ECLI:NL:RBOBR:2025:8380

ECLI:NL:RBOBR:2025:8380, Rechtbank Oost-Brabant, 27-05-2025, C/01/401880 / FA RK 24-371 en C/01/407134 / FA RK 24-3169

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 27-05-2025
Datum publicatie 22-12-2025
Zaaknummer C/01/401880 / FA RK 24-371 en C/01/407134 / FA RK 24-3169
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking

Samenvatting

Echtscheiding. Partneralimentatie. Discussie over toepasselijk recht en uitleg uitzondering van art. 5 Haags Protocol. Laatste gezamenlijke verblijfplaats heeft leidende rol. Andere secundaire criteria leveren zowel aanknopingspunten op voor Zuid-Afrika als Nederland. Daarmee is Zuid-Afrika niet nauwer verbonden dan Nederland en is Nederlands recht van toepassing. Correctie hofnorm in verband met maandelijkse terugkerende uitgaven voor familieleden. Correctie draagkrachtformule vanwege hogere kostenstandaard Verenigd Koninkrijk. Geen brutering van de draagkracht vanwege ontbreken fiscaal voordeel in Verenigd Koninkrijk. Huwelijkse voorwaarden naar Zuid-Afrikaans recht, systeem van aanwasbedeling (accrual). Nog niet ‘geveste’ aandelen behoren niet tot accrual.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familierecht

Zaakgegevens: C/01/401880 / FA RK 24-371 (echtscheiding)

C/01/407134 / FA RK 24-3169 (huwelijksvermogensrecht)

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking van 27 mei 2025

in de zaak van:

[de man],

wonende in [plaatsnaam 1],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Groenleer,

e n

[de vrouw],

wonende in [plaatsnaam 2],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R. Holland.

1. De procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift van de man met bijlagen 1 en 2, binnengekomen op 13 februari 2024;

het exploot van betekening, binnengekomen op 12 maart 2024;

het bericht van de man van 20 maart 2024, met als bijlage de huwelijksakte;

het bericht van de man van 20 maart 2024, met als bijlage het uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) van de vrouw;

het bericht van de man van 25 maart 2024, met als bijlage het BRP-uittreksel van de man;

het verweerschrift van de vrouw met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken) en met bijlagen 1 tot en met 3;

het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, met daarin het verzoek om de procedure te splitsen en een tussenbeschikking te geven;

de reactie van de vrouw op het verzoek tot splitsing en tot het geven van een tussenbeschikking van de man;

de aanvulling/concretisering zelfstandige verzoeken van de vrouw, met bijlagen 4 tot en met 16;

het aanvullende verzoekschrift van de man, met bijlagen 3 tot en met 27;

het bericht van de man van 11 maart 2025, met bijlagen 28 tot en met 35 en met bijlagen 37 tot en met 52;

het bericht van de vrouw van 18 maart 2025, met bijlagen 17 tot en met 27;

het bericht van de man van 24 maart 2025, met bijlagen 53 en 54;

de pleitnota van de man van 28 maart 2025. en;

de pleitnota van de vrouw van 28 maart 2025.

De verzoeken en de verweren zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van28 maart 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:

de man, bijgestaan door zijn advocaat en door mevrouw [tolk], tolk in de Engelse taal, en

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De rechtbank heeft de man in de gelegenheid gesteld om na de mondelinge behandeling gegevens te overleggen waaruit de saldi van zijn bankrekeningen per 13 februari 2024 blijken. Bij bericht van 4 april 2025 heeft hij deze gegevens overgelegd. De vrouw heeft bij bericht van 8 april 2025 de rechtbank laten weten dat zij geen op- of aanmerkingen heeft ten aanzien van die stukken.

2. Waar gaat het over?

Wat staat vast?

De man en de vrouw zijn op [huwelijksdatum] 1998 in [plaatsnaam 3] (Zuid-Afrika) met elkaar getrouwd.

Zij hebben beiden de Zuid-Afrikaanse nationaliteit.

De vrouw staat sinds 5 oktober 2021 ingeschreven in Nederland. De man staat sinds 11 januari 2022 ingeschreven in Nederland

De man en de vrouw hebben twee meerderjarige kinderen, [kind 1] en [kind 2].

De man en de vrouw hebben op 4 december 1997 huwelijkse voorwaarden laten opmaken. Daarin zijn zij – voor zover hier van belang – het volgende overeengekomen (in het Afrikaans):

“En die Komparante het verklaar dat nademaal daar tot ’n huwelik ooreengekom is en dit die voorneme is dat die huwelik tussen hulle voltrek word, hulle ooreengekom het en nou soos volg met mekaar kontrakteer:

 Dat daar geen gemeenskap van goed tussen hulle sal wees nie.

 Dat daar geen gemeenskap van winst en verlies tussen hulle sal wees nie.

 Dat die huwelik onderworpe sal wees aan die aanwasbedeling ingevolge die bepalings van Hoofdstuk 1 van die Wet op Huweliksgoedere, 1984 (Wet No. 88 van 1984)

 Dat vir die doel van bewys van die netto waarde van hulle onderskele boedels by die aanvang van die voorgenome huwelik die voorgenome gades verklaar het dat die netto waarde van hulle onderskele boedels gelyk is, en dat by verdeling dit op ‘n 50% basis verdeel word. Alle bates hetsy dit verkry voor of na die huweliksluiting, maar uitgesonderd die in paragraaf 5 hieronder genoem, sal gevolglik onderhewig wees aan die aanwasbedeling.

 Dat die bates van die partye of van een van hulle twee wat hieronder gelys word en wat die getoonde waardes het, asook alle lasten wat tans daarmee in verband staan, of enige bate verkry deur sodanige party uit hoofde van sy besit of vroeëre besit van sodanige bate, nie by óf die aanvang óf die ontbinding van die huwelik in aanmerking geneem word as deel van sodanige partye se boedel nie.

Die bates van die man, aldus uitgesluit te word:

1. Alle erflatings en geskenke, voor, tydens, of na die voorgenome huwelik ontvang.

Die bates van die vrou, aldus uitgesluit te word:

2. Alle erflatings en geskenke, voor, tydens, of na die voorgenome huwelik ontvang.

(…)”

Wat ligt voor?

De man verzoekt de rechtbank – na aanvulling en wijziging van zijn eerdere verzoeken – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

II. te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

III. de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen conform de randnummers 93 tot en met 112 van zijn aanvullend verzoekschrift van 16 januari 2025;

IV. de eenvoudige gemeenschappen te verdelen conform de randnummers 86 tot en met 92 van zijn aanvullend verzoekschrift van 16 januari 2025.

