ECLI:NL:RBOBR:2025:8925

ECLI:NL:RBOBR:2025:8925

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 27-06-2025
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer C/01/401260 / FA RK 24-469
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Ontzegging recht op omgang voor de duur van vijf jaar. De moeder en de kinderen hebben die duur nodig om te kunnen werken aan hun herstel. De vader heeft die duur nodig om de langdurige behandeling te ondergaan die het Pieter Baan Centrum nodig acht.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

beschikking

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/401260 / FA RK 24-469

Uitspraak : 27 juni 2025

Beschikking over omgang en informatie in de zaak van

[verzoeker] ,

verblijvende in de PI [plaats] ,

hierna mede te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.R.T. Tromp,

tegen

[verweerster] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna mede te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N.D. Geraads

.

1. De procedure

Deze beschikking volgt op de beschikking van deze rechtbank van 9 oktober 2024. Bij die beschikking heeft de rechtbank de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht onderzoek te doen naar de omgangs- en informatieregeling. De rechtbank heeft de behandeling van de verzoeken aangehouden in afwachting van het raadsonderzoek.

Vervolgens heeft de rechtbank kennisgenomen van:

een brief (met als bijlage het raadsrapport van 11 maart 2025) van de raad van 11 maart 2025;

een brief (met bijlage) van de raad van 20 maart 2025;

een F9-formulier (met brief) van mr. Tromp van 25 maart 2025;

een F9-formulier (met brief) van mr. Geraads van 26 maart 2025;

een F9-formulier van mr. Tromp van 6 mei 2025;

een F9-formulier (met brief) van mr. Geraads van 8 mei 2025.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2025. Daarbij waren aanwezig:

de moeder (via een Teams-verbinding), bijgestaan door haar advocaat;

de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

[medewerker raad] namens de raad.

Aan een collega van mr. Geraads is bijzondere toestemming verleend om via een Teams-verbinding als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.

De griffier heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om haar mening over het verzoek aan de rechter kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft daarvan gebruikgemaakt.

2. De feiten

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De moeder heeft alleen het gezag over hen.

De vader is bij vonnis van 2 maart 2023 strafrechtelijk veroordeeld voor zware mishandeling van de moeder met voorbedachten rade, poging tot zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De rechtbank heeft de vader daarbij een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en een contactverbod opgelegd. Dit contactverbod houdt in dat de vader voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze direct of indirect contact mag hebben met de moeder zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt en dat de vader op geen enkele wijze direct of indirect contact mag zoeken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , behalve met tussenkomst van een hulpverleningsorganisatie.

Tegen het vonnis van de rechtbank loopt een procedure in hoger beroep.

3. Het verzoek en het verweer met zelfstandig verzoek

De vader verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:

I. een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in die zin dat er eenmaal per veertien dagen op een vast moment in de week belcontact is tussen de vader en de kinderen, en daarnaast te bepalen dat – op het moment dat de kinderen daar volgens de hulpverlenende instanties aan toe zijn – er eenmaal per maand omgang is tussen de vader en de kinderen in de familiekamer van de PI waar de vader verblijft, althans een omgangsregeling vast te stellen die de rechtbank in het belang van de kinderen acht;

II. te bepalen dat de moeder via de hulpverlenende instanties de vader eenmaal per maand informeert over de kinderen en in ieder geval een verslag doet van de belangrijkste ontwikkelingen van de kinderen en schoolrapporten, medische informatie en andere zaken aan de vader verstrekt en daarnaast iedere maand een recente en goed gelijkende foto van de kinderen aan de vader doet toekomen, althans een informatieregeling vast te stellen die de rechtbank in het belang van de kinderen acht.

De moeder voert hiertegen verweer. Zij verzoekt daarnaast zelfstandig te bepalen dat de vader het recht op omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ontzegd voor de duur van vijf jaar.

4. De beoordeling

Omgang

Een kind en zijn ouders hebben recht op omgang met elkaar. Een vader of moeder zonder gezag heeft ook de verplichting tot omgang met het kind (artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). De rechter kan een omgangsregeling vaststellen als dat in het belang van het kind is.

