RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01-108162-24
Datum uitspraak: 18 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2003] ,
ingeschreven op de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak (met toepassing van artikel 279 Wetboek van Strafvordering) gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 oktober 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 28 maart 2024 te Eindhoven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] (toen aldaar werkzaam als opsporingsambtenaar van politie eenheid oost brabant en/of doende met hulpverlening aan verdachte)
opzettelijk van het leven te beroven,
de hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of
een verwurging heeft aangelegd en/of
die hals en/of de keel (langdurig) heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 maart 2024 te Eindhoven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer] (toen aldaar werkzaam als opsporingsambtenaar van
politie eenheid oost brabant en/of doende met hulpverlening aan verdachte)
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
de hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of een verwurging heeft
aangelegd en/of die hals en/of de keel (langdurig) heeft dichtgeknepen en/of
dichtgeknepen gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De formele voorvragen.
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Door de verdediging is bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte conform hetgeen daarover in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota staat.
De rechtbank maakt uit het pleidooi van de raadsman op dat hij heeft beoogd een verweer te voeren gericht op een niet-ontvankelijkverklaring als bedoeld in artikel 359a Sv. Van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in dat artikel omschreven factoren wordt aangegeven tot welk rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven.
De rechtbank is gelet op het voorgaande beoordelingskader van oordeel dat het pleidooi van de raadsman om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren onvoldoende is onderbouwd, en niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank zal het verweer dan ook zonder nadere motivering verwerpen. De officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is verder gebleken dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde zoals verwoord in de ter terechtzitting voorgedragen pleitnota.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Een proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2024, opgesteld door [slachtoffer] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven: Op 28 maart 2024, was ik, verbalisant [slachtoffer] belast met een wijkdienst in de gemeente Eindhoven. Om 02:24 uur, werden wij met spoed gestuurd naar de [adres] in Eindhoven. Daar zou de bovenbuurman [de rechtbank begrijpt: verdachte] van melder een overdosis genomen hebben. Ik zag dat op het matras een man lag. Deze man bleek de hulpbehoevende man te zijn en tevens later de verdachte. Ik hoorde dat de mannelijke ambulancemedewerker zei dat het medisch noodzakelijk was dat de verdachte naar het ziekenhuis moest voor een medische check.
Toen ik zijn rechterarm pakte, zag en voelde ik dat verdachte zich losrukte. Ik voelde direct een trap tegen mijn bovenbeen. Ik draaide mij weg om verdere trappen te ontwijken, maar voelde direct meerdere trappen tegen mijn benen. Ik probeerde de verdachte wederom bij zijn rechterarm vast te pakken. Ik had de rechterarm van de verdachte vast. Ik voelde dat hij zich losrukte. Ik voelde dat hij mij met gebalde vuist tegen de rechterzijde van mijn hoofd sloeg. Ik voelde dat hij mij raakte rond mijn slaap. Ik voelde direct pijn aan mijn hoofd. Ik zag dat verdachte probeerde op te staan en mij vervolgens vastgreep bij mijn nek. Dit deed hij door zijn rechterarm om mijn nek heen te slaan. Hierdoor zat mijn nek in de binnenkant van zijn elleboog. Hierdoor zat de voorzijde van mijn nek, rondom mijn adamsappel, tegen de binnenkant van de elleboog van de verdacht. Ik probeerde los te komen, maar dat lukte niet. Ik kwam vervolgens op het matras terecht en voelde dat de verdachte druk zette met zijn rechterarm. Hierdoor kwam ik in een verwurging terecht. Ik voelde pijn en voelde dat mijn strot ingedrukt werd. Ik kon mijn collega's niet roepen. Mijn gezicht werd het matras ingedrukt. Hierdoor had ik ook geen zicht. Er ontstond paniek in mijn hoofd omdat ik dacht dat ik buiten bewustzijn zou raken. Ik kreeg geen lucht meer en begon zwart te zien. Ik voelde dat ik licht in mijn hoofd werd, omdat ik geen zuurstof kreeg. Ik voelde mijn hartslag tekeer gaan. Ik heb vervolgens met mijn linker vuist en alle kracht die ik had in de lever geslagen van de verdachte om ervoor te zorgen dat verdachte mijn nek los zou laten. Ik sloeg meerdere keren met gebalde vuisten, maar weet niet meer hoe vaak. Ik merkte dat mijn fysiek geweld geen effect had. Ik hoorde dat mijn collega [verbalisant 1] vroeg of verdachte mijn nek in greep hield. Hierop antwoordde ik heel zachtjes 'ja'. Na het incident, op het politiebureau, merkte ik dat ik erg veel hoofdpijn had. Ik voelde nog steeds erg veel pijn aan mijn hoofd van de klap. Ik had ook nog erg veel pijn aan mijn adamsappel. Ik moest continue kuchen door de pijn in mijn keel.