De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man ten aanzien van het huwelijksvermogensrecht. Zij verzoekt de rechtbank – na aanvulling en wijziging van haar eerdere verzoeken – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

de echtscheiding tussen partijen gehuwd op [huwelijksdatum] 1998 te [plaatsnaam 3] (Zuid-Afrika) uit te spreken;

de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk vast te stellen als volgt:

o te bepalen dat de peildatum voor het bepalen van de omvang van het te verrekenen huwelijksvermogen de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek is, te weten 9 februari 2024;

o te bepalen dat de voormalige echtelijke woning van partijen te [plaatsnaam 2] wordt verkocht aan derden en dat de verkoopopbrengst, na voldoening van de verkoopkosten en aflossing hypothecaire geldlening, tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, e.e.a. conform hetgeen partijen zijn overeengekomen in de deelovereenkomst d.d. 11 november 2024;

o te bepalen dat de woning van partijen in Zuid-Afrika aan de man wordt toebedeeld c.q. behouden tegen een door de (hypotheek)bank te bepalen taxatiewaarde (waarbij de vrouw zich alle rechten voorbehoudt in afwachting van het taxatierapport), waarbij de man dan de volledige hypothecaire geldlening bij [naam 7] volledig voor zijn rekening neemt en voor zover nodig de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijkheid ten aanzien van die lening;

o te bepalen dat iedere partij de op zijn naam staande bankrekeningen zal behouden waarbij de saldi van alle bankrekeningen op peildatum bij helfte verdeeld dienen te worden tussen partijen, inhoudende dat de partij met de hoogste saldi op peildatum de andere dient te vergoeden/compenseren voor het verschil uit hoofde van overbedeling;

o te bepalen dat de waarde van de [naam 1]-aandelen van partijen op peildatum bij helfte verdeeld worden tussen partijen, waarbij iedere partij de op zijn naam staande [naam 1] aandelen zal behouden, inhoudende dat de partij met de hoogste waarde op peildatum de andere dient te vergoeden/compenseren voor het verschil uit hoofde van overbedeling;

o te bepalen dat de door partijen in Nederland opgebouwde pensioenrechten tijdens het huwelijk bij hun werkgever [naam 1] worden verevend conform de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding;

o te bepalen dat de door partijen in Engeland en Zuid-Afrika opgebouwde pensioenrechten tijdens het huwelijk – door partijen zelf – verevend dienen te worden in die zin dat partijen elkaar onderling moeten compenseren voor het verschil in opbouw tijdens het huwelijk;

o te bepalen dat de saldi van de [naam 2] polissen van partijen bij helfte verdeeld worden, waarbij iedere partij de op zijn naam staande polis zal behouden, inhoudende dat de partij met de hoogste waarde op peildatum de andere dient te vergoeden/compenseren voor het verschil uit hoofde van overbedeling;

te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met € 12.245 bruto per maand dan wel een in goede justitie te bepalen bijdrage;

de proceskosten tussen partijen te compenseren.

De man voert verweer tegen het verzoek tot partneralimentatie en verzoekt de rechtbank dit verzoek af te wijzen.

Voor zover dat voor de beoordeling van belang is, gaat de rechtbank hierna nader in op de standpunten van partijen.

3. De beoordeling

Internationaal privaatrecht

Omdat de zaak een internationaal karakter heeft moet de rechtbank eerst vaststellen of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op de verschillende verzoeken en welk recht zij daarbij moet toepassen.

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.De rechtbank zal op het echtscheidingsverzoek Nederlands recht toepassen.

De rechtbank zal op verzoek van beide partijen de echtscheiding uitspreken. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarvan is sprake als het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en het er niet naar uitziet dat het beter wordt. De vrouw en de man hebben gezegd dat dat zo is.

Partneralimentatie

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man een partneralimentatie voldoet van € 12.245 bruto per maand. Zij stelt dat dit verzoek moet worden beoordeeld naar Nederlands recht. Zij heeft behoefte aan dit bedrag en acht de man in staat dit bedrag te betalen.

De man voert hiertegen verweer en vindt dat het verzoek moet worden afgewezen. Hij stelt dat het verzoek moet worden beoordeeld naar Zuid-Afrikaans recht, als het recht van het land dat nauwer met het huwelijk is verbonden. Volgens hem moet naar Zuid-Afrikaans recht het verzoek tot partneralimentatie worden afgewezen, omdat (kort gezegd) de vrouw zelf een goed betaalde baan heeft. Als Nederlands recht van toepassing is, betwist hij dat de behoefte van de vrouw kan worden berekend op basis van de hofnorm. Volgens hem heeft de vrouw haar behoefte dan ook onvoldoende onderbouwd en kan zij worden geacht zelf in haar levensonderhoud te voorzien. Voor zover de rechtbank een behoefte aanneemt, stelt hij dat het hem aan draagkracht ontbreekt om een bijdrage te voldoen.

Rechtsmacht

De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat de vrouw in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft en zij degene is die aanspraak maakt op partneralimentatie.

Toepasselijk recht

Het toepasselijk recht moet worden bepaald aan de hand van de regels van het zogenoemde Haagse Protocol. Als hoofdregel geldt dat het recht wordt toegepast van het land van de gewone verblijfplaats van degene die aanspraak maakt op partneralimentatie. Dat zou hier Nederlands recht zijn, omdat de vrouw in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft.

De man verzet zich echter tegen toepassing van het Nederlandse recht en stelt dat het recht van Zuid-Afrika nauwer is verbonden met het huwelijk, zodat Zuid-Afrikaans recht zou moeten worden toegepast. Hij wijst er (onder meer) op dat partijen het grootste deel van het huwelijk in Zuid-Afrika hebben gewoond, zij daar ook zijn getrouwd, zij de Zuid-Afrikaanse nationaliteit hebben, de man een huis in Zuid-Afrika bezit, waar ook zijn moeder, zijn zus en de zoon van partijen ([kind 1]) wonen. Volgens hem is het verblijf van partijen in Nederland van tijdelijke aard, want hij gaat op zeer korte termijn terug naar het Verenigd Koninkrijk en ook de vrouw is van plan op afzienbare termijn weer naar Zuid-Afrika te gaan.

Volgens de vrouw kan de man geen beroep doen op toepassing van een ander, nauwer verbonden recht. Volgens haar is de uitzondering van het Haagse Protocol bedoeld om te voorkomen dat een alimentatiegerechtigde gaat ‘shoppen’ en in het licht van een scheiding gaat verhuizen naar een land met gunstigere alimentatieregels. In een dergelijk geval kan (alleen) het recht van de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats worden toegepast, maar dat is in dit geval al Nederland. Partijen hebben er samen voor gekozen zich in Nederland te vestigen, zodat Nederlands recht moet worden toegepast. Ook betwist zij dat Zuid-Afrika nauwer met het huwelijk zou zijn verbonden. Zij wijst erop dat partijen al zes jaar niet meer in Zuid-Afrika wonen, zij al drie jaar in Nederland wonen en werken en dat ook hun dochter ([kind 1]) in Nederland woont. Ook zijn zij in Nederland belastingplichtig.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van de man op de uitzondering van het Haagse Protocol niet. De rechtbank volgt daarbij niet de strikte uitleg van de vrouw, die stelt dat de uitzondering van het Haags Protocol slechts mogelijk is als de huidige verblijfplaats van de alimentatiegerechtigde afwijkt van de laatste gemeenschappelijke verblijfplaats. De rechtbank stelt vast dat er in beginsel twee voorwaarden zijn om de uitzondering toe te kunnen passen: verzet en het recht van een ander land is nauwer verbonden. Als aan deze twee vereisten is voldaan, dan kan een uitzondering worden gemaakt op het beginsel dat het recht van de gewone verblijfplaats van de alimentatiegerechtigde wordt gevolgd. De rechtbank moet dus beoordelen of een ander recht nauwer verbonden is dan Nederlands recht, omdat de man zich verzet. In het toelichtende verslag van Bonomi bij het Haags Protocol (hierna: het verslag) worden criteria genoemd die betrokken kunnen worden bij de beoordeling welk rechtsstelsel het nauwst verbonden is: ‘de gewone verblijfplaats van de echtgenoten en / of de woonplaats gedurende het huwelijk, hun nationaliteiten, de plaats waar het huwelijk is voltrokken en de plaats waar [..] de echtscheiding plaatsvond’. Daarbij wordt in het verslag ‘een leidende rol’ toegekend aan de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats omdat dit recht relevante verbondenheid heeft met het huwelijk. Verder wordt in het verslag opgemerkt dat het feit dat partijen nog altijd in dezelfde staat verblijven als die laatste gemeenschappelijke verblijfplaats het moeilijker maakt (maar: ‘theoretisch wel mogelijk’) om de hoofdregel van artikel 3 aan de kant te schuiven. De andere criteria zoals de gemeenschappelijke nationaliteit lijken aldus het verslag van ‘secundair belang’.

