RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.056508.25, 01.072810.24, 96.009274.25 en 01.216112.22 (ttz. gev.)Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 01.242913.21
Datum uitspraak: 16 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1999] ,
thans gedetineerd in de P.I. Grave.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 juni 2025 (pro forma inzake 01.056508.25), 21 augustus 2025 (pro forma inzake 01.056508.25), 10 november 2025 (pro forma inzake 01.056508.25) en 2 februari 2026 (inhoudelijke behandeling van alle voornoemde parketnummers).
Op de terechtzitting van 2 februari 2026 heeft de rechtbank de tegen de verdachte/veroordeelde (hierna te noemen: de verdachte), onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
[slachtoffer 4] , heeft geschopt en/of geslagen, en/of
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 24 april 2025 (in de zaak met parketnummer 01.056508.25), 6 januari 2026 (in de zaak met parketnummer 01.072810.24), 16 januari 2026 (in de zaak met parketnummer 96.009274.25) en 21 januari 2026 (in de zaak met parketnummer 01.216112.22).
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. 01.216112.22:
hij op of omstreeks 26 augustus 2022 te Berghem, gemeente Oss, althans in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (verbalisant) en/of [slachtoffer 2] (verbalisant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "kankerwouten", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
t.a.v. 01.072810.24 primair:
hij op of omstreeks 14 augustus 2023 te Berghem, gemeente Oss ter uitvoering van
het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een loopkruk op de rug van die [slachtoffer 3] heeft geslagen en/of meermalen een metalen stoel tegen het hoofd, het bovenlichaam en/of de benen, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 3] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. 01.072810.24 subsidiair:
hij op of omstreeks 14 augustus 2023 te Berghem, gemeente Oss [slachtoffer 3] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 3] met een loopkruk te slaan en/of door een metalen stoel tegen het hoofd, het bovenlichaam en/of de benen, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 3] te gooien;
t.a.v. 96.009274.25:
hij op of omstreeks 15 november 2024 te Oss terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Nijverheidsstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
t.a.v. 01.056508.25 primair:
hij op of omstreeks 22 februari 2025 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- (minutenlang) meermalen tegen het hoofd, althans het lichaam van voornoemde
- een stoel tegen voornoemde [slachtoffer 4] heeft aangegooid, en/of
- het hoofd van voornoemde [slachtoffer 4] met kracht in een prullenbak heeft geduwd,
t.a.v. 01.056508.25 subsidiair:
hij op of omstreeks 22 februari 2025 te Oss [slachtoffer 4] heeft mishandeld door
- hem (minutenlang) meermalen tegen zijn hoofd, althans zijn lichaam, te schoppen en/of te slaan, en/of
- een stoel tegen hem aan te gooien, en/of
- zijn hoofd met kracht in een prullenbak te duwen.
De vordering na voorwaardelijke veroordeling.
De zaak met parketnummer 01.242913.21 is aangebracht bij vordering van 12 maart 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, van 21 augustus 2024. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Inleiding.
De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 26 augustus 2022 tot en met 22 februari 2025 vier strafbare feiten heeft gepleegd, namelijk – kort gezegd – het beledigen van twee ambtenaren in functie, poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 3] (hierna te noemen: [slachtoffer 3] ) dan wel mishandelen van die [slachtoffer 3] , het besturen van een motorrijtuig zonder geldig rijbewijs en poging tot doodslag of zware mishandeling dan wel mishandeling jegens [slachtoffer 4] (hierna te noemen: [slachtoffer 4] ).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de feiten, zoals ten laste gelegd onder de parketnummers 01.216112.22, 01.072810.24 primair, 96.009274.25 en 01.056508.25 primair, bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 01.216112.22 (de belediging van de ambtenaren in functie) bewezen kan worden verklaard, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte.
