ECLI:NL:RBOBR:2025:8504

ECLI:NL:RBOBR:2025:8504, Rechtbank Oost-Brabant, 24-12-2025, 01.233770.25

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 24-12-2025
Datum publicatie 24-12-2025
Zaaknummer 01.233770.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling door met een auto op het slachtoffer in te rijden. Bedreiging met een vuurwapen(gelijkend voorwerp). Poging tot doodslag door het slachtoffer in de onderrug te steken. Voorwaardelijk opzet. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar. Bijzondere voorwaarden. Verbeurdverklaring van de auto. Onttrekking aan het verkeer van een wapen en een patroon. Vorderingen benadeelde partij (gedeeltelijk) toegewezen

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 01.233770. [verdachte]

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.233770.25

Datum uitspraak: 24 december 2025

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2003] ,

op dit moment gedetineerd te: PI Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 december 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 november 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van feit 1:

hij, op of omstreeks 2 september 2025, te Valkenswaard,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer]

opzettelijk

van het leven te beroven,

met aanzienlijke snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer] is gereden,

zijn snelheid niet heeft geminderd/geremd en/of is doorgereden

waardoor die [slachtoffer] opzij moest springen om een (frontale) botsing met het voertuig van verdachte te voorkomen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij, op of omstreeks 2 september 2025, te Valkenswaard,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met aanzienlijke snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer] is gereden,

zijn snelheid niet heeft geminderd/geremd en/of is doorgereden

waardoor die [slachtoffer] opzij moest springen om een (frontale) botsing met het voertuig van verdachte te voorkomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 2:

hij, op of omstreeks 2 september 2025, te Valkenswaard

[slachtoffer]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling

door een vuurwapen, althans een op een vuurwapengelijkend voorwerp op voornoemde [slachtoffer] te richten en/of (vervolgens) de trekker van dat vuurwapen, althans een op een vuurwapengelijkend voorwerp over te halen

Ten aanzien van feit 3:

hij, op of omstreeks 2 september 2025, te Valkenswaard,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer]

opzettelijk

van het leven te beroven,

met een mes, althans een scherp voorwerp, in de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken/gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 2 september 2025, te Valkenswaard,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een mes, althans een scherp voorwerp, in de rug, althans het lichaam van die

[slachtoffer] heeft gestoken/gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Inleiding.

De politie kreeg op dinsdag 2 september 2025 om 21.28 uur een melding binnen over een vechtpartij in Valkenswaard. Bij die vechtpartij was een persoon in zijn rug gestoken. Ter plaatse trof de politie [slachtoffer] aan in de achtertuin van de woning aan het [adres] te Valkenswaard. Hij had een steekwond in zijn rug en werd overgebracht naar het ziekenhuis. In de achtertuin van de woning trof de politie ook [zoon van slachtoffer] , de zoon van [slachtoffer] , aan. [zoon van slachtoffer] vertelde ter plaatse aan de politie dat er eerder op die avond van 2 september 2025 een Volkswagen Polo op de parkeerplaats op hem was ingereden. Hij heeft de politie de camerabeelden van dit incident verstrekt. Nadat op hem was ingereden, is [zoon van slachtoffer] samen met zijn vader en een goede vriend van zijn vader gaan rondrijden op zoek naar de Volkswagen Polo. Zij troffen de Volkswagen Polo aan op de parkeerplaats achter de woning aan het [adres] . Toen heeft één van de aanwezigen met een vuurwapen gedreigd en is [slachtoffer] neergestoken. Zowel [slachtoffer] als [zoon van slachtoffer] hebben aangifte van deze gebeurtenissen gedaan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat feit 1 primair (poging doodslag [zoon van slachtoffer] ), feit 2 (bedreiging [zoon van slachtoffer] ) en feit 3 primair (poging doodslag [slachtoffer] ) wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich heeft laten meeslepen in de situatie. Hij is gebruikt, omdat hij als enige in het bezit was van een auto. Anderen hadden kennelijk plannen om ‘iets te bespreken’ met [zoon van slachtoffer] en daar is verdachte in meegerold. Hij kende [zoon van slachtoffer] niet en hij is niet doelbewust op hem ingereden om hem dood te rijden. Verdachte had ook niet de bedoeling om [slachtoffer] dood te steken. Verdachte handelde in paniek, aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank.

