor buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] voert verweer. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] betwist onder andere met Liberty een overeenkomst te hebben gesloten, dat de verkopers van de woning rechtsgeldig de ten behoeve van hen gestelde bankgarantie hebben ingeroepen en dat Liberty onder die bankgarantie € 58.000 heeft uitbetaald. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van Liberty dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Liberty en verzoekt subsidiair om matiging van de gevorderde buitengerechtelijke kosten, een en ander met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Liberty in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De rechtsmacht van de Nederlandse rechter

In het incidenteel vonnis van 24 april 2024 heeft de rechtbank al bepaald dat de Nederlandse rechter in deze procedure bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen en dat daarom het Nederlands procesrecht van toepassing op de onderhavige procedure.

De te behandelen thema’s en opbouw van dit vonnis

Deze procedure kan worden opgesplitst in vier thema’s.

- Is tussen Liberty en [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] een overeenkomst/garantieopdracht tot stand gekomen?

- Hebben de verkopers rechtsgeldig Liberty aangesproken tot uitbetaling van de door Liberty gestelde garantie?

- Heeft Liberty aan de verkopers betaald en een corresponderend vorderingsrecht op [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ?

- Dienen de vorderingen van Liberty ter zake van hoofdsom, buitengerechtelijke invorderingskosten en rente toegewezen te worden?

Hierna zullen deze thema’s in de bovengenoemde volgorde puntsgewijs worden besproken.

Eerste thema: is tussen Liberty en [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] een overeenkomst/garantieopdracht tot stand gekomen?

De rechtbank oordeelt dat tussen Liberty en [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] een overeenkomst/garantieopdracht tot stand is gekomen en werkt dat hieronder uit.

Niet in geschil is dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] een garantieopdracht heeft gegeven om ten behoeve van de verkopers een bankgarantie te stellen van € 58.000. Wel in geschil is of hij die opdracht heeft gegeven aan Liberty.

Liberty stelt dat tussen haar en [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] een overeenkomst/garantieopdracht tot stand gekomen is en onderbouwt die stelling als volgt.

a. Liberty verwijst naar het als productie 2 overgelegde document, getiteld “Garantieopdracht Bankgarantie bestaande bouw”. In de koptekst van dat document staan de woord/beeldmerken “HYPOTHEEKVISIE” EN “NATIONALE WAARBORG”. In het document is [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] vermeld als “Koper” en zijn de verkopers vermeld als “verkoper(s)”. Het document vermeldt verder Nationale Waarborg B.V. als “Agent” en als “Garant” “Liberty Mutual Insurance Europe SE gevestigd te Amsterdam.” alsmede dat de agent de bankgarantie afhandelt.

b. Liberty verwijst naar een als productie 3 overgelegde uitdraai van het digitale aanvraagproces dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft doorlopen en waarmee hij de garantieopdracht digitaal heeft ondertekend;

c. Liberty verwijst naar haar ondernemingsstructuur in Nederland, waarin voor de feitelijke uitvoering van de activiteiten een belangrijke rol is weggelegd voor haar dochtermaatschappijen LMSE en Nationale Waarborg B.V., en verwijst daarbij naar de voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog als productie overgelegde Engelstalige volmacht tussen Liberty als volmachtgever en LMSE als gevolmachtigde. Op grond van die volmacht is LMSE bevoegd “to do everything with regard to the exercise of the insurance business, which consists of issuing bonds and guarantees, in The Netherlands and Belgium as a representative of Liberty Mutual Insurance Europe SE, and in that context to exercise all rights of Liberty Mutual Insurance Europe SE and fulfil all obligations of Liberty Mutual Insurance Europe SE.”

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft ter betwisting van de door Liberty gestelde overeenkomst het volgende betoogd:

a.“Liberty Mutual Insurance Europe SE gevestigd te Amsterdam” is een niet bestaande partij, omdat Liberty (KvK-nummer 34252275) statutair in Leudelange (Luxemburg) gevestigd is en kantoor houdt in Den Haag. Zij is niet in Amsterdam gevestigd en houdt daar ook geen kantoor;

b. In Amsterdam is wel gevestigd LMSE (KvK-nummer 75108186), met als handelsnamen Liberty Mutual Surety, Nationale Borg en Liberty Mutual.

c. Niet gebleken is (van een overeenkomst waaruit volgt) dat Nationale Waarborg B.V. “Liberty Mutual Insurance Europe SE gevestigd te Amsterdam.” vertegenwoordigd heeft.

Het antwoord op de vraag wie contractspartij bij een overeenkomst is, is afhankelijk van hetgeen de feitelijk handelende betrokkenen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mogen afleiden. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.

Deze maatstaf toepassend op de hierboven achter 4.3.2 en 4.3.3 vermelde omstandigheden kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat de garantieopdracht tot stand gekomen is met Liberty. Deze is immers met haar volledige statutaire naam vermeld als garant. De vermelding “gevestigd te Amsterdam” als aanduiding van haar statutaire zetel of plaats waar Liberty kantoor zou houden is niet kenmerkend voor de identificatie van de rechtspersoon. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft niet betwist dàt hij de garantie opdracht heeft gegeven maar heeft niet aangegeven met welke andere in deze zaak voorkomende rechtspersoon hij dan wèl een overeenkomst zou hebben gesloten indien Liberty niet zijn wederpartij zou zijn. Hooguit heeft hij gewezen op mogelijke verwarring met LMSE, maar daarover heeft de rechtbank in het incidenteel vonnis al geoordeeld dat de namen van de rechtspersonen weliswaar allebei “Liberty” bevatten maar verder duidelijk verschillen (‘Insurance Europe SE’ versus ‘Surety Europe B.V.’). De garantieopdracht vermeldt Nationale Waarborg B.V. als agent, maar dat is niet de contractspartij, dus ook in die zin kan geen verwarring zijn ontstaan.