Ook uit Nederlandse jurisprudentie maakt de rechtbank op dat terughoudend omgegaan wordt met deze uitzondering, zeker waar het gaat om de keuze voor een ander rechtstelsel dan dat van de laatste gemeenschappelijke verblijfplaats. Kort samengevat komt het er op neer dat de laatste gezamenlijke verblijfplaats (de laatste plaats waar beide echtgenoten hebben gewoond, in dit geval Nederland) in beginsel gezien wordt als het meest verbonden recht, tenzij er (overduidelijk) een ander land nauwer verbonden is.

De rechtbank is het met de man eens dat er een zekere verbondenheid is met het Zuid-Afrikaans recht. Partijen hebben de Zuid-Afrikaanse nationaliteit, zijn daar getrouwd, hebben daar langere tijd gewoond en een van hun volwassen kinderen woont daar nog. Maar de rechtbank ziet niet dat deze verbondenheid nauwer is dan de verbondenheid bij Nederlands recht. Partijen hebben immers ook enkele jaren samen in Nederland gewoond en gewerkt (en belasting betaald), de vrouw woont en werkt nog steeds in Nederland en zij wil hier vooralsnog blijven wonen. De dochter van partijen studeert in Nederland. Tot slot zal de echtscheiding hier worden uitgesproken.

Daarbij geldt dus het uitgangspunt dat de laatste gezamenlijke verblijfplaats van de echtgenoten een leidende rol speelt en dat de andere ‘secundaire’ criteria zowel aanknopingspunten voor Zuid-Afrika als voor Nederland opleveren. De rechtbank is kortom van oordeel dat Zuid-Afrikaans wel nauw maar niet nauwer is verbonden. Om die reden zal Nederlands recht worden toegepast op het verzoek.

Huwelijksgerelateerde behoefte

De vrouw heeft haar behoefte becijferd op € 11.321 per maand in 2025. Daarbij gaat zij uit van de inkomsten van partijen in 2023 en de zogenoemde hofnorm. De man stelt dat in dit geval niet van de hofnorm kan worden uitgegaan en dat de vrouw haar behoefte nader had moeten onderbouwen. Volgens hem ging namelijk een groot deel van het inkomen van partijen al naar hun zoon en dochter en andere familieleden, waardoor dat deel van het inkomen niet bepalend was voor de welstand van partijen. Ook ging een deel van het inkomen op aan de woning in Zuid-Afrika en aan reiskosten van zowel partijen als van hun familieleden.

Met de man is de rechtbank van oordeel dat de hofnorm hier niet zonder meer kan worden toegepast, omdat partijen er tijdens het huwelijk voor kozen een aanzienlijk deel van het gezamenlijke inkomen te besteden aan hun meerderjarige kinderen en andere familieleden in Zuid-Afrika. Het gaat echter te ver om daaraan de conclusie te verbinden dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij helemaal geen behoefte heeft aan een bijdrage. Duidelijk is dat er sprake is van een groot verschil in inkomen tussen de man en de vrouw. Ook heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat een deel van dit hogere inkomen van de man ook aan haar ten goede is gekomen, naast de uitgaven die partijen deden aan familieleden in Zuid-Afrika. Zo zijn de kosten waaraan de vrouw ter zitting heeft gerefereerd, zoals haar reiskosten van € 2.000 per maand en de kosten die de man in het kader van de voorlopige regeling betaalt, van zodanige omvang dat die niet alleen uit het inkomen van de vrouw konden worden betaald. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het passend om voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw wel uit te gaan van een gezamenlijk inkomen van partijen, maar daarop een aantal correcties toe te passen.

Daarbij past de rechtbank die correcties toe die zien op maandelijks terugkerende uitgaven en die zijn te beschouwen als een morele verplichting van partijen om voor hun familieleden te zorgen. Van die kosten kan namelijk gezegd worden dat het geen volledige vrije keuze van partijen was, anders dan bijvoorbeeld de kosten die de man opvoert voor de schenking van een geluidsinstallatie aan de ouders van de vrouw. Zo zal de rechtbank, net als bij de hofnorm voor minderjarige kinderen wordt gedaan, de kosten van de meerderjarige kinderen van partijen in mindering brengen, die door de man zijn becijferd op € 1.955 voor [kind 1] en € 2.374 voor [kind 2]. Ook houdt de rechtbank rekening met de kosten die de man maakt voor zijn moeder, die hij becijfert op € 614 per maand. De man heeft met zijn bijlage 44 laten zien dat hij, in ruil voor een goede prijs voor de woning in Zuid-Afrika die voorheen aan zijn moeder toebehoorde, heeft toegezegd haar te zullen onderhouden. Omdat de man daarbij aan (onder meer) zijn moeder en de zoon van partijen onderdak verschaft door hen zonder vergoeding in de woning in Zuid-Afrika te laten wonen, zal de rechtbank ook rekening houden met een deel (€ 555) van de opgevoerde kosten van de woning in Zuid-Afrika. Al met al zal de rechtbank een correctie op het netto-gezinsinkomen van partijen toepassen van afgerond € 5.500 per maand.

Wat het inkomen van partijen betreft, zal de rechtbank uitgaan van hun inkomen in 2023. Dat is namelijk het laatste volledige jaar waarin partijen hebben samengewoond. Daarbij gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties van partijen in plaats van de jaaropgaven, omdat op de jaaropgaven niet het netto deel van het inkomen staat vermeld dat partijen op basis van de zogenoemde 30%-regeling voor expats ontvangen.