Ten aanzien van hetgeen primair en subsidiair ten laste is gelegd in de zaak met parketnummer 01.072810.24 stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu niet kan worden bewezen dat het verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de (poging tot zware) mishandeling van [slachtoffer 3] . Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat niet kan worden uitgegaan van een poging tot zware mishandeling en slechts – indien de rechtbank tot de conclusie komt dat de verdachte de mishandeling heeft gepleegd – een veroordeling voor hetgeen subsidiair ten laste is gelegd kan volgen.
Ook heeft de verdediging vrijspraak bepleit van hetgeen in de zaak met parketnummer 96.009274.25 (het rijden zonder geldig rijbewijs) ten laste is gelegd, nu de verdachte niet de bestuurder van de auto is geweest.
Tot slot heeft de verdediging in de zaak met parketnummer 01.056508.25 (de poging tot doodslag dan wel tot zware mishandeling, althans mishandeling, van [slachtoffer 4] ) primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot doodslag, nu er geen aanmerkelijke kans op de dood is geweest. Ten aanzien van de impliciet ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking en opsomming daarvan in de bijlage. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Het oordeel van de rechtbank.
De ten laste gelegde belediging van de ambtenaren in functie heeft de verdachte bekend en zal bewezen worden verklaard.
Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten overweegt de rechtbank het navolgende.
Bewijsoverweging t.a.v. 01.072810.24 primair.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het de verdachte is geweest die de mishandeling jegens [slachtoffer 3] heeft gepleegd.
De verdachte heeft ontkend de mishandeling te hebben gepleegd en de verdediging stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat op basis van de camerabeelden en de getuigenverklaring niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de persoon in kwestie de verdachte betreft.
Op basis van de bewijsmiddelen – waaronder de camerabeelden en getuigenverklaringen – en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 3] op 14 augustus 2023 op de Wilhelminasingel in Berghem loopt wanneer hij door een persoon wordt aangesproken. Na een korte woordenwisseling pakt de persoon de kruk, die door [slachtoffer 3] wordt gebruikt als loophulpmiddel, en slaat daarmee op de rug van [slachtoffer 3] . Vervolgens rent de persoon weg, pakt een zware metalen tuinstoel en gooit deze tegen [slachtoffer 3] . De persoon loopt vervolgens weer naar de stoel en gooit deze nogmaals tegen [slachtoffer 3] . De tuinstoel raakt [slachtoffer 3] op het hoofd, het bovenlichaam en de benen.
De persoon wordt door verschillende getuigen herkend als een persoon die veel overlast in de buurt veroorzaakt. De getuigen hebben tevens een signalement doorgegeven, waarbij sommigen hebben aangegeven dat de desbetreffende persoon ‘ [verdachte] ’ heet en op het adres [adres] te Berghem woonachtig is. Op basis van deze informatie is de verdachte door de verbalisanten aan de mishandeling gekoppeld. Getuige [getuige 1] zegt dat de verdachte in de woning woont waar de politie zojuist binnen is geweest. Treffend daarbij is dat het dit adres het woonadres van de moeder van verdachte is waar hij meestal verblijft, en dat die woning in de nabijheid staat van de plaats waar het incident heeft plaatsgevonden.
De rechtbank is op basis van het bovenstaande – en met name op basis van de specifieke getuigenverklaringen – van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer 3] met een kruk heeft geslagen en tweemaal een tuinstoel tegen [slachtoffer 3] heeft gegooid.
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe het volgende.
De verdachte heeft [slachtoffer 3] met een kruk op de rug geslagen en heeft tweemaal een zware metalen tuinstoel tegen het lichaam en hoofd van [slachtoffer 3] gegooid. Deze gedragingen – het slaan met een (zwaar) object op het lichaam en het hoofd van een zestigjarig slachtoffer – brengen een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel met zich. Daarbij overweegt de rechtbank in het bijzonder dat de poot van de stoel die de verdachte tegen het slachtoffer heeft gegooid daarna was verbogen en het gelet op de bewijsmiddelen niet anders kan dan dat die verbuiging is voortgekomen uit het door de verdachte uitgeoefende geweld met de stoel op het slachtoffer. Over de stoel is door de politie tevens geverbaliseerd dat deze zwaar was. Hieruit leidt de rechtbank af dat er met forse kracht moet zijn geslagen met deze stoel op het lichaam en hoofd van [slachtoffer 3] .