Overwegingen over het bewijs.

Feit 1 (inrijden op [zoon van slachtoffer] ).

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 2 september 2025 de bestuurder was van de Volkswagen Polo, die op de parkeerplaats achter de woning aan het [adres] op [zoon van slachtoffer] (het slachtoffer) is ingereden.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte daarmee opzet heeft gehad op het doden van het slachtoffer. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daarover het volgende.

De camerabeelden waarop het incident is vastgelegd, laten zien dat het slachtoffer zich op de parkeerplaats bevond. Om 19:07 uur kwam de Volkswagen Polo uit de richting van het Victordal met hoge snelheid aanrijden. De auto draaide naar links in de richting van het slachtoffer op de parkeerplaats. Het slachtoffer rende richting het hek achter de parkeerplaats en vervolgens reed de Volkswagen Polo tot tegen het hek achter de parkeerplaats. Het slachtoffer kon de auto net op tijd ontwijken door weg te springen.

De rechtbank leidt uit deze beelden af dat verdachte welbewust en dus met opzet op het slachtoffer is ingereden. Het slachtoffer bevond zich in een benarde positie op een parkeerplaats met daarachter een hek en verdachte heeft met een hoge snelheid bewust op het slachtoffer ingestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank was die snelheid echter niet zo hoog dat er een aanmerkelijke kans was dat daaruit dodelijk letsel zou voortkomen. Verdachte had naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling om het slachtoffer te doden. Wél kwam verdachte met een dusdanige snelheid aanrijden dat er een aanmerkelijke kans was dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. Daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Dat betekent dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde onder feit 1. De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van de onder feit 1, subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling.

Feit 3 (steken [slachtoffer] ).

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier vast dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] (het slachtoffer) een steekwond in de rug heeft toegebracht. Uit de medische informatie blijkt dat de wond laag onder op de rug zat. Het letsel bleef beperkt tot de huid en het onderhuids vetweefsel. Verdachte heeft geen interne organen geraakt.

Ook wat betreft het ten laste gelegde feit 3 primair moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte opzet heeft gehad op het doden van het slachtoffer.

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen niet komen vast te staan dat verdachte de bedoeling heeft gehad om het slachtoffer te doden. Vol opzet kan daarom niet worden bewezen.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. Voorwaardelijk opzet bestaat als verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Of het gaat om voorwaardelijk opzet, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans tijdens de gedragingen bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Ook van dit incident zijn camerabeelden opgenomen in het dossier. Op deze camerabeelden is te zien dat het slachtoffer en een man in een worsteling terechtkwamen. Verdachte stond op dat moment achter de Volkswagen Polo. De worsteling verplaatste zich vervolgens naar de weg en er werd geduwd en getrokken. Verdachte liep langs de bestuurderskant van de Volkswagen Polo naar de weg richting de vechtende mannen. Hij maakte onmiddellijk een stekende beweging in de rug van het slachtoffer. Direct hierna greep het slachtoffer naar de linkerzijde van zijn onderrug.

Naar het oordeel van de rechtbank had dit handelen van verdachte naar algemene ervaringsregels tot de dood van het slachtoffer kunnen leiden. Hiervoor acht de rechtbank allereerst van belang dat verdachte het mes heeft gebruikt in een onoverzichtelijke en veranderlijke situatie, waarbij het slachtoffer en een andere man zich in een worsteling bevonden. Verder heeft hij het slachtoffer in de onderrug gestoken. Dat heeft een wond veroorzaakt die redelijk diep was en hevig bloedde. Het is een feit van algemene bekendheid dat in onderrug, in de buurt van de steekwond, vitale organen zitten. Als deze organen geraakt worden, kan dat tot de dood leiden. Deze gedraging van verdachte kan, gelet hierop, naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden ook bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Dat betekent dat de rechtbank het onder feit 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank heeft de bewijsmiddelen uitgewerkt in drie bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlagen.

