RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11740247 \ CV EXPL 25-4162
Vonnis van 9 oktober 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. T. Delmee,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 mei 2025 met 10 producties; - de (incidentele) conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met 6 producties;
- de brief van 13 augustus 2025, waarbij [eiseres] in de gelegenheid wordt gesteld om op de (incidentele) conclusie te reageren; - de conclusie van antwoord in reconventie tevens antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De vordering in de hoofdzaak
In de hoofdzaak vordert [eiseres] , samengevat, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] te beëindigen per 1 maart 2026, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen tijdstip;
II. [gedaagde] te veroordelen om de het gehuurde gelegen aan de [adres] binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, althans een binnen door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen termijn, te verlaten en te ontruimen, zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 50.000, te vermeerderen met de wettelijke rente en [eiseres] te machtigen de bedrijfsruimte te ontruimen;
III. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3. Het geschil in het incident
[gedaagde] vordert in het incident dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart. Daaraan legt hij het volgende ten grondslag. In reconventie vordert [gedaagde] primair het toekomend recht van eerste koop en subsidiair een schadevergoeding op basis van een onrechtmatige daad. Deze vorderingen overstijgen ieder de bevoegdheidsgrens van de kantonrechter zoals omschreven in artikel 93 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Op grond van artikel 71 lid 1 Rv dient de rechter zich daarom onbevoegd te verklaren en verzoekt [gedaagde] om op grond van artikel 71 lid 2 Rv de zaak in het geheel te verwijzen naar de civiele kamer van de rechtbank.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter wel bevoegd is om van de onderhavige zaak kennis te nemen. Daaraan legt [eiseres] ten grondslag dat de vordering in conventie een aardvordering als bedoeld in artikel 93 sub c Rv betreft. Op grond van dat artikel is de kantonrechter absoluut bevoegd om van zaken betreffende een huurovereenkomst kennis te nemen (zoals de vordering in conventie). Daarnaast voert [eiseres] aan dat de vorderingen in reconventie (eveneens) voortvloeien uit de tussen partijen overeengekomen huurovereenkomst, zodat ook om die reden de kantonrechter (op grond van artikel 93 sub c Rv) absoluut bevoegd is. Voor zover wordt geoordeeld dat de kantonrechter ten aanzien van de vorderingen in reconventie niet absoluut bevoegd is, geldt ingevolge artikel 94 lid 3 jo. lid 2 Rv dat voor zover één vordering een aardvordering betreft, de kantonrechter ook bevoegd is ten aanzien van de overige vorderingen (zowel in conventie als reconventie) voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling in het incident
Het geschil in het incident ziet op de vraag of de kantonrechter bevoegd is om van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen. De kantonrechter beantwoord die vraag bevestigend. Hierna wordt toegelicht waarom dat zo is.
Voorop wordt gesteld dat op grond van het bepaalde in artikel 93 aanhef en sub c Rv zaken betreffende (onder andere) een huurovereenkomst worden behandeld en beslist door de kantonrechter, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering. De term ‘betreffende’ duidt aan dat de vordering betrekking moet hebben op een (in dit geval) huurovereenkomst. Dat is dus ruimer dan dat de vordering haar grondslag heeft in een huurovereenkomst.
Naar het oordeel van de kantonrechter betreft de vordering van [eiseres] een onderwerp dat op grond van artikel 93 sub c Rv door de kantonrechter wordt behandeld. [eiseres] vordert immers ontbinding van de tussen partijen overeengekomen huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Dat is bij uitstek een ‘aardvordering’. Daarnaast is (in reconventie) de primaire vordering van [gedaagde] eveneens gegrond op de huurovereenkomst (artikel 4) en hangt de subsidiaire vordering met de huurovereenkomst samen. Hierdoor is de kantonrechter van oordeel dat de vorderingen in conventie en in reconventie zodanig met elkaar samenhangen dat die samenhang zich (mede vanuit proceseconomie) tegen afzonderlijke behandeling van deze vorderingen verzet. Dat heeft tot gevolg dat ingevolge artikel 94 leden 2 en 3 Rv de kantonrechter ook bevoegd is om van de overige vorderingen (in reconventie) kennis te nemen en daarover te beslissen.
Proceskosten in het incident
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten in het incident (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De proceskosten van [eiseres] worden, tot op heden, begroot op € 204,00 (1 punt x tarief € 204,00) aan salaris gemachtigde en € 102,00 aan nakosten.
5. De beslissing
De kantonrechter
in het incident
wijst het gevorderde af;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 306,00;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van donderdag 23 oktober 2025 voor bepaling datum mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Vieira, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.