Liberty heeft onweersproken gesteld dat LMSE een samenwerkingsovereenkomst heeft met Nationale Waarborg B.V., op basis waarvan deze laatste bemiddelt bij het afgeven van garanties en deze ook afhandelt. De rechtbank neemt dit dan ook als vaststaand aan. Dit vaststaande feit in combinatie met de door Liberty voor de mondelinge behandeling overgelegde volmacht tussen Liberty als volmachtgever en LMSE als gevolmachtigde leidt ertoe dat Nationale Waarborg B.V. Liberty kon vertegenwoordigen en dat de hierboven achter 4.3.3 c. vermelde betwisting geen hout snijdt. De rechtbank oordeelt dan ook dat de garantieopdracht tot stand is gekomen tussen Liberty en [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] .

Tweede thema: hebben de verkopers rechtsgeldig Liberty aangesproken tot betaling onder de door Liberty gestelde garantie?

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft bij wijze van verweer tegen Liberty’s vordering zonder verdere onderbouwing wel gesteld dat (i) de bankgarantie door Liberty ten onrechte is uitgekeerd en dat (ii) een rechtmatig verzoek tot uitkering van de bankgarantie ontbreekt, maar dat verweer c.q. die betwisting houdt geen stand. De rechtbank overweegt daarover het navolgende.

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] verweer ten aanzien van de rechtsgeldigheid van een trekkingsverzoek miskent dat de door Liberty te stellen garantie een abstracte bankgarantie zou zijn, die Liberty zou verplichten zonder nader onderzoek van de onderliggende claim tot uitkering over te gaan. De rechtbank verwijst naar de in de garantieopdracht opgenomen bepaling

“dat de garant op eerste aangetekende schriftelijke verzoek van de notaris zorg zal dragen voor betaling aan de notaris, zonder enige verdere verplichting van de garant om de juistheid van de vordering nader te onderzoeken.”

Op grond van deze bepaling behoefde Liberty dus niet te controleren of het inroepen van de bankgarantie in de onderliggende rechtsverhouding tussen verkopers en [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] terecht of onterecht was en diende zij in haar relatie met de verkopers na het inroepen van de bankgarantie uit te keren zonder de claim te onderzoeken.

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die Liberty ondanks abstracte karakter van de bankgarantie toch hadden moeten weerhouden van het uitkeren daarvan. De rechtbank passeert daarom het verweer dat de bankgarantie ten onrechte is uitgekeerd.

Liberty heeft naar aanleiding van de betwisting door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] dat een verzoek tot uitkering van de bankgarantie zou zijn gedaan bij akte als productie 13 een overzicht overgelegd van het digitale dossier dat van de bankgarantie werd bijgehouden in het online systeem “Notarisnet”. Liberty heeft onbetwist gesteld dat het inroepen van bankgaranties in de praktijk via dat beveiligd systeem geschiedt, doordat de notaris in dat systeem aan Nationale Waarborg melding maakt van het inroepen van de bankgarantie. De rechtbank neemt die werkwijze dan ook als vaststaand feit aan.

Het overgelegde overzicht vermeldt:

“15-06-2023 15:36 Ingeroepen

Door Notaris

Verkoper ontbindt koopovereenkomst na ingebrekestelling”

Liberty heeft bij dezelfde akte ook een e-mailbericht van notariskantoor [A] uit [plaats] van 4 juni 2025 overgelegd. In dat e-mailbericht schrijft de notarisklerk aan de advocaat van Liberty:

“Wij hebben op 15 juni 2023 een bevestiging van Nationale Waarborg ontvangen inzake het inroepen van de bankgarantie.

Bij het inroepen (via de site van Nationale Waarborg) hebben wij de ingebrekestelling (verzonden op1 juni 2023) en de ontbinding van de koopovereenkomst met daarin de eis voor uitbetaling van de 10% aan de verkopende partij (verzonden op 15 juni 2023) als bijlage reeds verstrekt aan uw cliente (Nationale Waarborg). (…)

Dat deze documenten/bijlagen zijn verstrekt aan uw cliente is ook zichtbaar op de bevestiging van de inroeping. (…)

Het inroepen en uitbetalen van de 10% aan de verkopende partij is door ons verricht op grond van de ingebrekestelling, gevolgd door de ontbinding van de koopovereenkomst (…).

Tevens kunnen wij aan u verklaren dat wij op 14 en 15 juni 2023 telefonisch en per mail contact hebben gehad met de heer [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] , waarin door ons duidelijk is aangegeven dat de bankgarantie door ons zou worden ingeroepen bij Nationale Waarborg en daarna conform de eis in de ontbinding van de koopovereenkomst zou worden uitbetaald aan de verkopende partij. Dit was de heer [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] volledig duidelijk.

Vervolgens hebben wij op 23 juni 2023 wederom zowel telefonisch als per mail aangegeven dat wij voornemens waren de 10% over te boeken naar de verkopende partij, en ook gemeld dat wij dit hebben uitgevoerd. Dit was dus allemaal duidelijk bij de heer [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] .”

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft deze stukken niet betwist, zodat de rechtbank het inroepen van de bankgarantie op 15 juni 2023 als vaststaand feit aanneemt.

Het inroepen van de bankgarantie is weliswaar niet per aangetekende brief gebeurd, maar dat doet niet af aan de rechtmatigheid van het verzoek tot uitbetaling van de bankgarantie. Anno 2025 is verzending van berichten langs digitale weg ingeburgerd en veelal sneller en veiliger dan verzending per post. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft in de visie van de rechtbank redelijkerwijs geen belang bij naleving van dat vormvereiste van een aangetekende brief.