In bijlage I heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair redengevende feiten en omstandigheden.

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van feit 2 redengevende feiten en omstandigheden. De rechtbank volstaat met deze opgave, omdat verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en hij geen vrijspraak heeft bepleit.

Ten slotte heeft de rechtbank in bijlage III de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring van feit 3 primair redengevende feiten en omstandigheden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de in de bewijsbijlagen opgenomen bewijsmiddelen en op grond van de overwegingen hiervoor, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

op 2 september 2025, te Valkenswaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met aanzienlijke snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer] is gereden, zijn snelheid niet heeft geminderd en is doorgereden waardoor die [slachtoffer] opzij moest springen om een (frontale) botsing met het voertuig van verdachte te voorkomen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 2:

op 2 september 2025, te Valkenswaard, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een op een vuurwapengelijkend voorwerp op voornoemde [slachtoffer] te richten en de trekker van dat op een vuurwapengelijkend voorwerp over te halen

Ten aanzien van feit 3 primair:

op 2 september 2025, te Valkenswaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij dienen de voorwaarden, zoals de reclassering in haar adviesrapport van 26 november 2025 heeft geadviseerd, als bijzondere voorwaarden te worden gesteld. Ook heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen Volkswagen Polo gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat het reclasseringsadvies positief is, dat verdachte overal aan meewerkt, veel inzicht toont en dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor alles. Verder heeft overleg met de reclassering plaatsgevonden. Binnen afzienbare termijn is een woonplek voor verdachte beschikbaar. Hij staat op de wachtlijst en binnen maximaal 7 weken kan verdachte worden geplaatst voor begeleid wonen. Daarom heeft de raadsman een korte straf bepleit, zodat verdachte zo snel mogelijk voor begeleid wonen geplaatst kan worden. Een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf zouden passend zijn. Daarbij komt dat een verbeurdverklaring van de Volkswagen Polo van verdachte zwaar telt, aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met flinke snelheid met zijn auto op [zoon van slachtoffer] in te rijden. Dat hij niet ernstig gewond is geraakt, is niet aan verdachte te danken, maar uitsluitend aan de snelle reactie van het slachtoffer. Deze gebeurtenis heeft grote impact gehad op het slachtoffer. Dat blijkt ook uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de slachtofferverklaring die zijn vader, [slachtoffer] , ter terechtzitting heeft uitgesproken. Nadat verdachte op [zoon van slachtoffer] was ingereden, is verdachte weggereden, maar later die avond is hij samen met anderen teruggekeerd naar dezelfde parkeerplaats. Verdachte heeft vervolgens, naar wat pas later bleek, een nepvuurwapen op [zoon van slachtoffer] gericht en hem daarmee bedreigd. Op enig moment ontstond een worsteling tussen [slachtoffer] en een vriend van verdachte. Verdachte heeft [slachtoffer] toen met een mes in de onderrug gestoken. Ook deze gebeurtenissen hebben een grote impact gehad op de slachtoffers. Verdachte heeft geen inzicht kunnen geven in de achterliggende reden van zijn handelen. Hij kende de slachtoffers niet en hij heeft gesteld dat hij zich door anderen had laten meeslepen. Het baart de rechtbank grote zorgen dat verdachte zich zo heeft laten meeslepen, dat hij in staat is geweest om welbewust een groot gevaar voor de twee slachtoffers in het leven te roepen en zich niets heeft aangetrokken van de belangen van de slachtoffers. Deze strafbare feiten veroorzaken bovendien veel maatschappelijke onrust en leiden tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. De strafbare feiten die verdachte heeft gepleegd, hebben ook grote onrust veroorzaakt in de buurt.

De persoon van verdachte.