Voor het inkomen van de vrouw hanteert de rechtbank de salarisspecificatie van december 2023, die de vrouw als bijlage 1 heeft overgelegd. Daarin staat een bruto salaris vermeld van € 5.779 per maand. Dat is 70% van haar reguliere salaris en daarnaast ontvangt de vrouw op basis van de hiervoor genoemde expatregeling 30% van haar salaris netto. Dat is een bedrag van € 2.346 per maand, zoals volgt uit de salarisspecificatie. Op het salaris wordt een pensioenpremie ingehouden van € 304 bruto per maand. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat zij geen rekening houdt met vakantiegeld, omdat partijen het erover eens zijn dat hierop geen (afzonderlijke) aanspraak bestaat. Daarnaast laat de rechtbank de fiscale bijtelling voor de auto van de zaak buiten beschouwing (op de salarisspecificatie vermeld als ‘Addit. for company car’), omdat dit geen daadwerkelijk inkomen betreft. Met de overige ‘allowances’ houdt de rechtbank evenmin rekening, omdat hier kosten tegenover staan. Naast het reguliere inkomen ontvangt de vrouw ook een bonus. Omdat de hoogte van deze bonussen over de jaren heen verschilt, houdt de rechtbank rekening met een gemiddelde. Volgens bijlage 1 van de vrouw ontving zij in 2023 een bonus van € 14.340 en was er in 2022 geen bonus. Gegevens over eerdere jaren ontbreken, zodat de rechtbank het gemiddelde van deze twee bonussen zal pakken. Dat komt neer op een gemiddelde bonus van € 7.170. Van deze bonus is 70% belast, zijnde € 5.019 en 30% onbelast, zijnde € 2.151. Tot slot bestond het inkomen van de vrouw uit de uitbetaling van aandelenopties. In haar berekening die als bijlage 11 is overgelegd, rekent de vrouw zelf met een bedrag van € 4.213 bruto per jaar, wat als zodanig tussen partijen niet in geschil is. De rechtbank zal daarom ook rekening houden met een bedrag ter zake van € 4.213 bruto per jaar. Dit alles leidt tot een netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw ten tijde van het huwelijk van € 6.662 per maand.

Voor het inkomen van de man hanteert de rechtbank zijn salarisspecificatie over december 2023, die de vrouw als bijlage 2 heeft overgelegd. Evenals bij de vrouw is het salaris van de man verdeeld in een bruto deel (70%) en een netto deel (30%). Het bruto deel bedraagt € 9.647 en het netto deel € 3.954 per maand. Hierop komt in mindering een pensioenpremie van € 422 bruto per maand. Voor de verbreking van de samenleving had de man nog een auto van de zaak waarvoor een fiscale bijtelling plaatsvond (‘Addit. for Company car’). Evenals bij de vrouw houdt de rechtbank geen rekening met deze bijtelling of met vakantiegeld of de overige allowances. Naast zijn reguliere inkomen ontving de man ook een bonus. De vrouw heeft betoogd dat gerekend moet worden met de bonus over 2023, maar de rechtbank zal (zoals zij ook de berekening van het inkomen van de vrouw heeft gedaan) het gemiddelde pakken van de gemiddelde bonus over de jaren 2022 en 2023 omdat deze bonussen jaarlijks verschilden. Onder randnummer 79 van zijn aanvullend verzoekschrift heeft de man vermeld dat hij over 2022 een bonus heeft ontvangen van € 8.413 en over 2023 een bonus van € 42.483. Gemiddeld is dat € 25.448 per jaar. Daarvan is 70% belast, zijnde € 17.814 en 30% onbelast, zijnde € 7.634. Tot slot verschillen partijen van mening over de vraag welk inkomen de man daarnaast had uit de uitbetaling van aandelenopties. De man heeft als bijlage 50 een overzicht overgelegd, waaruit de betalingen van 2021 tot en met 2025 blijken. Evenals bij de bonus verschillen deze uitbetalingen aanzienlijk per jaar. Gelet op deze verschillen acht de rechtbank het niet redelijk om alleen te kijken naar de betalingen in 2023, zoals de vrouw ter zitting heeft gesteld. Kijkend naar het totaal van uitbetalingen in de jaren 2021 tot en met 2023 komt de rechtbank het eerder door de vrouw in haar berekening (bijlage 12) genoemde bedrag van € 55.000 bruto per jaar redelijker voor, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Al met al bedraagt het NBI van de man ten tijde van het huwelijk daarmee € 13.078 per maand.

Het netto-gezinsinkomen bedroeg dus (6.662 + 13.078 =) € 19.740 per maand. Met de correcties zoals hiervoor beschreven, bleef er voor partijen een bedrag van (19.740 – 5.500 =) € 14.240 per maand over. Conform de hofnorm bepaalt de rechtbank de behoefte van de vrouw op 60% van dit bedrag, dus € 8.544 per maand in 2023. Geïndexeerd naar 2025 is dat € 9.664 per maand.

Resterende behoefte

Vervolgens is de vraag in hoeverre de vrouw zelf in deze behoefte kan voorzien. Partijen zijn het erover eens dat daarvoor uit kan worden gegaan van het huidige inkomen van de vrouw.

Voor de hoogte van dat inkomen sluit de rechtbank aan bij de gegevens zoals vermeld in de salarisspecificatie van december 2024, die de vrouw als bijlage 14 heeft overgelegd. Daarmee wijkt de rechtbank af van de berekening die de vrouw had gemaakt op basis van haar jaaropgaaf, omdat op de jaaropgaaf het netto deel van de inkomsten van de vrouw niet staat vermeld. Uit de salarisspecificatie over december 2024 volgt een bruto deel van het reguliere salaris van € 5.840 per maand en een netto deel van € 2.373 per maand. Hierop komt een pensioenpremie in mindering van € 304 bruto per maand. Wat de bonussen betreft, rekent de rechtbank (evenals de man) met een gemiddelde over de laatste drie jaren. Volgens de opgave van de vrouw bedroeg de bonus in 2024 € 10.219. Met de hiervoor in het kader van de huwelijksgerelateerde behoefte genoemde bonussen uit 2023 en 2022 komt dat neer op een gemiddelde bonus van € 8.186 per jaar. Daarvan is 70% belast, zijnde € 5.730 en 30% onbelast, zijnde € 2.456 per jaar. Wat het inkomen van de vrouw uit uitbetaling van aandelenopties betreft, zijn partijen het erover eens dat dit kan worden gesteld op € 4.213 bruto per jaar, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.

Uitgaande van voormelde gegevens bedraagt het NBI van de vrouw € 6.898 per maand. Dat is niet voldoende om in de huwelijksgerelateerde behoefte van € 9.664 per netto maand te voorzien. Er blijft een netto resterende behoefte over van € 2.766 per maand. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog inkomstenbelasting en een bijdrage voor de Zorgverzekeringswet betalen. Daarom bruteert de rechtbank voormeld netto bedrag tot € 5.474 per maand.

Draagkracht van de man

De vrouw acht de man in staat de verzochte bijdrage te voldoen. De man heeft op zijn beurt betwist dat hij voldoende draagkracht heeft om de verzochte partneralimentatie te voldoen, mede vanwege de kosten die hij voor zijn familieleden voldoet en zijn woning in Zuid-Afrika. Om te beoordelen in hoeverre de man een bijdrage kan betalen, zal de rechtbank hierna ingaan op zijn inkomen en de lasten die hij daaruit moet betalen.

