RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.216436.24
Datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2000] ,
wonende te [adres] ,
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 november 2025 en 11 december 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen/laten doen, door (telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven en/of te doen/laten opgeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 juni 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
[bedrijf] , op één of meer tijdstippen in of omstreeks 27 juli 2021 tot en met 4 april 2023 in Veghel en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf] over:
- het aangiftetijdvak van 25 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 (DOC-079) en/of
- het vierde kwartaal van 2021 (DOC-016) en/of
- het eerste kwartaal van 2022 (DOC-016) en/of
- het tweede kwartaal van 2022 (DOC-016) en/of
- het eerste kwartaal van 2023 (DOC-016)
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de tenlastegelegde feiten.
De feiten.
Verdachte wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de gedragingen van [bedrijf] daaruit bestaande dat dit bedrijf in 2021, 2022 en 2023 onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Op basis van deze onjuiste aangiften heeft de belastingdienst betalingen aan het bedrijf gedaan.
Het standpunt van de officier van justitie.
Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden vindt de officier van justitie de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging primair vrijspraak van verdachte bepleit, omdat verdachte geen opzet had.
Het oordeel van de rechtbank.
de bewijsmiddelen
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
nadere overwegingen van de rechtbank
Ten aanzien van de strafbaarheid van de rechtspersoon
Het kader.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een rechtspersoon aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. De vraag wanneer een verboden gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer een of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen:
Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.
Het kader toegepast op deze zaak.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat [bedrijf] onjuiste aangiften omzetbelasting hebben gedaan. Op grond van die aangiften is de belastingdienst overgegaan tot uitbetalingen aan het hiervoor genoemde bedrijf.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon [bedrijf] . Het doen van aangifte omzetbelasting past namelijk binnen de normale bedrijfsvoering van die rechtspersoon, de gedragingen zijn de rechtspersoon dienstig geweest en de rechtspersoon besliste of deze handelingen al dan niet plaatsvonden. Het is dus de hiervoor genoemde rechtspersoon die kan worden aangemerkt als dader van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
Ten aanzien van verdachte als feitelijk leidinggever
Het kader.
Nu de rechtspersoon als dader kan worden aangemerkt, is de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Feitelijk leiding geven kan ook bestaan uit het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken.
In feitelijk leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn als verdachte bekend was met soortgelijke (strafbare) feiten die eerder door de rechtspersoon zijn begaan.
Feitelijk leidinggeven kan dus bestaan uit actieve gedragingen van de leidinggever, maar ook uit bewust niet ingrijpen, nalaten en/of stilzitten. Het niet ingrijpen, nalaten en/of stilzitten moet de verdachte dan wel kunnen worden verweten, bijvoorbeeld omdat hij bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van de strafbare gedraging. Daarvoor is niet vereist dat de verdachte precies heeft geweten waar, wanneer en hoe het specifieke strafbaar feit is begaan
Het kader toegepast op de deze zaak.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Verdachte heeft, in samenwerking met zijn tussenpersoon, [bedrijf] opgericht met zichzelf als enig bestuurder en enig aandeelhouder. Om dit bedrijf op te kunnen richten heeft verdachte de notaris bezocht en heeft hij alle handtekeningen geplaatst die nodig waren voor het oprichten van dit bedrijf. Ook heeft verdachte voor het bedrijf een bankrekening geopend en heeft hij het bedrijf bij de Kamer van Koophandel ingeschreven.
Bij zijn verhoor op 19 december 2023 en ter terechtzitting van 13 november 2025 heeft verdachte verklaard dat hij was benaderd om samen met iemand anders een bedrijf op te richten. Het bedrijf zou op zijn naam komen staan en de andere persoon zou voor klanten zorgen en de zakelijke kant regelen. In dit kader heeft hij de bankpassen afgegeven, telkens alle informatie van de belastingdienst doorgegeven en ook alle benodigde gegevens aangeleverd die de tussenpersoon nodig had voor de aanvraag van eHerkenning. Verdachte heeft verklaard dat hij – toen de belastingdienst op 8 oktober 2021 voor de eerste keer een betaling aan [bedrijf] deed – wist dat er iets niet klopte omdat het bedrijf geen werkzaamheden had uitgevoerd die deze betaling kon rechtvaardigen. Daarna heeft verdachte naar eigen zeggen alles op zijn beloop gelaten en heeft hij geen actie ondernomen om te voorkomen dat de tussenpersoon zou doorgaan met het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting.