Derde thema: heeft Liberty aan de verkopers van de woning betaald en een op grond van de garantieopdracht een corresponderend vorderingsrecht op [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ?

Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend.

Hierboven heeft de rechtbank al geoordeeld dat tussen Liberty en [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] een overeenkomst/garantieopdracht tot stand is gekomen. De betaling door LMSE aan de verkopers van € 58.000 is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als de uitvoering van de garantieopdracht door de garant als vermeld in de garantieopdracht. Daarom moet [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] op grond van artikel 4 van de garantieopdracht € 58.000 aan Liberty betalen.

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft betwist dat de betaling onder de bankgarantie is gedaan door Liberty en heeft erop gewezen dat LMSE via de notaris de garantie heeft uitgekeerd, maar dat betoog baat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet gelet op de door Liberty gestelde en niet door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] betwiste volmacht- en samenwerkingsstructuur van de Libertygroep in Nederland. Binnen deze structuur werken Liberty en haar dochtermaatschappijen LMSE en Nationale Waarborg B.V., naar Liberty onweersproken heeft gesteld, samen bij het aangaan van garantieopdrachten en het verstrekken en uitvoeren van garanties. De rechtbank verwijst op dit punt ook naar de door Liberty voorafgaand aan de mondelinge behandeling overgelegde volmacht aan LMSE, hierboven weergegeven achter 4.3.2. Op grond van die volmacht kan LMSE optreden als vertegenwoordiger van Liberty en de verplichtingen van Liberty uit afgegeven garanties nakomen en aldus valt de betaling door LMSE toe te rekenen aan Liberty. De rechtbank verwijst op dit punt ook naar de niet door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] betwiste stelling van Liberty tijdens de mondelinge behandeling dat deze betalingen van LMSE worden doorbelast aan Liberty.

Vierde thema: dienen de vorderingen van Liberty ter zake van hoofdsom, buitengerechtelijke invorderingskosten en rente toegewezen te worden?

Liberty vordert in deze procedure betaling van € 57.500 ter zake van hoofdsom en van €1.633,50 voor buitengerechtelijke kosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2023. De rechtbank zal deze vorderingen hieronder behandelen.

Hoofdsom

De vordering ter zake van de hoofdsom is toewijsbaar. Uit het hiervoor gestelde volgt immers dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] op grond van de met Liberty overeengekomen garantieopdracht aan Liberty € 500 garantiekosten moet betalen en € 58.000, terwijl [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] tweemaal € 500 heeft betaald.

Buitengerechtelijke incassokosten

Liberty vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, primair op grond van het incassokostenbeding van artikel 5 van de garantieopdracht, hierboven weergegeven achter 2.3, en subsidiair op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW.

Het incassobeding in artikel 5 van de garantieopdracht is weliswaar niet opgenomen in algemene voorwaarden, maar is een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en dat Liberty bij wijze van standaardbeding gebruikt terwijl het geen kernbeding is. Omdat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] een consument is, moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Het beding wijkt ten nadele van de wederpartij van Liberty af van de wettelijke regeling (meer specifiek artikel 6:96 lid 5 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit)) die zonder dit beding (dwingend) zou gelden. Het beding bepaalt immers “Alle kosten die door de agent en de garant worden gemaakt ter incasso van haar vordering op de koper, (…) zijn geheel voor rekening van de koper.”. De contractuele plicht tot vergoeding van incassokosten gaat daarmee buiten de maximumbedragen die gelden op grond van de wet en het Besluit en is daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. Liberty kan in dat geval geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.

Wettelijke rente

De gevorderde wettelijke rente zal over de hoofdsom worden toegewezen vanaf 16 juli 2023. Liberty vordert weliswaar onder verwijzing naar artikel 5 van de garantieopdracht wettelijke rente vanaf 15 juni 2023, maar zij miskent daarbij dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] blijkens de door Liberty zelf overgelegde productie 6 pas bij brief van 30 juni 2023 is geïnformeerd over het feit dat de bankgarantie was uitbetaald en dat hij in deze brief is aangemaand om binnen 15 dagen na bezorging van de brief te betalen, bij gebreke waarvan aanspraak zou worden gemaakt op de wettelijke rente. Gelet op die brief kan Liberty in rechte redelijkerwijs dan geen aanspraak maken op wettelijke rente vanaf 15 juni 2023.

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

Het incassobeding in de garantieopdracht ziet mede op te vorderen proceskosten. Het beding is hierboven als oneerlijk aangemerkt en dient buiten toepassing gelaten te worden. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de rechter geen proceskostenveroordeling kan uitspreken. Het buiten toepassing laten van het incassobeding leidt er alleen toe dat de rechter het contract tussen partijen niet op grond van wettelijke bepalingen kan aanvullen. De proceskostenveroordeling die wordt gevorderd, staat geheel los van de contractuele rechten en plichten van partijen jegens elkaar. De veroordeling is gebaseerd op artikel 237 Rv., en de rechter heeft ambtshalve de taak om over de toewijsbaarheid van de proceskosten te beslissen. Een partij behoeft een dergelijke veroordeling niet te vorderen.