Naar het oordeel van de rechtbank moeten de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van letsel, dat niet ander kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 3] bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht dan ook voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd.
Bewijsoverweging t.a.v. 96.009274.25.
De verdachte ontkent dat hij de bestuurder is geweest van het voertuig dat de verbalisanten op 15 november 2025 over de Berghemseweg in Oss hebben zien rijden. De verdachte heeft ten overstaan van de verbalisanten en ter zitting verklaard dat niet hij, maar een vriend van hem als bestuurder heeft opgetreden, dat die vriend even weg was gegaan om iets te pakken. Tevens heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij er op dat moment van op de hoogte was dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Op basis van hetgeen daarover door de twee verbalisanten op ambtsbelofte/ambtseed is geverbaliseerd, stelt de rechtbank vast dat het de verdachte is geweest die het voertuig heeft bestuurd. Beide verbalisanten nemen waar dat een jongere man optreedt als bestuurder en dat er geen bijrijders in het voertuig zitten. Wanneer het voertuig stilstaat, wordt alleen de verdachte in het voertuig aangetroffen en herkennen de verbalisanten de persoon op de bijrijdersstoel als zijnde de bestuurder. Zij zijn nog 10 minuten bezig geweest op de plaats van staandehouding van verdachte, maar er is niemand teruggekomen bij de auto. Het andersluidende scenario van de verdachte wordt dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven.
Nu verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard - en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven – en hij toch is gaan rijden, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder parketnummer 96.009274.25 ten laste is gelegd.
Bewijsoverweging t.a.v. 01.056508.25 primair:
Ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot doodslag dan wel mishandeling van [slachtoffer 4] stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen – waaronder de ter terechtzitting bekeken camerabeelden – het volgende vast.
Op 22 februari 2025 ontstaat tussen de verdachte en [slachtoffer 4] een ruzie in het daklozenopvangcentrum in Oss. Uit de camerabeelden blijkt onder andere dat de verdachte [slachtoffer 4] slaat, een karatetrap tegen het hoofd geeft, tegen het lichaam van [slachtoffer 4] trapt en daarop blijft intrappen wanneer [slachtoffer 4] op de grond ligt. Wanneer [slachtoffer 4] probeert op te staan, slaat de verdachte met gebalde vuisten in op [slachtoffer 4] , gooit hij hem tegen de grond, blijft hij vervolgens op hem inslaan en trapt hem opnieuw meerdere malen tegen het lichaam. Vervolgens stopt de verdachte het hoofd van [slachtoffer 4] in een prullenbak, terwijl hij op het gezicht van [slachtoffer 4] blijft slaan. Ten tijde van de worsteling heeft de verdachte [slachtoffer 4] in een wurggreep en wanneer hij enigszins loslaat, blijft hij met zijn linkerhand grip op de keel van [slachtoffer 4] houden om hem vervolgens met gebalde vuist en met volle kracht in het gezicht te blijven slaan. Vervolgens trapt de verdachte met een karatetrap opnieuw tegen het hoofd van [slachtoffer 4] en slaat vervolgens met zijn vuisten in op diens lichaam. Daarna pakt de verdachte een stoel, die hij eerst tegen het gezicht en vervolgens ook tegen het lichaam van [slachtoffer 4] aangooit. Ook daarna gaat de verdachte door met het inslaan met gebalde vuisten op [slachtoffer 4] , die op dat moment weer op de grond ligt. Op geen enkel moment is te zien dat [slachtoffer 4] geweld tegen verdachte gebruikt. Als [slachtoffer 4] weg weet te lopen, blijft verdachte vanachter schoppen en met vuisten op hem inslaan. Het geweld stopt uiteindelijk pas omdat een medewerker van de opvang verdachte van [slachtoffer 4] aftrekt. Een en ander duurt ongeveer drie minuten lang. Na deze geweldsplegingen heeft getuige [getuige 2] de verdachte horen zeggen: “Geef mij een mes, geef mij een mes, dan steek ik hem neer”.