De rechtbank heeft gezien dat verdachte geen voor de afdoening van deze zaak relevant strafblad heeft. Verder heeft de rechtbank bij haar overwegingen acht geslagen op de inhoud van het advies van de reclassering van 26 november 2025. De reclassering heeft in haar advies geconcludeerd dat delictgerelateerde factoren bestaan op het gebied van financiën, sociaal netwerk middelengebruik en psychosociaal functioneren. De reclassering heeft onder meer zorgen over het sociaal netwerk van verdachte dat geen positieve invloed op hem heeft. Verder werd verdachte voor zijn detentie begeleid bij “Samen Verder” en werkte hij twee jaar voor een vaste werkgever. Als verdachte in vrijheid wordt gesteld, kan hij niet terugkeren bij zijn werkgever. Verder zijn als gevolg van de detentie schulden ontstaan. Wel is verdachte gemotiveerd voor gedragsverandering en hulpverlening. De reclassering heeft het risico op recidive ingeschat op gemiddeld. Het advies van de reclassering bij een veroordeling is een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden die de reclassering ook in het advies heeft omschreven. De reclassering heeft dat advies gegeven, omdat zij de noodzaak ziet om verdachte via een reclasseringstoezicht te begeleiden en stabiliteit in zijn leven op diverse leefgebieden te bereiken. De bijzondere voorwaarden omvatten onder andere een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De rechtbank neemt verder in de strafmaat mee dat verdachte ter zitting, hoewel hij geen inzicht in zijn gedrag heeft kunnen geven, wel spijt heeft betuigd.

De op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank legt een deel van deze straf voorwaardelijk op om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de straf zal de rechtbank na te noemen bijzondere voorwaarden, die de reclassering heeft geadviseerd, koppelen. De rechtbank legt hiermee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen reden voor heropening van het onderzoek, zoals de raadsman ter terechtzitting heeft verzocht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een immateriële schadevergoeding gevorderd van

€ 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht het gevorderde bedrag aan schadevergoeding lager vast te stellen.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2025 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een immateriële schadevergoeding gevorderd van

€ 7.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht het gevorderde bedrag aan schadevergoeding lager vast te stellen. De stelling van de benadeelde partij dat hij onder behandeling is, is niet onderbouwd, aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde schade voor zover deze het totaalbedrag van € 2.500,00 te boven gaat. Behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voertuig vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voertuig gebruikt is voor het begaan van feit 1 subsidiair en ten tijde van het begaan van dit feit aan verdachte toebehoorde.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een patroon en een wapen, vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat dit voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 285, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van feit 3:

poging tot doodslag

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregelen:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 primair:

Een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114 116, 5631 ES Eindhoven. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Huisbezoeken zijn onderdeel van de meldplicht.

Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

Veroordeelde neemt actief deel aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.

Ambulante behandeling

Indien de reclassering het nodig acht laat veroordeelde zich behandelen door de Woenselse poort of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na intake. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na intake. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Contactverbod

Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met:

- [slachtoffer] , geboren op [1986] ;

- [slachtoffer] , geboren op [2011] ;

- [persoon 2] , geboren op [1989] ,

zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.

Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Meewerken aan middelencontrole

Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik inzichtelijk te maken en te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

Ambulante begeleiding

Veroordeelde werkt mee aan (forensisch) ambulante begeleiding, nader te bepalen door de reclassering. De ambulante begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de begeleiders geven.

- geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd in dit vonnis en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.

Hierbij gelden verder als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten:

- 1 STK Personenauto.

Ten aanzien van feit 2:

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- 1 STK Patroon;

- 1 STK Wapen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2:

Maatregel van schadevergoeding

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 2.500,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 2.500,00 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Ten aanzien van feit 3 primair:

Maatregel van schadevergoeding

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 4.000,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 4.000,00 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Grimbergen, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. S. Zuithoff, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,

en is uitgesproken op 24 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. Grimbergen
  • mr. J.G. Vos
  • mr. S. Zuithoff

Griffier

  • mr. N. Slingerland

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?