De proceskosten van Liberty worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

129,86

- griffierecht

2.889,00

- salaris advocaat

2.428,00

(2 punten × € 1.214,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

5.624,86

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

In de vrijwaringszaak

5. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de akte overlegging producties van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] met 20 producties;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1 in 24-328] met 8 producties;- de conclusie van antwoord van ING met 19 producties;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- het bericht van mr. Pluymen namens [gedaagde 1 in 24-328] van 6 juni 2025 met producties 9 tot en met 11;

- de op voorhand toegestuurde spreekaantekeningen van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] , [gedaagde 1 in 24-328] en ING;- de mondelinge behandeling van 16 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2025. Wegens de gevoegde behandeling van deze vrijwaringszaak met de hoofdzaak tussen Liberty en [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft de rechtbank de advocaten van partijen verzocht op voorhand hun spreekaantekeningen aan elkaar en de rechtbank toe te zenden.. De advocaten hebben de op 12 juni 2025 op voorhand toegezonden spreekaantekeningen niet voorgelezen, maar hebben wel kunnen reageren op de op voorhand toegestuurde spreekaantekeningen van de wederpartij. De rechtbank heeft aangegeven het bericht van mr. Pluymen van 6 juni 2025 en de spreekaantekeningen te beschouwen als aktes die op voorhand zijn genomen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

6. De feiten

De hierboven in de hoofdzaak achter de kantnummers 2.1 tot en met 2.5 weergegeven feiten staan ook in de vrijwaringszaak vast. In aanvulling daarop staan in de vrijwaringszaak de navolgende feiten vast.

Met het oog op de financiering van de woning heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] begin april 2023 [gedaagde 1 in 24-328] verzocht hem hypotheekadvies te geven en te bemiddelen bij het verkrijgen van een hypothecaire lening. Op 12 april 2023 heeft [gedaagde 1 in 24-328] daartoe namens [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] bij ING een hypotheekaanvraag ingediend voor € 480.000. Het aanvraagformulier vermeldt, voor zover van belang:

ING heeft de hypotheekaanvraag diezelfde dag aan [gedaagde 1 in 24-328] bevestigd en verzocht om toezending van “recente salarisspecificatie(s)” en “originele werkgeversverklaring(en)” van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] . De brief van ING vermeldt verder

Op 18 april 2023 heeft [gedaagde 1 in 24-328] aan [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] bericht:

Beste heer [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ,

Graag ontvang ik nog de gevraagde stukken van u.

- werkgeversverklaring met een recente salarisstrook;

- de door alle partijen getekende koopovereenkomst;

- kopie recent bankafschrift met aantonen eigen middelen;

[gedaagde 1 in 24-328] heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] een op 26 april 2023 gedateerd adviesrapport toegezonden. Daarin is op diverse plaatsen voor 2023 een jaarinkomen vermeld van € 101.088, terwijl in de paragraaf “Van bruto naar besteedbaar inkomen” voor 2023 onder het kopje “Totaaloverzicht op basis van netto besteedbaar inkomen” voor 2023 een “huidig besteedbaar inkomen” is vermeld van € 45.401.

De disclaimer van het rapport vermeldt:

“Dit advies is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld op basis van de door u aangeleverde gegevens/informatie.”

Op 8 mei 2023 heeft ING een “Offerte ING hypotheek” uitgebracht aan [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] . Deze offerte vermeldt:

Op pagina 1 onder het kopje “Uw gegevens”:

Jaarinkomen loondienst vast € 108.888,00

op pagina 11 onder het kopje “Ondertekening”:

"Door het ondertekenen van deze offerte komt er een kredietovereenkomst tot stand tussen u en ING. De getekende offerte en de bijbehorende voorwaarden vormen samen de kredietovereenkomst. Deze kredietovereenkomst is zowel voor u als voor ING bindend".

En

“Ik verklaar dat de door mij of namens mij aangeleverde gegevens juist zijn en dat ik geen informatie heb achtergehouden die relevant is voor de verstrekking van deze hypotheek.

Ik verklaar dat ik dit hele document en de toepasselijke voorwaarden heb gelezen en begrepen en ga akkoord met de inhoud daarvan

Handtekening

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ”

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft het stuk op 16 mei 2023 ondertekend en geretourneerd. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft ook de vereiste Sepa-afschrijvingsmachtiging ten behoeve van ING ondertekend en toegezonden.

Op 17 mei 2023 heeft [gedaagde 1 in 24-328] namens [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] bij Nationale Waarborg een bankgarantie aangevraagd.

Op 19 mei 2023 heeft ING aan [gedaagde 1 in 24-328] en [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] bericht dat de hypotheekaanvraag is geaccepteerd en dat de benodigde stukken naar de notaris zijn gestuurd.

Op 27 mei 2023 heeft [gedaagde 1 in 24-328] [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] een e-mailbericht gestuurd waarin de heer [B] van [gedaagde 1 in 24-328] schrijft:

“Geachte heer [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] , beste [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ,

Gisteren is mijn kantoor benadert door de ING. Deze wenst een extra controle op uw dossier.

Graag ontvangt de met gepaste spoed de volgende stukken.

Salarisspecificaties van okt 2022 t/m mei 2023

Bankafschriften okt 2022 t/m mei 2023 ZONDER doorhalingen

(…)

UWV bericht niet ouder dan een week en gewaarmerkt.”

Op 30 mei 2023 (13.00) heeft [gedaagde 1 in 24-328] [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] een e-mailbericht gestuurd waarin de heer [B] schrijft:

“Geachte heer [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ,

Tot op heden heb ik alleen de bankafschriften van dit jaar. Graag ontvang ik de rest van de stukken.”

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft op 30 mei 2023 om 13.04 geantwoord:

“Goedemiddag

Ik heb alles naar u toe gemaild gisteren, welke stukken ontbreken dan nog?”

waarop [gedaagde 1 in 24-328] dezelfde dag om 14.51 weer heeft gereageerd:

“Geachte heer [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ,

Tot nu toe heb ik alleen 4 bankafschriften ABN-AMRO. De rest heb ik nog niet.”