Inkomen van de man

De man heeft te kennen gegeven dat hij vergevorderde plannen heeft om terug te verhuizen naar het Verenigd Koninkrijk en dat daarmee zijn inkomen zal gaan veranderen. Desondanks heeft de man te kennen gegeven dat voor de berekening kan worden uitgegaan van het inkomen dat hij in Nederland verdiende, omdat nog onbekend is wat zijn inkomen in het Verenigd Koninkrijk zal zijn. De rechtbank zal de man daarin volgen en uitgaan van de salarisspecificatie van februari 2025, die als bijlage 41 is overgelegd . Daaruit volgt een bruto deel van het reguliere salaris van de man van € 9.963 per maand en een netto deel van € 4.626 per maand. Hierop komt een pensioenpremie in mindering van € 447 bruto per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een ‘car allowance’ van € 1.279 bruto per maand. Anders dan op de eerder genoemde salarisspecificatie over 2023 (zie hiervoor bij de huwelijksgerelateerde behoefte) betreft dit namelijk geen fiscale bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak, maar is dit een daadwerkelijke uitbetaling juist omdat de man geen zakelijke auto meer rijdt. Daarmee is dit daadwerkelijk inkomen dat kan worden gebruikt voor de betaling van partneralimentatie. Weliswaar is deze betaling bedoeld als tegemoetkoming in de autokosten van de man, maar de kosten van zijn auto gaan niet voor op zijn verplichting om partneralimentatie te betalen. Bovendien wordt deze ‘allowance’ ook door de fiscus belast, wat aangeeft dat de fiscus dit kennelijk ook als een verkapt loon beschouwt. Wat de bonussen van de man betreft, zal de rechtbank net als bij de vrouw uitgaan van het gemiddelde aan bonussen over de laatste drie jaar. Dit sluit ook aan bij wat de man zelf doet in zijn als bijlage 42 overgelegde draagkrachtberekening. In randnummer 79 van zijn aanvullend verzoekschrift heeft de man te kennen gegeven dat zijn bonus in 2024 € 74.145 bedroeg. Samen met de bonussen over 2022 en 2023 die hiervoor in het kader van de huwelijksgerelateerde behoefte zijn genoemd, komt dat neer op een gemiddelde bonus van € 41.680 per jaar. Hiervan is 70% belast, zijnde € 29.176 en 30% onbelast, zijnde € 12.504.

Partijen verschillen van mening in hoeverre bij de draagkracht van de man ook rekening moet worden gehouden met de uitbetaling van aandelenopties. Anders dan de man heeft betoogd, acht de rechtbank het niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid om met verwachte toekomstige uitbetalingen rekening te houden. Bij de bepaling van de draagkracht gaat het namelijk om het inkomen dat iemand zich in de toekomst redelijkerwijs kan verwerven. Tussen partijen is niet in geschil dat, zolang de man bij zijn huidige werkgever blijft werken (of dit nu de Nederlandse of Engelse tak van het bedrijf betreft), hij in aanmerking zal blijven komen voor de uitbetaling van deze aandelenopties. In die zin verschillen de aandelenopties niet van de bonussen die de man ontvangt en waarmee de rechtbank ook rekening houdt. Wel kan de rechtbank de man volgen in zijn stelling dat de uitbetaling van de aandelenopties niet moet worden betrokken bij zijn draagkracht, voor zover daarover al moet worden afgerekend in het kader van het huwelijksvermogensregime van partijen (de ‘aanwasbedeling’ of ‘accrual’). Zoals echter hierna bij de bespreking van het huwelijksvermogensregime aan de orde komt, zal de rechtbank in dat kader geen rekening houden met de aandelenopties, zodat zich ter zake geen dubbeltelling voor doet. Wat de hoogte van de te verwachten uitbetalingen betreft, kijkt de rechtbank naar de brief met het overzicht van eerdere uitbetalingen, dat de man als bijlage 50 heeft overgelegd. Gezien de daarin genoemde bedragen komt de rechtbank het bedrag aan uitbetaling dat de vrouw hanteert van € 55.000 bruto per jaar niet onredelijk voor, zodat de rechtbank dit bedrag meeneemt in de berekening.

Rekening houdend met de Nederlandse belastingtarieven, bedraagt het NBI van de man op basis van voornoemde gegevens € 15.485 per maand.

Lasten van de man

Conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak houdt de rechtbank rekening met woonbudget van 30% van het NBI. Dat komt hier neer op een bedrag van € 4.646 per maand. De man heeft gesteld dat afzonderlijk ook rekening moet worden gehouden met de kosten van zijn woning in Zuid-Afrika, die hij heeft gesteld op € 1.474 per maand. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Nog los van de vraag of de kosten van een tweede woning voor zouden moeten gaan op de onderhoudsverplichting van de man tegenover de vrouw, is het woonbudget hier dermate ruim dat de man kan worden geacht de kosten van deze woning hieruit te voldoen naast de kosten van zijn (toekomstige) eigen woning.

Wel volgt de rechtbank de man in zijn stelling dat rekening moet worden gehouden met een hoger bedrag voor kosten van levensonderhoud, dan het gebruikelijke forfaitaire bedrag van € 1.310 per maand. De vrouw heeft namelijk niet betwist dat de kosten voor levensonderhoud hoger liggen in het Verenigd Koninkrijk dan in Nederland. Daarom zal de rechtbank aansluiten bij de door de man genoemde verhoging van € 300 per maand en rekenen met een bedrag aan kosten voor levensonderhoud van € 1.610 per maand.

Verder heeft de man gesteld dat rekening moet worden gehouden met de kosten van [kind 1] en [kind 2] die hij heeft gesteld op € 1.955 respectievelijk € 2.374 per maand. De rechtbank volgt de man hierin niet, omdat het hier gaat om kosten van kinderen die ouder zijn dan achttien jaar. De Zuid-Afrikaanse Children’s Act 38 uit 2005, waarin de verplichting tot kinderalimentatie is geregeld, ziet alleen op kinderen tot 18 jaar. Dat de kinderen behoeftig zouden zijn en de man op basis daarvan gehouden is een bijdrage te blijven betalen, is onvoldoende gebleken. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [kind 1] inmiddels 27 jaar is en al geruime tijd is afgestudeerd. [kind 2] studeert weliswaar nog, maar zij is inmiddels ook 23 jaar. Tot slot zou ook de vrouw kunnen bijdragen in deze kosten. Daarom houdt de rechtbank het erop dat het een eigen keuze van de man is om voor [kind 1] en [kind 2 te betalen en die keuze kan niet op de vrouw worden afgewenteld.

Wel houdt de rechtbank rekening met de (reguliere) bijdrage die de man voor zijn moeder voldoet van omgerekend € 614 per maand, zoals volgt uit zijn bijlage 20. Ten aanzien van deze bijdrage heeft de man namelijk met zijn bijlage 44 onderbouwd dat hij bij de overname van de woning van zijn moeder in Zuid-Afrika is overeengekomen dat hij haar zal blijven onderhouden. Dat heeft hij tijdens het huwelijk ook steeds gedaan. Daar staat ook tegenover dat hij daardoor voor een lager bedrag de woning in Zuid-Afrika kon kopen, waar de vrouw in zekere zin ook van meeprofiteert. De woning behoort daarmee namelijk tot de ‘aanwas’ of ‘accrual’ van de man, waar de vrouw in meedeelt en wat hierna nader aan de orde zal komen.

Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank rekening met een totaal aan lasten van de man van € 6.870 per maand.

