ECLI:NL:RBOBR:2025:8316

ECLI:NL:RBOBR:2025:8316, Rechtbank Oost-Brabant, 19-12-2025, 82/019598-24

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 19-12-2025
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer 82/019598-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever van een tweetal door hem opgerichte bedrijven schuldig gemaakt aan het medeplegen van belastingfraude. Aanvankelijk heeft verdachte toegelaten dat via zijn bedrijven onjuiste aangiften omzetbelasting werden ingediend. Nadat de samenwerking met zijn mededaders was verbroken, heeft verdachte vanaf het vierde kwartaal van 2021 zelf namens de door hem opgerichte bedrijven onjuiste aangiften omzetbelasting ingediend en zijn de vanaf dat moment ontvangen betalingen van de belastingdienst tot een bedrag van ongeveer € 90.000,-- aan verdachte zelf ten goede gekomen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 82.019598.24

Datum uitspraak: 19 december 2025

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1998] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 november 2025 en 11 december 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen/laten doen, door (telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven en/of te doen/laten opgeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen/laten doen, door (telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven en/of te doen/laten opgeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 juni 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. [bedrijf 1] , op één of meer tijdstippen in of omstreeks 2 januari 2020 tot en met 2 april 2023 in Utrecht en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over:

- het vierde kwartaal van 2019 (DOC-082) en/of

- het tweede kwartaal van 2022 (DOC-020) en/of

- het derde kwartaal van 2022 (DOC-020) en/of

- het vierde kwartaal van 2022 (DOC-020) en/of

- het eerste kwartaal van 2023 (DOC-020)

2. [bedrijf 2] , op één of meer tijdstippen in of omstreeks 2 januari 2020 tot en met 2 april 2023 in Utrecht en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een

(of meer) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 2]

over:

- het vierde kwartaal van 2019 (DOC-081) en/of

- het eerste kwartaal van 2022 (DOC-019) en/of

- het tweede kwartaal van 2022 (DOC-019) en/of

- het vierde kwartaal van 2022 (DOC-019) en/of

- het eerste kwartaal van 2023 (DOC-019)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de tenlastegelegde feiten.

De feiten.

Verdachte wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de gedragingen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] daaruit bestaande dat deze bedrijven in 2019, 2022 en 2023 onjuiste aangiften omzetbelasting hebben gedaan. Op basis van deze onjuiste aangiften heeft de belastingdienst betalingen aan de bedrijven van verdachte verricht.

Verdachte heeft verklaard dat hij aanvankelijk niet wist dat zijn bedrijven waren bestemd om de belastingdienst te bewegen op basis van onjuiste aangiften omzetbelasting uitbetalingen aan die bedrijven te doen. Verdachte heeft bekend dat hij vanaf de aangifte over het vierde kwartaal van 2021 wist dat de aangiften omzetbelasting voor zijn bedrijven onjuist waren en dat de uitkeringen van de belastingdienst aan zijn bedrijven ten onrechte waren gedaan.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden vindt de officier van justitie de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte tenlastegelegde feiten in beginsel bewijsbaar zijn.

Het oordeel van de rechtbank.

de bewijsmiddelen

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

nadere overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van de strafbaarheid van de rechtspersoon

 Het kader.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een rechtspersoon aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. De vraag wanneer een verboden gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer een of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen:

Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

 Het kader toegepast op deze zaak.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] onjuiste aangiften omzetbelasting hebben gedaan. Op grond van die aangiften is de belastingdienst overgegaan tot uitbetalingen aan de hiervoor genoemde bedrijven.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersonen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Het doen van aangifte omzetbelasting past namelijk binnen de normale bedrijfsvoering van die rechtspersonen, de gedragingen zijn de rechtspersonen dienstig geweest en de rechtspersonen beslisten of deze handelingen al dan niet plaatsvonden. Het zijn dus de hiervoor genoemde rechtspersonen die kunnen worden aangemerkt als dader van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van verdachte als feitelijk leidinggever

 Het kader

Nu de rechtspersonen als daders kunnen worden aangemerkt, is de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Feitelijk leiding geven kan ook bestaan uit het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken.