Uiteindelijk heeft ING diverse salarisspecificaties, afschriften van een bankrekening van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] bij ABN AMRO Bank en een werkgeversverklaring ontvangen. Op de salarisspecificaties is de functie van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] omschreven als “Commercieel directeur” met een maandloon van € 7.800 bruto. Sommige loonstroken vermelden een datum van indiensttreding 1 september 2012 terwijl andere 1 februari 2019 vermelden. Volgens de werkgeversverklaring heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] in 2023 als commercieel directeur een totaal bruto jaarsalaris van € 108.888.

Op 9 juni 2023 heeft ING [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] bericht:

“Beste heer [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ,

Uw hypotheekaanvraag van 12 april 2023 kunnen wij niet honoreren.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met uw hypotheekadviseur.”

7. Het geschil

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] vordert, kort samengevat, dat [gedaagde 1 in 24-328] en ING hoofdelijk worden veroordeeld om aan [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] te betalen datgene waartoe [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] als gedaagde in de hoofdzaak jegens Liberty mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling, en met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1 in 24-328] en ING in de kosten van de procedure in vrijwaring.

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] verwijt [gedaagde 1 in 24-328] een tekortkoming in de nakoming van de uit de overeenkomst van opdracht voor [gedaagde 1 in 24-328] voortvloeiende verplichtingen en in het bijzonder de zorgvuldigheid die [gedaagde 1 in 24-328] als hypotheekadviseur in acht had dienen te nemen. Volgens [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft [gedaagde 1 in 24-328] hem op diverse momenten onjuist geadviseerd, zowel wat betreft de aanvraag van de garantie van Liberty als voor wat betreft het traject om een hypotheek aan te vragen. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] verwijt ING tekortgeschoten te zijn in de nakoming van de verplichtingen die voor ING voortvloeiden uit de tot stand gekomen kredietovereenkomst, in het bijzonder de verplichting een lening ter financiering van de aankoop van de woning ter beschikking te stellen. Het gevolg van deze tekortkomingen van [gedaagde 1 in 24-328] en ING is volgens [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] geweest dat hij de woning niet heeft kunnen kopen, waardoor de verkopers de koopovereenkomst hebben ontbonden en de garantie van Liberty hebben ingeroepen ter dekking van de door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] wegens de ontbinding van de koopovereenkomst verschuldigde boete.

[gedaagde 1 in 24-328] en ING Bank voeren beide verweer. [gedaagde 1 in 24-328] en ING Bank concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] in de kosten van deze procedure.

[gedaagde 1 in 24-328] betwist tekortgeschoten te zijn in haar zorgplicht jegens [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] . [gedaagde 1 in 24-328] en ING Bank voeren verder, samengevat, aan dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] onjuiste inkomensgegevens heeft aangeleverd en dat wegens diverse inconsistenties in de door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] aangeleverde gegevens omtrent zijn dienstverband en inkomen een sterk vermoeden van fraude is gerezen. Op die grond was ING niet gehouden een hypothecaire lening te verstrekken. Dat kan noch [gedaagde 1 in 24-328] noch ING aangerekend worden maar is enkel aan [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] toe te rekenen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

8. De beoordeling

De zaak tussen [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] en ING

De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op de zaak tussen [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] en ING. De verwijten van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] aan [gedaagde 1 in 24-328] en het verweer van [gedaagde 1 in 24-328] hangen daarmee immers in grote mate samen.

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] stelt dat door de ondertekening van de bindende offerte van ING van 8 mei 2023 tussen hem en ING een kredietovereenkomst tot stand gekomen is en dat ING hem heeft bevestigd dat de hypotheekaanvraag was geaccepteerd. ING is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de kredietovereenkomst en de geaccepteerde hypotheekaanvraag voor haar voortvloeiende verplichtingen door geen financiering te verstrekken.

ING heeft aangevoerd dat de door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] over zijn dienstverband en inkomen aangeleverde informatie onjuist is en in ieder geval op onderdelen in tegenspraak is met andere door hem aangeleverde en door ING zelf vergaarde gegevens. Hierdoor is een ernstig vermoeden van fraude is ontstaan. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft die verdenking volgens ING niet kunnen weerleggen.

In haar conclusie van antwoord heeft ING de overeenkomst met [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] daarom vernietigd op grond van bedrog (art. 3:44 BW) dan wel dwaling (art. 6:228 lid 1 BW). Volgens ING zou zij de overeenkomst niet zijn aangegaan als [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] geen verkeerde inlichtingen over zijn dienstverband en inkomen zou hebben gegeven en geen verkeerde voorstelling van zaken zou hebben gewekt bij ING. Het voor het bancaire verkeer noodzakelijk vertrouwen ontbreekt.

De rechtbank is van oordeel dat ING de overeenkomst met [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] kon en mocht vernietigen. Wegens de terugwerkende kracht van de vernietiging heeft van meet af aan geen kredietovereenkomst bestaan en ING kan daarin dan ook niet tekortgeschoten zijn. Het gevolg is dat de vorderingen van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] jegens ING afgewezen moeten worden. Hierna zal de rechtbank uitwerken hoe dat oordeel tot stand gekomen is.