Een proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2024, opgesteld door [verbalisant 1] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Ik vernam van de collega [slachtoffer] en de ambulance medewerkers dat de verdachte niet onderzocht wilde worden en zich recalcitrant begon te gedragen. Ik vernam van collega [slachtoffer] dat de verdachte al meerdere keren richting hem had getrapt. Ik hoorde dat de Ambulance medewerkers verklaarde dat het noodzakelijk was dat de verdachte medisch onderzocht werd.
Ik zag dat de verdachte rechtop op zijn matras zat. Ik hoorde dat de verdachte aan schreeuwen was. Ik hoorde dat collega [slachtoffer] meerdere malen zei tegen de verdachte dat hij medisch onderzocht moest worden en uit zijn bed moest komen. Ik hoorde dat collega [slachtoffer] tegen de verdachte zei dat hij anders geweld moest gaan gebruiken. Ik hoorde dat de verdachte verklaarde dat hij niet aangeraakt wilde worden.
Ik deelde de verdachte mede dat wij dan geweld moesten gebruiken. Hierop pakte mijn collega en ik verdachte vast bij zijn armen. Ik zag dat de verdachte zich direct begon te verzetten. Ik zag dat de verdachte op zijn rug op het matras terecht kwam. Ik zag dat het hoofd van collega [slachtoffer] om de borst lag van de verdachte. Ik zag dat de verdachte zijn arm om de nek van collega [slachtoffer] had. Ik vroeg aan collega [slachtoffer] of de verdachte zijn nek te pakken had. Ik hoorde dat het enkele seconde duurder voordat collega [slachtoffer] reageerde. Ik hoorde dat collega [slachtoffer] met een schorre stem riep 'Ja!'. Ik merkte dat collega [slachtoffer] amper tot geen lucht kreeg. Ik riep meerdere male luidkeels tegen de verdachte dat hij mijn collega moest los laten. Ik legde mijn knie op de nek van verdachte en voerde hierbij druk uit, met als doel dat de verdachte mijn collega [slachtoffer] los liet. Tegelijkertijd probeerde ik met twee handen de arm van de verdachte los te krijgen van de nek van collega [slachtoffer] . Ik zag dat collega [verbalisant 2] tevens meehielp. Ik zag dat collega [slachtoffer] meerdere vuistslagen op het lichaam van verdachte gaf, ik zag dat dit geen effect had. Ik zag en voelde dat dat de arm van verdachte erg strak om de nek van collega [slachtoffer] zat. Ik gaf verdachte meerdere vuistslagen op zijn lichaam, met als doel dat verdachte losliet. Ik zag dat dit geen effect had. Met enorme kracht trok ik samen met collega [verbalisant 2] aan de arm van verdachte. Ik zag en voelde dat dit moeizaam ging en dat het ons niet lukte om de arm direct te verwijderen van de nek van collega [slachtoffer] ..