De rechter kan bepalen dat een ouder geen omgang mag hebben met het kind als (artikel 1:377a lid 3 BW):

omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

het kind van twaalf jaar of ouder heeft aangegeven ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder te hebben, of

omgang om een andere reden in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

De rechtbank zal de vader het recht op omgang met de kinderen ontzeggen voor de duur van vijf jaar. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

De rechtbank stelt ten eerste vast dat de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat twee incidenten van huiselijk geweld vanuit hem richting de moeder hebben plaatsgevonden. Het eerste incident vond plaats op 13 december 2021. Volgens de vader viel de moeder hem toen aan en heeft hij de moeder geslagen. De kinderen waren op dat moment in de woning aanwezig. Het tweede incident vond plaats op 18 juni 2022 en betreft het strafbaar feit waarvoor de vader bij vonnis van 2 maart 2023 is veroordeeld. De vader heeft daartegen weliswaar hoger beroep ingesteld, maar hij heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat toen sprake is geweest van huiselijk geweld vanuit hem richting de moeder. De kinderen waren op dat moment niet in de woning aanwezig.

Verder is de rechtbank, anders dan de vader, van oordeel dat de conclusies uit de pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 4 juni 2024 die de raad in het raadsrapport heeft weergegeven wel bij de beoordeling van de verzoeken kunnen worden betrokken. De rapportage van het Pieter Baan Centrum is slechts een jaar oud en bevat belangrijke informatie over de persoonlijkheidsproblematiek van de vader, het recidiverisico en wat nodig is om het recidiverisico te beperken. De rechtbank heeft deze informatie nodig om een zorgvuldige afweging te kunnen maken tussen enerzijds het belang en het recht van de kinderen en de vader op omgang met elkaar en anderzijds het belang van de kinderen en de moeder bij ontzegging van vaders recht op omgang met de kinderen. Met het betrekken van de conclusies van het Pieter Baan Centrum wordt bovendien recht gedaan aan het Verdrag van Istanbul dat ziet op een adequate bescherming van slachtoffers en getuigen van huiselijk geweld en bepaalt dat bij het vaststellen van een omgangsregeling rekening moet worden gehouden met gevallen van huiselijk geweld.

Het Pieter Baan Centrum heeft geconcludeerd dat de vader een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis heeft waarbij met name narcistische en antisociale kenmerken worden gezien. Ten aanzien van het recidiverisico schat het Pieter Baan Centrum in dat het risico op soortgelijk geweld (gerelateerd aan een partnerrelatie) hoog is vanwege de duurzaamheid van de persoonlijkheidsproblematiek van de vader en het beeld van meerdere agressieve uitingen richting zijn ex-partner. Voor wat betreft de moeder heeft het recidiverisico volgens het Pieter Baan Centrum een meer acuut karakter. Het Pieter Baan Centrum betrekt daarbij onder meer dat de vader tijdens het onderzoek nog steeds boosheid en verontwaardiging richting de moeder ervaart, vooral als het gaat over het contact met zijn kinderen. Ook betrekt het Pieter Baan Centrum daarbij dat de vader het door de rechtbank opgelegde contactverbod heeft overtreden en daarvan de ernst niet inziet. Tot slot heeft het Pieter Baan Centrum geconcludeerd dat vanwege de aard, diepgeworteldheid en duurzaamheid van de psychopathologie en het gebrek van probleembesef bij de vader een langdurig behandeltraject noodzakelijk is om het recidiverisico te beperken. Samenhangend met de aard van het risico acht het Pieter Baan Centrum van belang dat de behandeling in een beveiligde omgeving wordt gestart.

De rechtbank hecht verder waarde aan de omstandigheid dat de veiligheid van de moeder en de kinderen continu de aandacht heeft in een veiligheidsoverleg binnen de gemeente waar de moeder woont. Zodra de vader vrijkomt uit detentie, zal de moeder met de kinderen zo spoedig mogelijk naar een geheime woonplek moeten verhuizen zodat hun veiligheid kan worden gewaarborgd.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de veiligheid van de kinderen en de moeder niet kan worden gegarandeerd als de vader en de kinderen omgang zouden hebben met elkaar. Hun veiligheid kan ook niet worden gegarandeerd als er alleen (beeld)belcontact zou zijn. Niet kan worden uitgesloten dat de vader dan via (beeld)belcontact met de kinderen zal proberen de verblijfplaats van de moeder en de kinderen te achterhalen. De rechtbank vindt dat dat vanwege het hoge recidiverisico van de vader moet worden voorkomen en dat kan alleen door de vader het recht op iedere vorm van omgang met de kinderen te ontzeggen.