ING heeft de verdenking van fraude onder andere gebaseerd op navolgende met producties onderbouwde omstandigheden:

De door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] overgelegde loonstroken vermelden twee verschillende data van indiensttreding, waaronder één datum waarop de B.V. waar [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] in dienst zou zijn nog niet was opgericht, en het adres van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] werkgever op de loonstroken wijkt af van het in het handelsregister vermelde adres;

Diverse bedragen die volgens de loonstroken aan [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] zouden zijn betaald als loon komen niet voor op de door hem overgelegde bankafschriften van zijn rekening bij ABN AMRO Bank en zijn ook niet betaald op [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] rekening bij ING;

Volgens het door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] aangeleverde UWV-verzekeringsbericht is het opgegeven salaris geen enkele keer aangemeld maar slechts EUR 0,— bruto;

Het door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] opgegeven loon past totaal niet bij de omvang van de onderneming van de werkgever, welke zeer beperkt is. Zo is het opgegeven bruto: salaris hoger dan de gemiddelde maandelijks omzet van zijn werkgever die binnenkomt op een rekening bij ING.

ING heeft een verslag overgelegd van een op 21 juli 2023 gehouden interview dat bij wijze van hoor en wederhoor deel uitmaakte van het onderzoek dat ING deed. Uit dat verslag blijkt dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] geen aannemelijke antwoorden kon geven op de gestelde vragen, waaronder vragen over de concrete werkzaamheden die hij als commercieel directeur zou verrichten bij zijn werkgever. Bij brief van 5 september 2023 heeft ING [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek. ING concludeert in de brief dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] een vals inkomen uit loondienst heeft aangeleverd ter verkrijging van een hypothecaire geldlening. Omdat hierdoor het voor het bankieren benodigde vertrouwen ernstig is geschaad, heeft ING aangekondigd de bancaire relatie met [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] te beëindigen en zijn gegevens te zullen opnemen diverse registers, waaronder dat van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft geen gebruik gemaakt van de hem in de brief van 5 september 2023 geboden mogelijkheid om op dit voornemen te reageren.

Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] geen aannemelijk antwoord kunnen geven op vragen van de rechtbank over de door ING vermeende onjuistheden en gesignaleerde inconsistenties of deze kunnen verklaren. De hierboven achter 8.1.5 a tot en met d vermelde feiten en omstandigheden staan daarmee als niet of onvoldoende weersproken vast. Hieruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] daadwerkelijk opzettelijk onjuiste mededelingen over zijn dienstverband en inkomen heeft aangeleverd ter verkrijging van een hypothecaire lening van ING. Wegens de door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] op dit cruciale punt gegeven onjuiste voorstelling van zaken kon en mocht ING de overeenkomst met [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] dan ook vernietigen, aangezien het dienstverband en het daaruit verkregen inkomen zowel vanwege de terugbetaling van de lening alsook vanwege in de branche geldende normen om overfinanciering te voorkomen van essentieel belang zijn.

De conclusie is dat de vorderingen van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] tegen ING afgewezen dienen te worden.

De zaak tussen [gedaagde 1 in 24-328] en [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328]

De rechtbank zal nu ingaan op de zaak tussen [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] en [gedaagde 1 in 24-328] .

Als kader voor de beoordeling van de diverse door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] jegens [gedaagde 1 in 24-328] gemaakte verwijten overweegt de rechtbank allereerst het volgende. De overeenkomst tussen [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] en [gedaagde 1 in 24-328] kwalificeert als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. Op grond van artikel 7:401 BW dient een opdrachtnemer bij de uitvoering van haar opdracht de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Dit betekent dat zij bij de uitvoering van haar opdracht de zorgvuldigheid moet betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht en de gerechtvaardigde belangen van haar cliënt in acht neemt. Een hypotheekadviseur is in dit soort zaken de professionele en deskundige partij die de consument dient te beschermen tegen het gevaar van een gebrek aan kennis, kunde, inzicht en eventuele lichtvaardigheid. De reden is dat bij de consument de deskundigheid op dit gebied normaliter ontbreekt, terwijl het gaat om belangrijke beslissingen met vergaande en langdurige financiële consequenties. Als uitgangspunt mag een hypotheekadviseur uitgaan van de juistheid van de door de opdrachtgever verstrekte informatie, tenzij er concrete aanwijzingen zijn die tot een nader onderzoek door de hypotheekadviseur nopen (gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4665). Of in een concreet geval sprake is van een zorgplichtschending, hangt af van de omstandigheden van het geval.

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] verwijt [gedaagde 1 in 24-328] op de volgende punten tekortgeschoten te zijn in haar zorgplicht:

[gedaagde 1 in 24-328] heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet gewezen op het aflopen van de termijn waarbinnen het financieringsvoorbehoud kon worden ingeroepen;

[gedaagde 1 in 24-328] heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] de garantieopdracht laten geven aan Liberty voordat het verkrijgen van de hypotheek van ING zeker was. [gedaagde 1 in 24-328] heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet gewaarschuwd voor mogelijke financiële risico's van het -volgens [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] voortijdig- afsluiten van de bankgarantie;

Na ontvangst van het bericht van ING “omstreeks 26 mei 2023 met betrekking tot het feit dat de hypotheek toch niet zou worden verstrekt” heeft [gedaagde 1 in 24-328] geen actie ondernomen om alsnog een andere hypotheek aan te vragen voor [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] ;

[gedaagde 1 in 24-328] had [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet gewaarschuwd dat na het tekenen van de bindende hypotheekofferte alsnog een onderzoek zou kunnen worden gestart door ING naar aangeleverde documenten en dat ING alsnog zou kunnen besluiten de hypotheek niet te verstrekken.

[gedaagde 1 in 24-328] heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet geadviseerd zich te verzekeren tegen het uitkeren van de gestelde bankgarantie.

De rechtbank is van oordeel dat geen van deze verwijten terecht is. Hieronder wordt dat oordeel puntgewijs uitgewerkt.