Conclusie ten aanzien van de draagkracht

Na aftrek van de lasten resteert van het NBI van de man een bedrag van € 8.615 per maand. Volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie is hiervan een bedrag van 60% beschikbaar voor partneralimentatie, zijnde € 5.169 per maand. In Nederland zou de te betalen partneralimentatie aftrekbaar zijn, waardoor de man minder belasting hoeft te betalen en wat zijn draagkracht vergroot. Omdat hier echter duidelijk is dat de man op afzienbare termijn naar het Verenigd Koninkrijk zal verhuizen en dan geen aanspraak meer kan maken op deze aftrek naar Nederlands fiscaal recht, zal de rechtbank geen rekening houden met een fiscaal voordeel. In haar pleitnota heeft de vrouw met een verwijzing naar een Engelse website nog betoogd dat de man ook in het Verenigd Koninkrijk aanspraak kan maken op fiscale aftrek. Volgens die website bestaat echter een dergelijk aanspraak alleen indien beide ex-echtgenoten zijn geboren voor 6 april 1935 (en ook nog aan andere voorwaarden voldaan is). Dat is hier niet het geval. Daarom gaat de rechtbank uit van een uiteindelijke draagkracht van de man van € 5.169 per maand.

Inkomensvergelijking

Hiervoor heeft de rechtbank berekend dat de man een bedrag van € 5.169 per maand kan betalen en dat de vrouw ook behoefte heeft aan dit bedrag (namelijk iets meer € 5.474 per maand). Het ligt dan voor de hand dat de man een bedrag van € 5.169 aan partneralimentatie moet betalen. De man heeft echter gesteld dat, mede gelet op zijn extra lasten, er een vergelijking moet worden gemaakt tussen de situaties van partijen. De rechtbank volgt de man daarin, want het zou onredelijk zijn als door de betaling van de partneralimentatie de man minder overhoudt dan de vrouw.

De rechtbank berekent dat als de man naast zijn extra lasten voor levensonderhoud van € 300 en de kosten voor zijn moeder van € 614 een partneralimentatie van € 5.169 hij een besteedbaar inkomen heeft van € 9.402. De vrouw zou met de ontvangen partneralimentatie (na aftrek van de daarover verschuldigde belasting) een inkomen overhouden van € 9.511 per maand. Daarmee zou de vrouw beter af zijn dan de man, zodat de rechtbank het bedrag aan partneralimentatie zal corrigeren. De rechtbank berekent dat bij een partneralimentatie van € 5.097 per maand, beide partijen ieder een gelijk besteedbaar inkomen overhouden, namelijk € 9.474 per maand.

Conclusie ten aanzien van partneralimentatie

Gelet op wat hiervoor is overwogen zal de rechtbank de partneralimentatie bepalen op een bedrag van € 5.097 per maand. Deze partneralimentatie gaat in per de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De man moet deze bijdrage voor de eerste van iedere maand vooraf betalen, omdat het gaat om kosten die in die maand worden gemaakt.

Huwelijksvermogensregime

Rechtsmacht

Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om over de echtscheiding te beslissen. Om die reden komt de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe om te beslissen op het nevenverzoek ten aanzien van het huwelijksvermogensregime.

Toepasselijk recht

Aangezien partijen op [huwelijksdatum] 1998 zijn getrouwd, moet de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen worden beantwoord aan de hand van de regels van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. In de huwelijkse voorwaarden hebben partijen impliciet, maar ondubbelzinnig, een keuze gemaakt voor het Zuid-Afrikaanse recht door te verwijzen naar de bepalingen van de Zuid-Afrikaans ‘Wet op de Huweliksgoedere, 1984 (Wet No. 88 van 1984)’ (hierna: WH). Daarom past de rechtbank dat recht toe.

Inhoud van het Zuid-Afrikaans huwelijksvermogensrecht en huwelijkse voorwaarden

Partijen hebben in de huwelijkse voorwaarden (HV) gekozen voor toepassing van het systeem van de ‘aanwasbedeling’ (Afrikaans) of ‘accrual’ (Engels). In navolging van partijen zal de rechtbank hierna de Engelse term ‘accrual’ aanhouden. Het systeem van de accrual houdt in dat in kaart moet worden gebracht wat ieders accrual (aangewassen vermogen tijdens het huwelijk) is. Daarbij verkrijgt de echtgenoot wiens vermogen geen accrual kent of een kleinere accrual dan het vermogen van de ander, een vordering op de andere echtgenoot ter hoogte van de helft van het verschil tussen de beide accruals. Anders gezegd, partijen dienen over de totale accrual af te rekenen, in die zin dat ieder de helft van de waarde van de totale accrual verkrijgt.

In de HV zijn partijen overeengekomen dat het vermogen op het moment van aanvang van het huwelijk gelijk aan elkaar was. Daarom zal het voorhuwelijkse vermogen meegenomen worden bij de berekening van de accrual, voor zover dit is niet is uitgezonderd in paragraaf 5 HV. In die paragraaf zijn partijen overeengekomen dat alle erfenissen en schenkingen voor, tijdens of na het huwelijk buiten het systeem van de accrual vallen. Partijen zijn het erover eens dat van dergelijke erfenissen en schenkingen geen sprake is. Voor de goede orde merkt de rechtbank daarbij op dat de man heeft gesteld dat de woning in Zuid-Afrika (deels) als een schenking van zijn moeder zou kunnen worden beschouwd, maar alleen voor zover de rechtbank bij de partneralimentatie geen rekening zou houden met de bijdragen die de man in het levensonderhoud van de moeder doet. De man had namelijk betoogd dat in dat geval de lagere prijs die hij destijds voor de woning heeft betaald in feite een schenking was, omdat daar dan geen verplichtingen tegenover stonden. Hiervoor heeft de rechtbank echter bij de berekening van de partneralimentatie rekening gehouden met deze verplichtingen van de man aan zijn moeder, zodat van een schenking geen sprake is.

Gelet op het voorgaande behoort in beginsel al het aanwezige vermogen op de peildatum tot de accrual. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen om als peildatum voor de accrual de datum van indiening van het verzoekschrift te hanteren, te weten 13 februari 2024. Daarom zal de rechtbank hierna in kaart brengen wat op die datum tot de accrual behoorde aan de zijde van de man en aan de zijde van de vrouw. Hoewel de vrouw per bestanddeel van de accrual een verzoek heeft geformuleerd, begrijpt de rechtbank dat de vrouw bedoeld heeft om in totaal haar vordering in het kader van de accrual vast te stellen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de man ook ter zitting heeft aangegeven dat er geen bestanddelen uitgelicht moeten worden, maar dat de accrual in zijn geheel moet worden bezien. Daarom zal de rechtbank hierna ieders totale accrual vaststellen, berekenen welke vordering daaruit voortvloeit en de betreffende partij veroordelen tot het voldoen van die vordering. Voor zover de waardes van de bestanddelen daarbij in Britse Ponden (£) zijn, houdt de rechtbank een omrekenkoers aan van £ 1 = € 1,1952. Voor zover de waardes daarbij in Zuid-Afrikaanse Rand zijn, houdt de rechtbank een omrekenkoers aan van R 1 = € 0,049.

Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat partijen los van het toepasselijke huwelijksvermogensregime ook gezamenlijk eigenaar zijn geworden van een aantal vermogensbestanddelen (de zogenoemde eenvoudige gemeenschappen) en gezamenlijk schuldenaar van een aantal schulden. Strikt gezien behoort ieders onverdeelde aandeel in die vermogensbestanddelen ook tot ieders accrual. Omdat het echter steeds om gelijke aandelen (50-50) gaat, vallen deze aandelen in de afrekening van de accrual tegen elkaar weg. Daarom zal de rechtbank deze eenvoudige gemeenschappen en gezamenlijke schulden niet benoemen bij de vaststelling van de accrual, maar zal zij later afzonderlijk ingaan op de verdeling van deze gemeenschappen en de draagplicht van deze gezamenlijke schulden.