Daarnaast is van belang dat uit de overgelegde stukken blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel last hebben van het huiselijk geweld vanuit de vader richting de moeder en de daarmee gepaard gaande spanningen in de thuissituatie. Zo is bij [minderjarige 1] PTSS vastgesteld. Zij wordt daarvoor momenteel behandeld. Daarnaast geeft zij aan geen contact te willen met de vader. [minderjarige 2] staat inmiddels op de wachtlijst voor hulpverlening. De rechtbank is met de raad van oordeel dat het in het belang van beide kinderen is dat zij in alle rust de (trauma)behandeling kunnen krijgen die zij nodig hebben. Ook om die reden moet het recht van vader op omgang met de kinderen worden ontzegd.

Tot slot is van belang dat de moeder de belangrijkste hechtingsfiguur is voor de kinderen en het voor de kinderen belangrijk is dat het goed met haar gaat. Dat is nu al lange tijd niet het geval, omdat er steeds onduidelijkheid is over de vraag of en zo ja, wanneer er omgang zal zijn tussen de vader en de kinderen. De moeder heeft hier al lange tijd stress van en dat krijgen de kinderen mogelijk mee.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank met de raad van oordeel dat omgang tussen de vader en de kinderen ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en in strijd is met hun zwaarwegende belangen. De rechtbank zal daarom het recht van de vader op omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontzeggen.

De rechtbank zal daaraan een termijn verbinden van vijf jaar. Die termijn is noodzakelijk, omdat de moeder en de kinderen die periode nodig hebben om structurele veiligheid, rust en stabiliteit te kunnen ervaren en op een duurzame manier te kunnen werken aan hun herstel. Ook de vader heeft die termijn nodig om de langdurige behandeling te kunnen ondergaan die het Pieter Baan Centrum nodig acht om het recidiverisico te beperken. De rechtbank betrekt daarbij dat hoger beroep is ingesteld tegen de strafrechtelijke veroordeling van de vader en het mede daarom vermoedelijk nog lange tijd zal duren voordat de vader met deze behandeling zal starten.

De rechtbank merkt nog op dat een beslissing waarbij het recht op omgang is ontzegd tijdelijk van aard is. De ouder wiens recht op omgang is ontzegd kan bij een wijziging van omstandigheden en in ieder geval na een jaar opnieuw een verzoek tot omgang indienen bij de rechter.

Informatieregeling

De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouder die het gezag over een kind heeft moet de andere ouder zonder gezag op de hoogte stellen van belangrijke dingen die gaan over de persoon en het vermogen van het kind (artikel 1:377b lid 1 BW). Dat kan bijvoorbeeld gaan over school, medische informatie, vrijetijdsbesteding en geldzaken.

De rechtbank zal in afwijking van het advies van de raad het verzoek van de vader tot vaststelling van een informatieregeling afwijzen. Dit wordt als volgt toegelicht.

Onder verwijzing naar wat hiervoor onder ‘Omgang’ is overwogen, vindt de rechtbank het belangrijk dat de veiligheid van de moeder en de kinderen kan worden gegarandeerd. Dat kan niet als een informatieregeling wordt vastgesteld. Er bestaat dan altijd een risico dat de vader uit de gedeelde informatie de verblijfplaats van de moeder en de kinderen kan afleiden. Dat is ook het geval als de informatiestroom via een (hulpverlenende) instantie zou verlopen en op voorhand door de moeder dan wel een veiligheidsprofessional zou worden gecontroleerd. Het delen van informatie is en blijft mensenwerk en is daarom een foutgevoelig proces. Het delen van informatie zou bovendien tot onrust en stress bij de moeder en mogelijk ook bij de kinderen kunnen leiden. De rechtbank vindt daarom dat het belang van de vader bij een informatieregeling minder zwaar heeft te wegen dan het belang van de kinderen en de moeder bij afwijzing van het verzoek.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , voor de duur van vijf jaar;

verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Aarts, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 27 juni 2025.

Conc: SBr

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?