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft op de bewuste dag alcohol gedronken en veel NSAID-pillen ingenomen in een poging zichzelf van het leven te beroven. Naar aanleiding van een melding hierover zijn meerdere verbalisanten en ambulancepersoneel ter plaatse gekomen teneinde verdachte en zijn gezondheid te onderzoeken. Het ambulancepersoneel heeft vervolgens tegen onder andere het slachtoffer, verbalisant [slachtoffer] , gezegd dat het medisch noodzakelijk was dat verdachte naar het ziekenhuis zou worden gebracht in verband met zorgen over zijn gezondheid. [slachtoffer] heeft verdachte vervolgens, na hem meermaals verbaal duidelijk te hebben gemaakt dat hij mee moest naar het ziekenhuis, bij de arm gepakt om hem overeind te helpen. Hierna heeft verdachte fors geweld uitgeoefend in de richting van [slachtoffer] . Verdachte heeft [slachtoffer] in een strakke, krachtige wurggreep genomen door met zijn arm de hals en keel van [slachtoffer] dicht te knijpen en dichtgeknepen te houden. [slachtoffer] kreeg hierdoor geen lucht en het werd zwart voor zijn ogen. Nadat de eerste verwoede pogingen om verdachte ertoe te brengen deze wurggreep af te breken faalden, hebben collega’s van verdachte uiteindelijk de arm van verdachte van de nek van [slachtoffer] kunnen verwijderen. Uit de bewijsmiddelen en het dossier blijkt geenszins dat verdachte zonder tussenkomst van de verbalisanten de verwurging zelfstandig zou hebben afgebroken.
De rechtbank is van oordeel dat het primair tenlastegelegde op grond van het voorgaande wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het aanleggen van een strakke, krachtige wurggreep om de nek zodat het slachtoffer geen lucht krijgt en waarbij fors geweld door andere verbalisanten niet leidt tot het afbreken van de wurggreep, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het doen intreden van de dood van [slachtoffer] dat verdachte dit niet anders dan opzettelijk kan hebben gedaan. Verdachte heeft daarmee ‘vol opzet’ gehad op het doden van [slachtoffer] . De overige bestanddelen van de tenlastelegging kunnen eveneens worden bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen eventueel in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
op 28 maart 2024 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] (toen aldaar werkzaam als opsporingsambtenaar van politie eenheid Oost Brabant en doende met hulpverlening aan verdachte) opzettelijk van het leven te beroven, de hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en een verwurging heeft aangelegd en die hals en de keel (langdurig) heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte.
Het standpunt van de verdediging.
Door de verdediging is bepleit dat verdachte om uiteenlopende redenen dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte komt in de visie van de raadsman onder andere een beroep toe op afwezigheid van alle schuld. Daartoe heeft de raadsman – kort samengevat – met name aangevoerd dat het politieoptreden in deze zaak onrechtmatig was en niet overeenkomstig de voor de politie geldende wet- en regelgeving met betrekking tot de rechtmatige uitoefening van geweld. Verder heeft verdachte wat de raadsman betreft gehandeld uit noodweer, omdat hij zich (door het onrechtmatig optreden van de verbalisanten) geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval door die verbalisanten, waartegen hij zich op proportionele en subsidiaire wijze heeft verdedigd.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen geslaagd beroep toekomt op enige strafuitsluitingsgrond.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte op geen van de door de verdediging aangedragen strafuitsluitingsgronden een geslaagd beroep kan doen. Gezien de zorgelijke medische toestand waarin verdachte zichzelf had gebracht en de opmerking van het ambulancepersoneel dat het medisch noodzakelijk was om verdachte naar een ziekenhuis te brengen, mochten en moesten de verbalisanten op grond van het bepaalde in artikel 3 van de Politiewet doen wat nodig was om aan verdachte hulp te verlenen. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de verbalisanten verdachte ondanks de medische toestand met rust hadden moeten laten, omdat hij die hulp zelf niet wilde, verwerpt de rechtbank dat standpunt. Het is de taak van de politie om hulp te verlenen aan hen die deze behoeven en verdachte behoefde hulp toen de verbalisanten ter plaatse kwamen. Het recht op zelfbeschikking reikt niet zo ver dat de politie geacht wordt om in een situatie als de onderhavige in strijd met die taak te handelen.
