ECLI:NL:RBOBR:2025:8503

ECLI:NL:RBOBR:2025:8503, Rechtbank Oost-Brabant, 24-12-2025, 01.234734.25

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 24-12-2025
Datum publicatie 24-12-2025
Zaaknummer 01.234734.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor diefstal gevolgd van bedreiging geweld en bedreiging met zware mishandeling. Eendaadse samenloop. Beroep op noodweer verworpen. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek. Verbeurdverklaring van gereedschap. Teruggave van (zak)mes. Vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 01.234734.25Eric Smit

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.234734.25

Datum uitspraak: 24 december 2025

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1975] ,

post- of correspondentieadres [adres 1] ,

thans gedetineerd te: P.I. Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 december 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 november 2025.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 december 2025 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van feit 1:

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Eindhoven

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

geld en/of goederen van zijn gading in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan bewoners en/of bezoekers van het [adres 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en

deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- de toegangsdeur tot de gezamenlijke berging heeft verbroken,

- deze gezamenlijke berging is binnengegaan,

- in fietstassen achterop fietsen heeft gezocht naar geld en/of goederen van zijn gading,

- heeft geprobeerd met een fiets voornoemde [slachtoffer] weg te duwen,

- een slaande beweging met zijn rechtervuist in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt en/of

- met een schroevendraaier stekende bewegingen in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan bewoners en/of bezoekers van het [adres 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, - de toegangsdeur tot de gezamenlijke berging heeft verbroken, - deze gezamenlijke berging is binnengegaan, - in fietstassen achterop fietsen heeft gezocht naar geld en/of goederen van zijn gading, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 2:

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Eindhoven

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- een slaande beweging met zijn rechtervuist in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt en/of

- met een schroevendraaier stekende bewegingen in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Eindhoven

[slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door

- een slaande beweging met zijn rechtervuist in de richting van voornoemde [slachtoffer] te maken en/of

- met een schroevendraaier stekende bewegingen in de richting van voornoemde [slachtoffer] te maken.

Van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging is een kopie aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair ten laste gelegde diefstal met geweld en de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde bedreiging.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht verdachte vrij te spreken van beide ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis en moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Vast staat dat verdachte op 7 september 2025 in de algemene berging van het appartementencomplex aan de [adres 2] in Eindhoven is geweest. Over de reden van die aanwezigheid lopen de verklaringen van verdachte en aangever [slachtoffer] echter uiteen.

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte op de fiets bij het complex was aangekomen, dat hij een zilver pinnetje vasthad en dat de toegangsdeur ineens open was. Vervolgens zou hij verdachte in de berging in verschillende fietstassen hebben zien rommelen. Toen verdachte weer naar buitenkwam zou hij hem hebben tegengehouden en 112 hebben gebeld. Verdachte zou daarna geprobeerd hebben hem te slaan en hij zou met een schroevendraaier stekende bewegingen in zijn richting hebben gemaakt. Vervolgens zouden buurtbewoners hebben geholpen verdachte tegen te houden totdat de politie aanwezig was.

Verdachte heeft een ander verhaal bij het voorval. Hij zou lopend zijn aangekomen en de toegangsdeur niet hebben opengebroken. Volgens verdachte sloot de deur namelijk niet goed en kon hij zo naar binnen lopen. Zijn vriend zou een fiets van hem hebben geleend en die fiets daar in de berging hebben gezet. Hij kwam de fiets dus alleen ophalen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij inderdaad in fietstassen heeft gekeken, maar dat was naar eigen zeggen enkel om een fietspompje te zoeken voor de lekke band van de fiets. Toen hij vervolgens met de fiets naar buiten wilde gaan, werd hij tegengehouden door [slachtoffer] . [slachtoffer] zou hem hierbij met een ploertendoder hebben geslagen en uit zelfverdediging zou hij daarom stekende bewegingen met een schroevendraaier hebben gemaakt.