Eerste verwijt: niet waarschuwen over het aflopen van de termijn waarbinnen het financieringsvoorbehoud kon worden ingeroepen (8.2.2 a).

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer [B] van [gedaagde 1 in 24-328] verklaard dat [gedaagde 1 in 24-328] de aflooptermijn voor ontbindende voorwaarden standaard in een agenderingsysteem opneemt en dat de klant enkele dagen vooraf hierover per e-mail wordt gewaarschuwd. De heer [B] heeft voorts verklaard dat hij in gevallen waarin de klant nog geen zekerheid heeft over hypothecaire financiering voorzichtigheidshalve altijd adviseert het financieringsvoorbehoud maar in te roepen en dat dat ook aan [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] is geadviseerd. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft niettemin zelf de keuze gemaakt het huis van de verkopers, waaronder zijn zus, af te nemen en geen beroep te doen op het financieringsvoorbehoud. De verklaring van de heer [B] is tijdens de mondelinge behandeling niet door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] weersproken, zodat de door de heer [B] gestelde gang van zaken vaststaat. Daarom gaat het verwijt dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] [gedaagde 1 in 24-328] op dit punt maakt niet op.

Tweede verwijt: niet waarschuwen over de risico’s van het ‘voortijdig’ afgeven van de garantieopdracht (8.2.2 b)

De rechtbank is van oordeel dat ook dit verwijt van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] aan het adres van [gedaagde 1 in 24-328] niet opgaat. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft de koopovereenkomst voor de woning met daarin de verplichting tot het betalen van een waarborgsom dan wel het afgeven van een bankgarantie immers al medio februari 2023 gesloten, nog voordat hij [gedaagde 1 in 24-328] voor advies had benaderd. Hierboven is al overwogen dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] zelf de keuze heeft gemaakt om geen beroep te doen op het financieringsvoorbehoud. Daarmee werd de verplichting tot betaling van een waarborgsom van € 58.000 dan wel tot het stellen van een bankgarantie voor dat bedrag definitief. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] zelf € 58.000 kon betalen en daarom was hij wel aangewezen op een door een derde te stellen bankgarantie, indien hij jegens de verkopers op dit punt niet tekort wilde schieten. Het feit dat [gedaagde 1 in 24-328] [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft geassisteerd bij het verkrijgen van de garantie van Liberty en hem heeft geadviseerd de garantieopdracht te ondertekenen, ook al was er op dat moment nog geen zekerheid over het verkrijgen van een hypothecaire financiering, levert daarom geen schending van haar zorgplicht op. De garantie was immers noodzakelijk om te voorkomen dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] jegens de verkopers tekort zou schieten in deze afzonderlijke verplichting uit de koopovereenkomst en op die grond aan hen ook een boete van € 58.000 zou verbeuren.

Derde verwijt: geen tweede hypotheek aanvragen (8.2.2 c).

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft in het kader van dit verwijt gesteld dat ING op 26 mei 2023 heeft aangegeven aan [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] geen hypotheek te verstrekken. Die stelling is echter niet juist, aangezien ING op vrijdag 26 mei 2023 via [gedaagde 1 in 24-328] alleen nadere gegevens heeft opgevraagd. [gedaagde 1 in 24-328] heeft die vraag nog in het weekend op zaterdag 27 mei 2023 per e-mail doorgezet aan [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] en blijkens de hierboven achter 6.10 weergegeven e-mailwisseling had [gedaagde 1 in 24-328] op 30 mei 2023 nog steeds niet alle door ING gevraagde aanvullende gegevens ontvangen.

In de visie van de rechtbank was ING’s verzoek om nadere gegevens niet zo uitzonderlijk dat [gedaagde 1 in 24-328] had moeten vermoeden dat de hypotheekaanvraag van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] zo problematisch zou verlopen dat [gedaagde 1 in 24-328] als redelijk handelend hypotheekadviseur moest doorschakelen naar een tweede hypotheekaanvraag. De rechtbank verwijst daarvoor naar de verklaring van de heer [B] tijdens de mondelinge behandeling, dat naar zijn ervaring in [plaats], de toenmalige woonplaats van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] :

in circa 5% van de hypotheekaanvragen aanvullende gegevens worden opgevraagd; en dat

van deze gevallen in 10% de hypotheekaanvraag alsnog wordt afgewezen.

Het totale afwijzingspercentage naar aanleiding van een verzoek om nadere gegevens bedraagt dus 0,5% van de hypotheekaanvragen. De verklaring van de heer [B] is op dit punt niet door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] weersproken, zodat de rechtbank van de juistheid van de verklaring op dit punt zal uitgaan en de door de heer [B] genoemde percentages als vaststaand aanneemt.

Gelet op deze lage percentages behoefde [gedaagde 1 in 24-328] naar het oordeel van de rechtbank op 26 mei 2023 uit het feit dat ING aanvullende gegevens over dienstverband en inkomen van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] opvroeg dan ook niet direct te vermoeden dat de hypotheekaanvraag van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] problematisch zou verlopen en hoefde [gedaagde 1 in 24-328] niet direct door te schakelen naar een tweede hypotheekaanvraag.

Daarbij komt dat de gemiddelde doorlooptijd voor een hypotheekaanvraag, naar de heer [B] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft gesteld, destijds gemiddeld 2 tot 3 maanden bedroeg. ING was de instelling met de kortste doorlooptijd en daarom was de hypotheekaanvraag van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] bij ING ingediend. Zelfs indien [gedaagde 1 in 24-328] op maandag 29 mei 2023 voor [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] bij een andere instelling een hypotheekaanvraag zou hebben ingediend, dan zou die hypotheek nog niet zijn verleend vóór 9 juni 2023. Dat was de datum waartegen [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] door de verkopers bij brief van 1 juni 2023 was aangemaand om de woning af te nemen bij gebreke waarvan ontbinding van de koopovereenkomst was aangekondigd.