Het oordeel van de rechtbank.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf] opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend op grond waarvan de belastingdienst ten onrechte is overgegaan tot uitbetalingen aan deze bedrijven.
Uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 13 november 2025 acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte, [bedrijf] heeft opgericht met de bedoeling inkomsten te genereren waarmee verdachte zijn schulden zou kunnen aflossen.
Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat verdachte tot de eerste uitbetaling door de belastingdienst op 8 oktober 2021 in de veronderstelling verkeerde dat [bedrijf] daadwerkelijk werkzaamheden zou gaan uitvoeren. Tot die eerste uitbetaling bestond er voor verdachte geen reden te veronderstellen dat een onjuiste aangifte omzetbelasting zou worden gedaan. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het doen van onjuiste aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak van 25 juni 2021 tot en met 30 juni 2021.
Nadat de belastingdienst op 8 oktober 2021 de eerste betaling aan [bedrijf] had gedaan, wist verdachte dat deze betaling ten onrechte was gedaan omdat er geen werkzaamheden door het bedrijf waren uitgevoerd. Vanaf dat moment had verdachte ook kunnen en moeten weten dat deze betaling op basis van een onjuiste aangifte omzetbelasting was gedaan. Vanaf dat moment had het op de weg van verdachte gelegen zodanige maatregelen te treffen dat er geen onjuiste aangiften omzetbelasting meer zouden worden ingediend. Dat heeft verdachte nagelaten. Verdachte heeft – zoals hij zelf heeft verklaard – niets gedaan en alles op zijn beloop gelaten.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust niet heeft ingegrepen en hij heeft nagelaten deze situatie te beëindigen hoewel hij dat wel had kunnen en moeten doen. Hij had bijvoorbeeld zijn bedrijf kunnen opheffen en uitschrijven bij de Kamer van Koophandel of de belastingdienst kunnen bellen om te zeggen dat er iets niet klopte. Door dit nalaten heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voortzetten. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat dit ook is gebeurd.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn passieve houding feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen bestaande uit het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door één of meer anderen. Daaraan doet niet af dat verdachte zich feitelijk niet heeft bemoeid met het invullen en het indienen van die aangiften omzetbelasting.
de conclusie
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.
De bewezenverklaring.
telkens onjuist hebben gedaan door telkens op de ingeleverde/ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
De rechtbank komt tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat:
[bedrijf] , in de periode van 8 oktober 2021 tot en met 4 april 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf] over:
- het vierde kwartaal van 2021 en
- het eerste kwartaal van 2022 en
- het tweede kwartaal van 2022 en
- het eerste kwartaal van 2023
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
De verdediging heeft – in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – subsidiair ontslag van rechtsvervolging van verdachte bepleit omdat verdachte in een situatie van psychische overmacht zou hebben gehandeld.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte, mede in aanmerking genomen wat over de persoon van de verdachte is gebleken, redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Bovendien moet, in geval een zodanige drang aannemelijk is, het handelen van de verdachte voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarbij wordt getoetst aan wat redelijkerwijs in het maatschappelijke verkeer van mensen kan worden verlangd.
Dat verdachte door één of meer anderen onder druk werd gezet en werd bedreigd om door te gaan met zijn handelen, vindt geen enkele steun in het dossier. Voor zover dit wel het geval zou zijn, is naar het oordeel van de rechtbank uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet gebleken dat die bedreiging en/of druk zodanig was dat verdachte ten tijde van het plegen van de hiervoor bewezenverklaarde feiten handelde in een situatie van psychische overmacht. De rechtbank acht niet aannemelijk dat voor verdachte geen andere, minder ingrijpende, uitweg bestond dan door te gaan met zijn handelen. Mede gezien het tijdsverloop heeft verdachte voldoende tijd gehad om – bijvoorbeeld – de hulp van de politie in te schakelen.