Aangezien de verklaringen van aangever en verdachte op verschillende punten uiteenlopen heeft de rechtbank gekeken naar de verdere inhoud van het procesdossier. Het dossier bevat vier getuigenverklaringen. Twee getuigen hebben gezien dat verdachte met de schroevendraaier stekende bewegingen maakte richting [slachtoffer] . Een andere getuige heeft [slachtoffer] horen zeggen “Wil je me nu daadwerkelijk met die schroevendraaier steken?”. Twee getuigen verklaren bovendien dat verdachte alleen een telefoon en absoluut géén ploertendoder bij zich had. Er is ook geen ploertendoder aan getroffen op locatie. Tijdens de fouillering van verdachte is echter wel een zilveren pin gevonden, zoals aangever had omschreven.

De politie heeft ten tijde van de aanhouding gevraagd van welke vriend de fiets was die verdachte bij zich had. Verdachte wilde dit toen niet vertellen. Ter terechtzitting heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat die vriend ondertussen overleden is. Toen aan verdachte werd gevraagd waarom hij niet eerder een naam heeft gegeven om het verhaal te verifiëren, gaf verdachte plotseling aan dat de vriend in kwestie toen ook al overleden was.

Verdachte heeft tijdens de zitting ook verklaard dat [slachtoffer] met zijn ene hand de fiets en met zijn andere hand een ploertendoder vast had. Op de vraag hoe [slachtoffer] dan 112 kon bellen, heeft verdachte verklaard dat hij pas na het 112-gesprek geslagen is met de ploertendoder. Uit de uitgewerkte 112-melding blijkt echter dat verdachte al tijdens het gesprek schreeuwde dat hij was geslagen met een ploertendoder. Gezien de inconsistenties in de verklaring van verdachte, acht de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig.

Gelet op de verklaring van [slachtoffer] , die ondersteund wordt door meerdere getuigenverklaringen, en de gereedschappen die zijn aangetroffen bij de fouillering, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de toegangsdeur van het appartementencomplex heeft geforceerd. Hij heeft vervolgens gepoogd goederen te stelen uit de algemene berging. Toen [slachtoffer] hem tegen wilde houden heeft hij een slaande beweging gemaakt in de richting van die [slachtoffer] en heeft hij die [slachtoffer] bedreigd door met een schroevendraaier stekende bewegingen in zijn richting te maken. De onder feit 1 primair ten laste gelegde diefstal gevolgd van bedreiging met geweld kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.

Ten aanzien van het tweede feit merkt de rechtbank op dat verdachte inderdaad met een schroevendraaier stekende bewegingen heeft gemaakt richting [slachtoffer] . Uit het dossier blijkt echter niet dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] door het in zijn richting steken met die schroevendraaier. De rechtbank concludeert daarom, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, dat verdachte vrijgesproken moet worden van het onder feit twee primair ten laste gelegde. Wel kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte aangever heeft bedreigd door met de schroevendraaier steekbewegingen in zijn richting te maken, zoals onder feit 2 subsidiair ten laste is gelegd.

De bewezenverklaring.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

op 7 september 2025 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen van zijn gading, die geheel of ten dele aan bewoners of bezoekers van het [adres 2] toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen volgen van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- de toegangsdeur tot de gezamenlijke berging heeft verbroken,

- deze gezamenlijke berging is binnengegaan,

- in fietstassen achterop fietsen heeft gezocht naar goederen van zijn gading,

- heeft geprobeerd met een fiets voornoemde [slachtoffer] weg te duwen,

- een slaande beweging met zijn rechtervuist in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt en

- met een schroevendraaier stekende bewegingen in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt,

Ten aanzien van feit 2:

op 7 september 2025 te Eindhoven [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling door met een schroevendraaier stekende bewegingen in de richting van voornoemde [slachtoffer] te maken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Noodweer.

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van de stekende bewegingen met de schroevendraaier aangevoerd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt en dat verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is van een verdediging, tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, die het lijf, de eerbaarheid of een goed betreft en die noodzakelijk en proportioneel is.