In feitelijk leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn als verdachte bekend was met soortgelijke (strafbare) feiten die eerder door de rechtspersoon zijn begaan.

Feitelijk leidinggeven kan dus bestaan uit actieve gedragingen van de leidinggever, maar ook uit bewust niet ingrijpen, nalaten en/of stilzitten. Het niet ingrijpen, nalaten en/of stilzitten moet de verdachte dan wel kunnen worden verweten, bijvoorbeeld omdat hij bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van de strafbare gedraging. Daarvoor is niet vereist dat de verdachte precies heeft geweten waar, wanneer en hoe het specifieke strafbaar feit is begaan

 Het kader toegepast op de deze zaak.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte heeft de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] opgericht met zichzelf als enig bestuurder en enig aandeelhouder. Om deze bedrijven op te kunnen richten heeft verdachte een de notaris bezocht en heeft hij alle handtekeningen geplaatst die nodig waren voor het oprichten van deze bedrijven. Verdachte heeft voor beide bedrijven bankrekeningen geopend en hij heeft die bedrijven bij de Kamer van Koophandel ingeschreven.

Ter terechtzitting van 13 november 2025 heeft verdachte verklaard dat hij door een tussenpersoon is benaderd om voor anderen [hierna: de groep] de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] op te richten om hiermee geld te gaan verdienen. Verdachte heeft deze bedrijven opgericht en voor die bedrijven eHerkenning aangevraagd om het mogelijk te maken digitale aangiften omzetbelasting bij de belastingdienst in te dienen. Verder heeft verdachte verklaard dat hij alle brieven die hij met betrekking tot deze bedrijven ontving aan de tussenpersoon gaf en dat hij de bankpassen en de daarbij behorende pincodes aan de tussenpersoon heeft gegeven. De tussenpersoon kwam – telkens nadat de belastingdienst geld op de bankrekeningen had gestort – met de bankpassen naar verdachte waarna verdachte het geld van die rekeningen pinde en aan de tussenpersoon gaf. Verdachte heeft verklaard van die transacties ongeveer € 10.000,-- voor zichzelf te hebben gehouden. Daarnaast heeft verdachte naar eigen zeggen een bedrag van 45.000 euro gebruikt om een schuld bij RVO af te lossen.

De eerste betaling van de belastingdienst heeft op 15 januari 2021 plaatsgevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij aanvankelijk niet wist dat de bedrijven alleen waren opgericht om geld bij de belastingdienst te claimen, maar dat hij het wel prettig vond dat hij geld ontving zonder dat hij daar veel voor hoefde te doen. Nadat de rechtbank verdachte ter terechtzitting het document met kenmerk DOC-105 had voorgehouden, heeft verdachte verklaard dat hij de aangiften omzetbelasting vanaf het vierde kwartaal van 2021 voor beide bedrijven zelf heeft ingevuld en heeft ingediend bij de belastingdienst en dat hij op dat moment ook wist dat daar geen werkzaamheden tegenover stonden.

Het oordeel van de rechtbank.

Periode tot 15 januari 2021

Op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan de rechtbank niet uitsluiten dat verdachte – tot de eerste uitbetaling door de belastingdienst op 15 januari 2021 die zag op het vierde kwartaal van 2019 – in de veronderstelling verkeerde dat de door hem opgerichte bedrijven werkzaamheden zouden gaan uitvoeren. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het doen van onjuiste aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019.