Gelet hierop verwerpt de rechtbank het door de verdediging gedane beroep op psychische overmacht.
Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis en een voorwaardelijk gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Voor het geval de rechtbank tot een veroordeling van verdachte zou komen, heeft de verdediging uiterst subsidiair bepleit verdachte tot een beperkte taakstraf te veroordelen.
Het oordeel van de rechtbank.
algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
de ernst van de bewezenverklaarde feiten
Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever van een door hem opgericht bedrijf schuldig gemaakt aan het medeplegen van belastingfraude. Dit bedrijf heeft in 2021, 2022 en 2023 opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan waarbij fictieve bedragen aan omzet en voorbelasting op de aangiften zijn vermeld. Het gevolg daarvan was dat de belastingdienst ten onrechte uitbetalingen aan die bedrijven heeft gedaan. De goede werking van het belastingsysteem staat of valt met de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van aangiften. Dit systeem is namelijk mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de belastingdienst op basis daarvan in beginsel tot uitbetaling overgaat. Daarvan heeft verdachte misbruik gemaakt. Op die manier heeft hij de fiscus benadeeld voor een bedrag van ongeveer € 71.000,--. Van dat bedrag is € 17.769,-- uitbetaald aan het door verdachte opgerichte bedrijf. Van dit bedrag heeft verdachte zelf niets overgehouden.
de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van belastingfraude. Daarbij stelt de rechtbank vast dat het initiatief tot het plegen van de bewezenverklaarde feiten niet van verdachte is uitgegaan, dat hij niet de drijvende kracht achter het bewezenverklaarde feit is geweest en dat hij tot 8 oktober 2021 in de veronderstelling verkeerde dat [bedrijf] daadwerkelijk werkzaamheden zou gaan uitvoeren. Maar ook dat verdachte niet heeft geprobeerd de fraude te stoppen nadat verdachte daarvan op de hoogte was geraakt.
De rechtbank zal bij een op te leggen straf ook de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte meewegen zoals die tijdens de tenlastegelegde periode bestonden en zoals die in de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting van 13 november 2025 naar voren zijn gekomen. De rechtbank weegt het belaste verleden en de beperkte verstandelijke vermogens van verdachte daarin mee.
Ook houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van verdachte. Verdachte heeft vanaf zijn eerste verhoor tot aan de behandeling van deze zaak op de zitting van 13 november 2025 volledige openheid van zaken gegeven en zijn aandeel in de bewezenverklaarde feiten bekend. Daaruit blijkt dat verdachte verantwoording voor zijn daden wil nemen.
Tenslotte heeft de verdediging toepassing van het adolescentenstrafrecht bepleit. De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden berecht op basis van het volwassenenstrafrecht. Verdachte was op het moment van het plegen van het delict meerderjarig en uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 13 november 2025 is onvoldoende naar voren gekomen dat sprake is van feiten of omstandigheden die toepassing van het adolescentenstrafrecht wenselijk maken.
de strafmodaliteit en op te leggen straf
De rechtbank acht oplegging van een taakstraf passend en geboden. Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal de rechtbank bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd.
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. Bij het bepalen van de hoogte van deze straf heeft de rechtbank vooral acht geslagen op het feit dat verdachte er zelf niets aan de bewezenverklaarde feiten over heeft gehouden omdat verdachte niet zelf degene is geweest die de onjuiste belastingaangiften heeft ingediend. Deze straf is dan ook fors lager dan de straffen die aan medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden opgelegd. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte in het begin niet bewust de keus heeft gemaakt om een bedrijf op te richten om er belastingfraude mee te plegen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en
68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
medeplegen van: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en de schuldige feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf.
een taakstraf voor de duur 100 uren [honderd uren] te vervangen door 50 dagen hechtenis indien veroordeelde deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,
mr. G.M. Blanken en mr. S.H. Schepers, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 19 december 2025.