RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/418983 / JE RK 25-1208
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
statutair gevestigd in ’s-Hertogenbosch, vestiging [plaats] ,
hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling),
over
[kind 1] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [kind 1] ,
en
[kind 2] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [kind 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.G.J.E. Lut,
en
[vader] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen over de verlenging ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] van 1 september 2025, ontvangen op 9 september 2025;
het verzoekschrift met bijlagen over de verlenging machtiging uithuisplaatsing van [kind 1] van 1 september 2025, ontvangen op 9 september 2025;
het verzoekschrift met bijlagen over de machtiging uithuisplaatsing van [kind 2] van 3 september 2025, ontvangen op 9 september 2025;
een e-mail van de moeder van 12 september 2025;
een e-mail van de vader van 14 september 2025;
een e-mail van de moeder van 15 september 2025;
een e-mail van de vader van 22 september 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 september 2025. Daarbij waren aanwezig [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] namens de GI.
De vader en de moeder en haar advocaat hebben voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te zullen zijn. Zij zijn dan ook niet verschenen.
2. De feiten
Het gezag over [kind 1] en [kind 2] berust bij de ouders.
Bij beschikking van 7 oktober 2024 zijn [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, met ingang van 7 oktober 2024 tot 7 oktober 2025.
Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden, met ingang van 7 oktober 2024 tot 7 april 2025. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing bij beschikking van 4 april 2025 verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 7 oktober 2025.
[kind 1] verblijft sinds augustus 2023 op een behandelgroep van [organisatie] in [plaats] . Hij verblijft een weekend per maand bij zijn moeder.
[kind 2] woont bij zijn moeder.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling
Verlenging ondertoezichtstelling
De kinderrechter moet beoordelen of de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] voor de duur van een jaar verlengd moet worden (artikel 1:255 in samenhang met artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter vindt de ondertoezichtstelling nog steeds nodig en legt hierna uit waarom.
Ten eerste worden [kind 1] en [kind 2] nog altijd ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. [kind 1] en [kind 2] hebben het nodige meegemaakt en hebben last van verdriet en boosheid. Dit uit zich onder andere in woedeaanvallen. Bij de moeder thuis hebben ernstige incidenten plaatsgevonden, waarbij [kind 2] verbaal en fysiek agressief is geweest richting de moeder. Dit zorgt voor een onveilige thuissituatie en voor overbelasting bij de moeder. Zij kan de zorg niet meer goed dragen en staat in de overlevingsstand. Verder geven beide jongens aan geen contact te willen met de vader. De vader heeft zich hierbij neergelegd en zoekt ook geen contact. Hierdoor is sprake van een verstoorde ouder-kindrelatie. Daarnaast wordt gezien dat er een negatieve gezinsdynamiek is. De ouders hebben een gebrek aan inzicht en reflectie op hun eigen gedrag. De vader heeft moeite met het tonen van empathie en is van mening dat de kinderen eerst sorry moeten zeggen. Ten slotte is er een zorg over de schoolgang van de kinderen. [kind 2] maakt geen huiswerk en is uit de les gezet. [kind 1] gaat niet naar een reguliere school, omdat dit vanwege zijn kindeigen problematiek nu niet mogelijk is.
Ten tweede heeft de kinderrechter nog steeds niet de verwachting dat de zorgen over de ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2] met vrijwillige hulpverlening, dus zonder een ondertoezichtstelling, kunnen worden weggenomen. Ondanks de inzet van hulpverlening, is de situatie onvoldoende verbeterd. De GI wil inzetten op individuele hulpverlening bij de ouders, zodat zij inzicht krijgen in hun eigen gevoelens en patronen. De vader weigert hier echter aan mee te werken. Daarnaast wordt gezien dat de ouders niet altijd op één lijn zitten met elkaar en de hulpverleners.
De kinderrechter heeft de verwachting dat de termijn van een jaar nodig zal zijn om te werken aan de ernstige ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling daarom verlengen voor de duur van een jaar.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1]
De kinderrechter moet beoordelen of de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] moet worden verlengd voor de duur van een jaar (artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).
De kinderrechter vindt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] nog steeds noodzakelijk. [kind 1] heeft kindeigen problematiek en heeft een opvoedomgeving nodig waarin hiermee op een goede manier wordt omgegaan. De afgelopen tijd heeft [kind 1] positieve stappen gezet, zoals de start met dagbesteding. Hij heeft het fijn op de groep en komt tot ontwikkeling. [kind 1] kan nu nog niet terug naar huis vanwege de stappen die nog gezet moeten worden. De ouders zijn het er ook over eens dat het voor de ontwikkeling van [kind 1] noodzakelijk is dat zijn plaatsing op de behandelgroep wordt voorgezet.
Het voorgaande betekent dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] voor de duur van een jaar zal verlengen.
Machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2]
De kinderrechter moet beoordelen of een machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind 2] noodzakelijk is (artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek).
De kinderrechter vindt een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] noodzakelijk en legt hierna uit waarom.
Zoals hiervoor overwogen, heeft [kind 2] last van woedeaanvallen waarbij hij fysiek en verbaal agressief kan zijn richting de moeder. Deze woedeaanvallen spelen meerdere keren per week op. [kind 2] slaat de moeder in haar gezicht of drukt een kussen op haar hoofd. Hij geeft haar de schuld van alle problemen en achtervolgt haar als zij probeert weg te lopen. De woedeaanvallen zijn zo ernstig dat er zorgen zijn over de veiligheid van de moeder. Ambulante Spoedhulp is betrokken en adviseert om de moeder op zeer korte termijn te ontlasten. De situatie kost haar veel energie die zij eigenlijk niet meer heeft. De uithuisplaatsing van [kind 2] is noodzakelijk om de dynamiek tussen de moeder en [kind 2] te herstellen. De GI is op zoek naar een geschikte plek voor [kind 2] waar hij ook passende behandeling kan krijgen.
In beginsel verleent de kinderrechter een eerste machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden. Gelet op de problematiek van [kind 2] en de behandeling die daarvoor nodig is, zal de kinderrechter de machtiging verlenen voor de duur van een jaar, zoals de GI heeft verzocht. De verwachting is namelijk dat een periode van zes maanden te kort is voor de noodzakelijke behandeling. Na de behandeling kan volgens de GI worden bekeken wat mogelijk is, waarbij het de bedoeling is om terug te werken naar een thuisplaatsing van [kind 2] bij de moeder.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] voor de duur van een jaar, met ingang van 7 oktober 2025 tot 7 oktober 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar, met ingang van 7 oktober 2025 tot 7 oktober 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar, met ingang van 7 oktober 2025 tot 7 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Aarts, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Dekker als griffier op 7 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.