Periode vanaf 15 januari 2021 tot vierde kwartaal 2021

Vanaf het moment dat de eerste betaling door de belastingdienst was gedaan op 15 januari 2021, had verdachte kunnen en moeten weten dat deze betaling ten onrechte was gedaan omdat er geen werkzaamheden door zijn bedrijven waren uitgevoerd. Vanaf dat moment had hij ook kunnen en moeten weten dat er onjuiste aangiften omzetbelasting werden gedaan en had het op de weg van verdachte gelegen zodanige maatregelen te treffen dit niet meer zou gebeuren. Dat heeft verdachte nagelaten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust niet heeft ingegrepen en dat hij heeft nagelaten deze situatie te beëindigen hoewel verdachte dat wel had kunnen en moeten doen. Hij had bijvoorbeeld zijn bedrijven kunnen opheffen en uitschrijven bij de Kamer van Koophandel of de belastingdienst kunnen bellen om te zeggen dat er iets niet klopte. Door dit nalaten heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voortzetten. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat dit ook is gebeurd.

Door de groep werden over het eerste kwartaal van 2021 tot en met het derde kwartaal van 2021 onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan. Hoewel deze aangiften niet in de tenlastelegging zijn opgenomen, zal de rechtbank daarmee wel rekening houden bij een aan verdachte op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn passieve houding feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen bestaande uit het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door de groep.

Periode na vierde kwartaal 2021

Vanaf het vierde kwartaal 2021 tot en met het eerste kwartaal van 2023 heeft verdachte niet langer in opdracht van de groep, maar voor zichzelf gehandeld. Verdachte heeft bekend dat hij vanaf dat moment de aangiften omzetbelasting over die kwartalen zelf onjuist in strijd met de waarheid heeft ingevuld en bij de belastingdienst heeft ingediend. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verdachte in deze periode vol opzet heeft gehandeld en zich ten aanzien van de in de bewezenverklaring te noemen kwartalen zodanig actief en effectief heeft gedragen dat dit binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijk leiding geven valt.

de conclusie

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

Verdachte zal worden vrijgesproken van medeplegen, omdat verdachte alleen heeft gehandeld voor wat betreft het onjuist invullen en indienen van de in de bewezenverklaring te noemen kwartalen aangifte omzetbelasting.

De bewezenverklaring.

telkens onjuist heeft gedaan door telkens op de ingeleverde/ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
telkens onjuist heeft/ gedaan door telkens op de ingeleverde/ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

De rechtbank komt tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat:

1. [bedrijf 1] , in de periode van 15 januari 2021 tot en met 2 april 2023 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over:

- het tweede kwartaal van 2022 en

- het derde kwartaal van 2022 en

- het vierde kwartaal van 2022 en

- het eerste kwartaal van 2023

2. [bedrijf 2] , in de periode van 15 januari 2021 tot en met 2 april 2023 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 2] over:

- het eerste kwartaal van 2022 en

- het tweede kwartaal van 2022 en

- het vierde kwartaal van 2022 en

- het eerste kwartaal van 2023

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden onder aftrek van voorarrest waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die staan vermeld in het het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 31 oktober 2025. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging bepleit verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf inclusief oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd in combinatie met een forse taakstraf die gelet op de meerdaadse samenloop tussen de bewezenverklaarde feiten hoger kan zijn dan de maximale taakstraf van 240 uur.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever van een tweetal door hem opgerichte bedrijven schuldig gemaakt aan het medeplegen van belastingfraude. Deze bedrijven hebben in 2022 opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan waarbij fictieve bedragen aan omzet en voorbelasting op de aangiften zijn vermeld. Het gevolg daarvan was dat de belastingdienst ten onrechte uitbetalingen aan die bedrijven heeft gedaan. De goede werking van het belastingsysteem staat of valt met de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van aangiften. Dit systeem is namelijk mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de belastingdienst op basis daarvan in beginsel tot uitbetaling overgaat. Daarvan heeft verdachte misbruik gemaakt.

Aanvankelijk heeft verdachte toegelaten dat via zijn bedrijven door de groep onjuiste aangiften omzetbelasting werden ingediend. Nadat de samenwerking met de groep was verbroken, heeft verdachte vanaf het vierde kwartaal van 2021 zelf namens de door hem opgerichte bedrijven onjuiste aangiften omzetbelasting ingediend en zijn de vanaf dat moment ontvangen betalingen van de belastingdienst tot een bedrag van ongeveer € 90.000,-- aan verdachte zelf ten goede gekomen.