Nadat meerdere verbale sommeringen door de verbalisanten om mee te gaan naar het ziekenhuis niet het beoogde doel bereikten, heeft [slachtoffer] verdachte tegen zijn wil in bij de arm gepakt en hem overeind gebracht. Gezien de medische noodzaak om verdachte naar een ziekenhuis te doen overbrengen in het belang van zijn gezondheid, was [slachtoffer] op grond van artikel 7 van de Politiewet ook bevoegd om verdachte tegen zijn wil in beet te pakken bij de arm en overeind te zetten. De rechtbank is gezien de omstandigheden van het geval en de definitie van het begrip ‘geweld’ in de Ambtsinstructie van oordeel dat deze handeling kan worden gedefinieerd als ‘geweld’ als bedoeld in de Politiewet, maar wel in de meest geringe uitingsvorm. Dit geweld was gezien het daarmee beoogde doel gerechtvaardigd. Al hetgeen de verbalisanten na de geweldsuitbarsting van verdachte die volgde aan geweld hebben toegepast jegens verdachte ten behoeve van de verdediging van [slachtoffer] en zijzelf was gezien de hevigheid en ernst van het door verdachte uitgeoefende geweld, proportioneel en subsidiair. De rechtbank constateert verder dat verdachte direct voorafgaand aan zijn geweldsuitbarsting aanspreekbaar was en bovendien zelf verklaarde dat hij niet mee wilde naar het ziekenhuis, en dat wanneer de verbalisanten hem zouden aanraken, hij hen zou aanraken. Deze omstandigheden zijn contra-indicatief voor een scenario waarin verdachte zijn wil niet kon bepalen, anders dan door de raadsman is aangevoerd. Er is op geen moment sprake geweest van een wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, waardoor een beroep op noodweer niet slaagt. Evenmin slaagt het beroep op putatief noodweer. Het is niet aannemelijk dat verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie.
Ook het beroep op afwezigheid van alle schuld slaagt niet. Verdachte heeft zichzelf in de situatie gebracht waarin hij medische hulp nodig had, en heeft vervolgens, nadat hij tegen zijn wil in werd beetgepakt, gepoogd een verbalisant te doden. Van (verminderde) toerekeningsvatbaarheid of zelfs algehele ontoerekeningsvatbaarheid is niet gebleken.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat het bewezen verklaarde het in de uitspraak vermelde strafbare feit oplevert. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Voorts zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een agent door deze agent in een wurggreep te nemen en te houden waardoor de agent ademtekort had en zwart voor zijn ogen zag. Iedere vorm van geweld tegen opsporingsambtenaren of andere hulpverleners is ernstig en dient te worden bestraft, maar dit is een uitzonderlijk ernstig geval. De agent in kwestie, de heer [slachtoffer] , was immers in de woning van verdachte teneinde hem de nodige hulp te verlenen nadat verdachte alcohol en diverse medicatie had ingenomen. Het enige doel van [slachtoffer] en de overige aanwezige verbalisanten en hulpverleners was het zorgen voor de noodzakelijke medische bijstand voor verdachte. Dat verdachte vervolgens zulk extreem en potentieel dodelijk geweld uitoefent op een van deze verbalisanten is zeer kwalijk, en het bewezenverklaarde heeft blijkens de toelichting op de vordering tot schadevergoeding en de spreekrechtverklaring ook tot veel gevoelens van angst en onveiligheid geleid bij [slachtoffer] . Dit soort feiten zorgen ook in algemene zin voor gevoelens van onveiligheid en angst bij hulpverleners.
De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf ook oog gehad voor de schrijnende aanleiding van het bewezenverklaarde, namelijk de slechte mentale toestand van verdachte en zijn wens om zijn leven te beëindigen.
Persoon van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het meest recente uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Ter terechtzitting is verder duidelijk geworden dat verdachte op dit moment duurzaam in Polen verblijft.
Strafoplegging
De rechtbank is gezien de ernst van het feit van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden, en zal zij overgaan tot oplegging van die geëiste straf, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De vordering van de benadeelde partij.
De benadeelde partij, de heer [slachtoffer] , vordert een schadevergoeding ter zake van immateriële schade ter hoogte van € 1.000,- , te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd op de vordering.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2024 tot de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij maakt op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, aanspraak op vergoeding van immateriële schade, doordat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen door het bewezenverklaarde. De gevorderde schade is voldoende onderbouwd en staat in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2024 tot de dag der algehele voldoening.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 45, 287 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: poging tot doodslag.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
- legt op de volgende straf: een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 1.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.;
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 1.000,00 euro. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T. Kraniotis, voorzitter,
mr. A. Bernsen en mr. N.A. Schipper, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.H.A. de Poot, griffier,
en is uitgesproken op 18 december 2025.
mr. Schipper is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.