Accrual

Aan de zijde van de man

Partijen zijn het erover eens dat tot de waardes van de volgende bestanddelen op de peildatum tot de accrual van de man behoren:

de woning in Zuid-Afrika verminderd met de daarop rustende hypotheek;

de saldi op zijn bankrekeningen;

de rekening bij [naam 2] van de man in Zuid-Afrika;

het pensioen in het Verenigd Koninkrijk.

Wat de waarde van de woning in Zuid-Afrika betreft zijn partijen op de mondelinge behandeling overeengekomen dat aan de vrouw voor die woning een bedrag van € 40.000 toekomt. Daarom zal de rechtbank deze woning minus de daarop rustende hypotheek meenemen in de accrual van de man voor een totaalbedrag van € 80.000 (waarvan via de afrekening dan de helft aan de vrouw toekomt).

Wat de saldi van de bankrekeningen op de peildatum (13 februari 2024) betreft, heeft de man na de mondelinge behandeling als bijlage bij zijn bericht van 4 april 2025 een overzicht ingediend. Dat overzicht heeft de vrouw niet betwist. Uit dat overzicht blijken de volgende bankrekeningen en saldi:

 [naam 3] …081: € 1.491,23

 [naam 3] …057: € 10.065,12

 [naam 4] …135: £ 54,07 ofwel € 64,62

 [naam 4] …439: £ 33.720,90 ofwel € 40.303,22

 [naam 4] …451: £ 73,53 ofwel € 87,88

 [naam 5] …891: € 161,69

 [naam 6] …169: € 221,23

 [naam 7] …981: R 23.140,00 ofwel € 1.133,86 +

Totaal € 53.528,85

Wat het in Nederland opgebouwde pensioen van de man betreft, zijn partijen het erover eens dat deze verevend dient te worden via de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding en dat dit pensioen daarom niet ook nog moet worden meegenomen bij de accrual. Daarom moet alleen het in het Verenigd Koninkrijk opgebouwde pensioen worden meegenomen bij de accrual.

Partijen zijn het erover eens dat voor de rekening bij [naam 2] van een waarde kan worden uitgegaan van R 1.252.132,76, zoals deze volgt uit bijlage 9 van de vrouw en bijlage 48 van de man. Omgerekend is dat € 61.354,51. Omdat het hier feitelijk geen pensioenrekening betreft houdt de rechtbank geen rekening met belastinglatentie.

Wat het opgebouwde pensioen van de man in het Verenigd Koninkrijk betreft, hebben partijen ermee ingestemd om te rekenen met een gemiddelde van de waardes, zoals die volgen uit door de man overgelegde bijlage 25 (£ 66.120,33) en bijlage 47 (£ 84.411,45). Dit komt neer op ongeveer £ 75.265, zijnde omgerekend € 89.956,73. Hierop komt een belastinglatentie van 30% in mindering, zodat een bedrag van € 62.969,71 resteert.

Partijen verschillen van mening of de man de waarde van de opties van de man in aandelen van zijn werkgever [naam 1] ook tot zijn accrual behoort. Volgens de man behoren de ‘granted’ opties niet tot de accrual, omdat ze voorwaardelijk zijn en daarom nu nog geen waarde hebben. Een voorwaarde is dat de man nog werkt bij [naam 1] op het moment van ‘vesten’. Bovendien zou het gaan om een discretionaire bevoegdheid van [naam 1] om ze uiteindelijk te ‘vesten’. De vrouw betwist dat. Zij stelt dat er verschillende soorten aandelen zijn, waaronder RSU’s die onvoorwaardelijk eigendom van partijen zijn, ook bij uitdiensttreding. Bovendien zijn beide partijen nog gewoon in dienst bij [naam 1]. Zij vindt dan ook dat de man de vrouw moet compenseren voor het verschil in waarde tussen haar aandelen en die van hem, waarbij zij ervan uitgaat dat de man vijfmaal zoveel aandelen als haar heeft.

De rechtbank stelt op basis van productie 7 van de man vast dat de man pas vanaf de daar genoemde data over de RSU’s daadwerkelijk kan beschikken. Vanaf die datum komen de aandelen dan ook pas voor verdeling in aanmerking. De eerder vrijgekomen RSU’s heeft de man direct laten uitbetalen in cash. Op grond van de onderliggende stukken lijkt dit ook te kloppen. De rechtbank kan kortom niet vaststellen dat er onvoorwaardelijke (al geveste) RSU’s zijn en zal de aandelen verder niet meenemen bij de accruel.

Een andere uitleg zou ook onredelijk zijn, omdat de nog te vesten en uit te betalen RSU’s zijn meegenomen bij de berekening van de draagkracht van de man in de partneralimentatie. Als de toekomstige uitbetaling nu meegenomen zou worden in de accrual, dan moet de man dubbel betalen en heeft de vrouw toekomstige extra inkomsten.

Tussen partijen was eerder ook discussie gevoerd over cryptovaluta die de man na de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding heeft aangeschaft. Omdat partijen het er nu over eens zijn om als peildatum de datum van indiening van het verzoekschrift te hanteren en de man op dat moment nog geen cryptovaluta had aangeschaft, behoort er geen cryptovaluta tot de accrual van de man.

Tot slot zijn partijen het erover eens dat de muntenverzameling van de man buiten de accrual dient te worden gehouden, omdat de man deze zal schenken aan de kinderen [kind 1] en [kind 2].

Gezien het bovenstaande bedraagt de accrual aan de zijde van de man € 257.853,07‬.

Aan de zijde van de vrouw

Partijen zijn het erover eens dat de waardes van de volgende bestanddelen de accrual van de vrouw vormen:

de saldi op haar bankrekeningen;

de rekening bij [naam 2] van de vrouw in Zuid-Afrika;

het pensioen in het Verenigd Koninkrijk.

Wat de saldi van de bankrekeningen op de peildatum (13 februari 2024) betreft, heeft de vrouw als bijlage 6 en bijlage 10 een overzicht ingediend. De daarin genoemde (saldi van de) rekeningen van de vrouw heeft de man als zodanig niet betwist. Uit dat overzicht blijken de volgende bankrekeningen en saldi:

 [naam 3]…765: € 1.378,36

 [naam 3]…678: € 26,93

 [naam 3]…193: € 15.228,16

 [naam 6] …635: -/- € 22,53

 [naam 8]: -/- R 34.822,88 ofwel -/- € 1.706,32

 [naam 9] …929: -/- R 36.624,87 ofwel -/- € 1.794,62 +

Totaal € 13.109.98

NB: In een eerder overzicht wordt ook nog een rekening van de vrouw bij [naam 4] genoemd met de opmerking dat de vrouw geen toegang had tot de rekening. Noch de vrouw, noch de man hebben deze rekening nog meegenomen in de verdere overzichten. Voor zover die rekening nog bestaat en de vrouw over het saldo kan beschikken moet zij dit saldo verrekenen met de man.