De rechtbank acht het aannemelijk dat [slachtoffer] enigszins opgewonden was tijdens het incident, getuige ook de 112-melding. Gelet op de aangifte en de getuigenverklaringen acht de rechtbank het echter niet geloofwaardig dat [slachtoffer] verdachte met een ploertendoder heeft geslagen. Dat verdachte wederrechtelijk is aangerand en zich daartegen moest verdedigen is dus niet aannemelijk geworden. Aangezien er geen sprake was van een situatie die omschreven kan worden als noodweer, verwerpt de rechtbank het daartoe strekkende verweer.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de strafmaat heeft de raadsvrouw van verdachte verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal gevolgd van bedreiging met geweld. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met zware mishandeling van [slachtoffer] . Diefstallen - waaronder ook pogingen daartoe - veroorzaken overlast en schade. Uit het handelen van verdachte spreekt minachting voor andermans eigendom. Verdachte heeft door zijn handelen ook een onveilig gevoel veroorzaakt bij [slachtoffer] , zo blijkt ook uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij. Verdachte heeft zich hier niets van aangetrokken. Ook tijdens de zitting heeft verdachte de schuld op het slachtoffer proberen af te schuiven en geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De persoon van verdachte.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte vele malen onherroepelijk is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor vermogensdelicten, ook in de afgelopen jaren. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan een soortgelijk feit.

Eendaadse samenloop.

Naar het oordeel van de rechtbank is tussen de bewezen verklaarde feiten sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De poging diefstal gevolgd van bedreiging met geweld (feit 1) en de bedreiging met zware mishandeling (feit 2) leveren een samenhangend, op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt. Om onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen zal de rechtbank hier in de strafoplegging rekening mee houden.

De op te leggen straf.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor een vergelijkbaar feit, het plegen van een winkeldiefstal met na betrapping geweld of dreigen met bijvoorbeeld een schroevendraaier, kent de rechtspraak bij veelvuldig recidive een oriëntatiepunt van 5 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hoewel er in de onderhavige zaak slechts sprake is van een poging tot diefstal, weegt de rechtbank in dit geval zwaar mee dat verdachte in zijn poging om weg te komen met een schroevendraaier stekende bewegingen in de richting van het slachtoffer heeft gemaakt.

De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank legt hiermee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de opgelegde straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een schadevergoeding gevorderd van € 750,00, bestaande uit immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering volledig toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Daarnaast heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de verklaring van de huisarts ten behoeve van de vordering lijkt te zijn opgesteld en dat uit de verklaring niet kan worden opgemaakt dat aangever in een eerder stadium bij de huisarts is geweest.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat verdachte het slachtoffer heeft bedreigd met een schroevendraaier. In tegenstelling tot wat de raadsvrouw heeft aangevoerd, is het slachtoffer kort na het incident bij de huisarts langs geweest. Uit de medische verklaring blijkt dat de huisarts toen geconstateerd heeft dat het slachtoffer lijdt aan hyperalertheid en angsten. Daarom heeft de huisarts slaapmedicatie voorgeschreven. De rechtbank concludeert dat het slachtoffer op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Mede gelet op de vrijspraak voor de poging tot zware mishandeling acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van

€ 500,00 toewijsbaar als rechtstreeks door de bewezenverklaarde feiten toegebrachte schade. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal de immateriële schadevordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan het niet-ontvankelijk verklaarde deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Omdat aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Het beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de schroevendraaier en de zilveren pin vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het (zak)mes aan verdachte, omdat het belang van strafvordering zich naar het oordeel van de rechtbank niet meer verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen goed.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 55, 63, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 subsidiair:

poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

in eendaadse samenloop gepleegd met

bedreiging met zware mishandeling

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 subsidiair:

Een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

De rechtbank verklaard verbeurd de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- 1 STK Handgereedschap;

- 1 STK Gereedschap.

De rechtbank gelast de teruggave van het inbeslaggenomen goed, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen:

- 1 STK Mes

aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: [verdachte] .

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 500,00 euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 500,00 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Voorlopige hechtenis

Heft op het tegen veroordeelde verleende bevel tot voorlopige hechtenis op het tijdstip dat de door veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk is aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. R. Grimbergen en mr. S. Zuithoff, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,

en is uitgesproken op 24 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.G. Vos
  • mr. R. Grimbergen
  • mr. S. Zuithoff

Griffier

  • mr. N. Slingerland

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?