In zijn algemeenheid kan ook niet worden aangenomen dat hypotheekadviseurs steeds, dus ook als er in beginsel geen aanleiding is te veronderstellen dat de financiering bij de eerste bank niet rond zal komen, een tweede financier achter de hand moeten hebben. Van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] had mogen worden verwacht dat hij had gesteld waarom, ondanks het feit dat reeds een door ING afgegeven bindende offerte voorlag en ING op 19 mei 2023 nog schriftelijk aan [gedaagde 1 in 24-328] en [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] had bevestigd dat de hypotheekaanvraag was geaccepteerd, [gedaagde 1 in 24-328] in de gegeven omstandigheden toch op zoek had moeten gaan naar een andere financier. Aan die stelplicht heeft hij niet voldaan. Evenmin heeft hij gesteld dat in dat geval tijdig nagekomen had kunnen worden – en de schade dus voorkomen had moeten worden.

De rechtbank neemt hierbij ook in overweging dat de heer [B] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft verklaard dat het [gedaagde 1 in 24-328] op grond van afspraken met de diverse kredietinstellingen waarvoor zij kan bemiddelen na de weigering van ING op 9 mei 2023 niet meer vrijstond om bij andere kredietinstellingen een nieuwe aanvraag in te dienen zonder melding te maken van de afwijzing van ING. De kans dat [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] dan nog op korte termijn bij een andere instelling wel een hypotheek het kunnen verkrijgen moet als nihil worden beschouwd.

Conclusie op dit punt is dat [gedaagde 1 in 24-328] op dit punt haar zorgplicht niet heeft geschonden.

Vierde verwijt: niet waarschuwen dat ING na de bindende offerte nog zou kunnen besluiten de hypotheek nièt te verstrekken (8.2.2 d).

Uit de stukken blijkt dat van enige andere reden voor ING om [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] geen financiering aan te bieden dan het feit dat hij zelf onjuiste gegevens over dienstverband en inkomen heeft aangeleverd. Andere relevante omstandigheden of risico’s die ertoe zouden kunnen leiden dat ING terugkwam op haar eerdere toezegging om te financieren en waarvoor [gedaagde 1 in 24-328] [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] had moeten waarschuwen, heeft [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet gesteld. De zorgplicht van [gedaagde 1 in 24-328] als hypotheekadviseur gaat niet zover dat zij haar klant moet waarschuwen voor de gevolgen van het bewust opgeven van onjuiste informatie en zeker van onjuiste informatie van een aard als in deze zaak is gebleken. Ook dit verwijt aan het adres van [gedaagde 1 in 24-328] gaat dus niet op.

Vijfde verwijt: niet waarschuwen een verzekering af te sluiten tegen het uitkeren van de gestelde bankgarantie (8.2.2 e).

Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat het niet ongebruikelijk is dat de koper van een woonhuis een verzekering afsluit die dekking biedt tegen het risico dat onverhoopt geen hypotheek wordt verkregen, terwijl geen beroep meer gedaan kan worden op een financieringsvoorbehoud. Namens [gedaagde 1 in 24-328] is echter gesteld dat zelfs indien een dergelijke verzekering zou zijn afgesloten, die niet tot dekking zou hebben geleid omdat dergelijke verzekeringen alleen dekking bieden in geval van verlies van inkomen door bijvoorbeeld werkloosheid of arbeidsongeschiktheid en niet in gevallen waarin geen hypotheek wordt verkregen omdat de hypotheekverstrekker op grond van bedrog weigert de gemaakte afspraken na te komen. Dit is door [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet weersproken. De rechtbank moet het er dan ook voor houden dat het eventuele afsluiten van een verzekering [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet zou hebben gebaat. Hij is dus niet benadeeld doordat [gedaagde 1 in 24-328] hem niet heeft geadviseerd een verzekering af te sluiten en ook dit verwijt is dus ten onrechte.

Het gevolg van het voorgaande is dat ook de vorderingen van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] tegen [gedaagde 1 in 24-328] afgewezen dienen te worden.

[gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1 in 24-328] en ING Bank worden begroot op:

- griffierecht

714,00

- salaris advocaat

2.428,00

(2 punten × € 1.214,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.320,00

De rechtbank ziet geen reden om [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet in de proceskosten te veroordelen, zoals [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] in de dagvaarding in vrijwaring heeft betoogd. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] heeft daartoe gesteld dat zowel [gedaagde 1 in 24-328] als ING voordat zij gedagvaard werden geweigerd zouden hebben stukken uit hun dossier toe te zenden aan [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] advocaat. Maar [gedaagde 1 in 24-328] en ING hebben zich in deze procedure niet beroepen op andere documenten dan die waarover [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] zelf ook beschikte of heeft kunnen beschikken. [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] moet verondersteld worden zijn advocaat te hebben kunnen vertellen hoe de vork in de steel zat.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

9. De beslissing

In de hoofdzaak

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] om aan Liberty te betalen een bedrag van € 57.500, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 16 juli 2023 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] in de proceskosten van € 5.624,86, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

wijst af het meer of anders gevorderde,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 9.1 en 9.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

In de vrijwaringszaak

De rechtbank

wijst de vorderingen van [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] af,

veroordeelt [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] in de proceskosten van [gedaagde 1 in 24-328] van € 3.320,00 en in de proceskosten van ING Bank van € 3.320,00, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde in 24-23 en eiser in 24-328] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 9.6 en 9.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?