Het totale benadelingsbedrag voor de fiscus bedraagt in de periode vanaf 15 januari 2021 een bedrag van ongeveer € 241.000,--waarvan ongeveer € 127.000,-- daadwerkelijk door de belastingdienst aan de door verdachte opgerichte bedrijven is uitbetaald.

strafverzwarende omstandigheden.

Bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten heeft verdachte in het begin een passieve en later een actieve en sturende rol vervuld. Vanaf de aangiften over het vierde kwartaal van 2021 is verdachte de initiatiefnemer en de stuwende kracht achter de bewezenverklaarde feiten geweest.

Uit het procesdossier is de rechtbank voorts gebleken dat verdachte ook anderen in zijn frauduleuze handelen heeft meegetrokken door hen bedrijven te laten oprichten en ook die bedrijven te gebruiken om geld van de belastingdienst te krijgen zonder dat daar enige prestatie tegenover stond. Voor die anderen bepaalde verdachte de gang van zaken en bepaalde hij welke bedragen op de aangiften omzetbelasting werden ingevuld.

de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uit het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport volgt dat verdachte in contact is gekomen met een negatief sociaal netwerk waardoor hij begonnen is met het plegen van deze strafbare feiten. Hierdoor is hij diep in financiële problemen geraakt en vervolgens zag hij geen andere mogelijkheid dan doorgaan met het plegen van strafbare feiten. Uiteindelijk heeft verdachte zijn verantwoording genomen en heeft hij de tenlastegelegde feiten bekend. Op dit moment heeft verdachte een vaste baan en met zijn vriendin heeft hij de zorg over twee jonge kinderen.

de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank is verder van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 13 december 2023, de dag dat verdachte in verzekering is gesteld. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk is toe te rekenen aan de verdediging. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met enkele dagen is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding zodanig gering is dat de rechtbank volstaat met de constatering daarvan zonder aan die overschrijding enig rechtsgevolg te verbinden.

de strafmodaliteit en op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde zo ernstig is dat uit het oogpunt van een juiste normhandhaving in beginsel slechts kan worden volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank slaat daarbij niet alleen acht op het bedrag dat verdachte er zelf aan over heeft gehouden, maar ook op de bedragen die verdachte geprobeerd heeft van de belastingdienst te krijgen omdat hij gedeeltelijk ook zelf degene is geweest die de onjuiste belastingaangiften heeft ingediend.

De combinatie van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het over hem uitgebrachte reclasseringsadvies blijken en de mogelijkheid voor de rechtbank een hogere taakstraf op te leggen dan een taakstraf van 240 uren brengen de rechtbank er echter toe om verdachte een hoge taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 400 uren subsidiair 200 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals de reclassering heeft geadviseerd en die in het dictum van dit vonnis nader zullen worden omschreven. Deze straf is fors hoger dan die van de medeverdachten omdat hij zelf een fors bedrag heeft overgehouden en hij zelf ook degene is geweest die onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en

68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het onder de feiten 1 en 2 bewezen verklaarde levert telkens op het misdrijf:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en de schuldige feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

 een taakstraf van 400 uren [vierhonderd uren] te vervangen door 200 dagen hechtenis indien veroordeelde deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht. De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op twee uren te verrichten arbeid.

 een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt danwel [een van] de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 meldplicht bij de reclassering

Veroordeelde meldt zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd tussen 8:30 en 16:30 bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ te Utrecht en blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

 gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

Veroordeelde neemt actief deel aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden (COVA) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.

 meewerken aan schuldhulpverlening

Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,

mr. G.M. Blanken en mr. S.H. Schepers, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 19 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.M. Vermeulen
  • mr. G.M. Blanken
  • mr. S.H. Schepers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?