bevel
RECHTBANK OOST-BRABANT
Strafrecht
parketnummer : 01-094732-25
bevel schorsing voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 12 mei 2025 (artikel 80 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte], geboren op [1977] te [geboorteplaats], feitelijk verblijfsadres:
[adres], nu gedetineerd in [verblijf plaats].
Raadsvrouw mr. A.G.A. Aben.
Procedure
Op 09 april 2025 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op 08 mei 2025 is op griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en het schriftelijke standpunt van de officier van justitie d.d. 09 mei 2025.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het persoonlijk belang van de verdachte zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang. Het uitzitten van vervangende hechtenis is een passend alternatief voor voorlopige hechtenis en dient daarom te prevaleren. Daarbij komt dat de doelen die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd door het stellen van voorwaarden aan een
schorsing ook kunnen worden bereikt, te meer nu bepaald wordt dat verdachte niet in vrijheid zal worden gesteld.
De verdachte heeft zich bereid verklaard tot nakoming van de hieronder vermelde schorsingsvoorwaarden.
Beslissing
De rechtbank:
schorst de voorlopige hechtenis met ingang vanaf het moment dat de vervangende hechtenis in de zaak met parketnummer O1-215803-24 onherroepelijk is en ten uitvoer wordt gelegd. De schorsing eindigt wanner de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis eindigt óf wanneer detentiefasering een aanvang neemt, onder de volgende voorwaarden.
l. De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen.
parketnummer : 01-094732-25 inzake: : [verdachte]
blad 2
2. Indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan.
3. De verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel I van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.
4. De verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.
Dit bevel is gegeven op 12 mei 2025 door: mr. C.A. Mandemakers,
in tegenwoordigheid van C.N. van Heuckelum,
voorzitter, griffier.