Net als wat het door de man in Nederland opgebouwde pensioen betreft, zijn partijen het erover eens dat het door de vrouw in Nederland opgebouwde pensioen verevend dient te worden via de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding en daarom niet moet worden meegenomen bij de accrual.

Ten aanzien van de rekening bij [naam 2] in Zuid-Afrika zijn partijen het erover eens dat deze een waarde heeft van R 486.149,99, zoals blijkt uit de door de vrouw overlegde bijlage 20. Omgerekend is dat € 23.821,35.

Wat het pensioen in het Verenigd Koninkrijk is tussen partijen niet in geschil dat kan worden uitgegaan van een waarde van £ 31.071,24. Dit volgt ook uit de door de vrouw overgelegde bijlage 22. Omgerekend is dit € 37.136,35. Na aftrek van een belastinglatentie van 30% resteert dan een bedrag van € 25.995,44.

Evenmin als bij de man houdt de rechtbank rekening met aandelenopties bij de vrouw. Ook bij de vrouw is niet gebleken dat zij op peildatum over een onvoorwaardelijk recht op aandelen beschikte.

Gezien het bovenstaande bedraagt de accrual aan de zijde van de vrouw € 62.926,77.

Conclusie ten aanzien van accrual

Uit wat hiervoor is besproken volgt dat de accrual aan de zijde van de man hoger is dan de accrual aan de zijde van de vrouw. Het verschil bedraagt € 194.926,30. Omdat de accrual van de vrouw lager is, verkrijgt zij daarmee een vordering op de man ter hoogte van de helft van dit verschil. Haar vordering bedraagt daarmee € 97.463,15. De rechtbank zal de man veroordelen om dit bedrag te voldoen als de echtelijke woning zal worden geleverd en de overwaarde zal worden verdeeld.

Verdeling van de eenvoudige gemeenschappen

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan het [adres + postcode] in [plaatsnaam 2] (hierna de echtelijke woning), de inboedel en de honden van partijen. Zij zijn ook gezamenlijk (hoofdelijk) schuldenaar voor de hypothecaire geldlening die verbonden is aan de echtelijke woning. Partijen hebben gevraagd de verdeling van deze gemeenschappen vast te stellen of de wijze van verdeling hiervan te gelasten.

Echtelijke woning en hypotheek

Partijen zijn overeengekomen dat de echtelijke woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde. Over die verkoop hebben zij nadere afspraken gemaakt in de door hen gesloten deelovereenkomst die is overgelegd als bijlage 4 door de man en als bijlage 3 door de vrouw. Met de verkoopopbrengst zal de hypothecaire geldlening worden afgelost en zullen de verkoopkosten worden voldaan, waarna het restant bij helfte tussen partijen wordt gedeeld. De rechtbank zal deze afspraken opnemen in deze beschikking door aanhechting van deze deelovereenkomst in de bijlagen van deze beschikking.

Honden

Partijen zijn het erover eens dat de honden van partijen worden toebedeeld aan de man. Zodra hij beschikt over een visum voor het Verenigd Koninkrijk, dient de man de honden bij de vrouw op te halen.

Auto’s

Partijen zijn overeengekomen dat de auto’s van partijen op naam van de kinderen worden gezet, voor zover dat niet al is gebeurd. Daarbij zijn zij het erover eens dat de schuld die is aangegaan ten behoeve van de auto van [kind 2] door ieder voor de helft zal worden gedragen.

Inboedel

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat zij de inboedel nader in onderling overleg zullen gaan verdelen en dat zij op dit punt geen beslissing van de rechtbank verwachten. De rechtbank beschouwt daarom de eerder gedane verzoeken over de inboedel als ingetrokken.

Afgifte goederen van de man

Partijen zijn het erover eens dat de zaken als genoemd onder randnummer 90 van het aanvullend verzoekschrift van de man alleen aan hem toebehoren. Conform het verzoek van de man zal de rechtbank de vrouw veroordelen om deze goederen (zonder verdere verrekening) aan de man af te geven.

Pensioenen in Nederland

Zoals hiervoor bij de accrual al aan de orde is gekomen, zijn partijen het erover eens dat door hen de in Nederland opgebouwde pensioenen tijdens het huwelijk moeten worden verevend volgens de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om dit te bepalen daarom toewijzen.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.

Proceskosten

De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij een relatie hebben gehad.

4. De beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] 1998 in [plaatsnaam 3] (Zuid-Afrika);

bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 5.097 per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;

beslist dat de man deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;

veroordeelt de man om aan de vrouw ten tijde van de levering van de echtelijke woning aan een derde en verdeling van de overwaarde een bedrag te betalen van € 97.463,15 uit hoofde van de aanwasbedeling (accrual) als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden;

neemt de onderling tussen partijen getroffen regeling over de wijze van verdeling van de echtelijke woning aan het [adres + postcode] in [plaatsnaam 2] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening over in deze beschikking, onder verwijzing naar de aangehechte kopie van deze regeling;

deelt de honden toe aan de man, met de bepaling dat de man deze honden dient op te halen bij de vrouw, zodra hij beschikt over een visum voor het Verenigd Koninkrijk;

veroordeelt partijen om mee te werken aan het overzetten van de auto’s van partijen op naam van hun zoon [kind 1] respectievelijk hun dochter [kind 2], voor zover dit niet reeds is gebeurd, en bepaalt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schuld die is aangegaan ten behoeve van de auto van [kind 2];

veroordeelt de vrouw om de volgende zaken aan de man af te geven zonder nadere verrekening:

 Framed StarWars/ Mandalorian Pictures;

 1x Framed Gilbert rugby ball with hand signatures;

 1x Toy StarWars Darth Vader helmet;

 1x baseball bat pepper grinder;

 1x box with personal items (incl. backpack delivered from amazon in December & exercise yoga ball)

 1x Maloitta AromaFresh bean-to-pot coffee machine;

 1x 65 inch Toshiba LCD Colour TV (SN 8490960 000087 Model 65UL2063DB);

 Bijzondere bureautafel en stoel, bij partijen welbekend;

verklaart voor recht dat de door partijen in Nederland opgebouwde pensioenrechten tijdens het huwelijk bij hun werkgever [naam 1] worden verevend conform de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;

beslist dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;

wijst de verzoeken voor het overige af.

Dit is de beslissing van rechter mr. B. Krijnen, tot stand gekomen in samenwerking met mr. J.A.M.H. de Wit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Bijlagen:

NBI van de vrouw ten tijde van het huwelijk

NBI van de man ten tijde van het huwelijk

Huwelijksgerelateerde behoefte

Resterende behoefte

Draagkracht van de man

Inkomensvergelijking voor correctie

Inkomensvergelijking na correctie

Berekening accrual

Deelovereenkomst over de echtelijke woning

Bijlage 1: NBI van de vrouw ten tijde van het huwelijk

Bijlage 2: NBI van de man ten tijde van het huwelijk

Bijlage 3: huwelijksgerelateerde behoefte

Bijlage 4: restende behoefte

Bijlage 5: draagkracht van de man

Bijlage 6: inkomensvergelijking vóór correctie

Bijlage 7: inkomensvergelijking na correctie

Bijlage 8: berekening accrual

Bijlage 9: deelovereenkomst over de echtelijke woning

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PR-Updates.nl 2026-0027
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?