De verdediging ontkent niet dat de verdachte forse geweldshandelingen heeft gepleegd. De verdediging bepleit dat onduidelijk is hoe krachtig de geweldshandelingen jegens [slachtoffer 4] zijn geweest en benoemt daarbij dat het dossier geen medische gegevens bevat over de aard van het letsel en dat er geen deskundigen zijn geraadpleegd met de vraag zich uit te laten over het risico van het toegepaste geweld. Op basis van de jurisprudentie moet de verdachte worden vrijgesproken van poging tot doodslag. Ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is geen verweer gevoerd. De verdediging heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven geen beroep te doen op noodweer(exces).
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van de aangever. Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verdachte de bedoeling had, in de zin van ’boos’ opzet, om aangever van het leven te beroven. De vraag die vervolgens door de rechtbank dient te worden beantwoord, is of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat door het handelen van de verdachte een aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer bestond en dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Bij de beoordeling moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen, waaronder met name de aard van de gedragingen en de omstandigheden, waaronder deze zijn verricht.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het uitoefenen van fors geweld tegen het hoofd door met geschoeide voet te schoppen en veelvuldig met de vuisten te slaan zodanig schedel- en/of hersenletsel kan veroorzaken dat dit kan leiden tot het overlijden van een slachtoffer, aangezien het hoofd een zeer kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam is. Dat verdachte gymschoenen aan had, doet daaraan in dit geval niet af. Ook het met geweld stoppen van het hoofd van [slachtoffer 4] in een prullenbak, waarbij hij het deksel omhoog probeert te tillen met de nek van [slachtoffer 4] daarin en ook met beide handen de nek in een wurggreep te houden, had kunnen leiden tot ernstig nekletsel of verwurging als gevolg waarvan [slachtoffer 4] had kunnen overlijden. Daarbij heeft te gelden dat de combinatie van de op het slachtoffer uitgeoefende vormen van geweld met gebruikmaking van een prullenbak en stoel, zeker als dit geweld enkele minuten aanhoudt en qua aard excessief is des te meer de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Het is dankzij het ingrijpen van de medewerker van de opvang dat het geweld is gestopt, anders was niet te overzien geweest hoe lang het geweld nog had voortgeduurd en hoe ernstig het geweld nog zou zijn geweest, wat de kans op fataal letsel enkel had doen toenemen.
De rechtbank is van oordeel dat het door de verdachte gepleegde geweld naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is geweest op het overlijden van [slachtoffer 4] dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat overlijden ook bewust heeft aanvaard.
De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.
De bewezenverklaring.
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte:
t.a.v. 01.216112.22:
op 26 augustus 2022 te Berghem, gemeente Oss, opzettelijk ambtenaren, te weten [slachtoffer 1] (verbalisant) en [slachtoffer 2] (verbalisant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "kankerwouten";
t.a.v. 01.072810.24 primair:
op 14 augustus 2023 te Berghem, gemeente Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een loopkruk op de rug van die [slachtoffer 3] heeft geslagen en meermalen een metalen stoel tegen het hoofd, het bovenlichaam en de benen van die [slachtoffer 3] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. 96.009274.25:
op 15 november 2024 te Oss, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Nijverheidsstraat, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd;
t.a.v. 01.056508.25 primair:
op 22 februari 2025 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven,
- minutenlang meermalen tegen het hoofd heeft geschopt en geslagen, en
- een stoel tegen voornoemde [slachtoffer 4] heeft aangegooid, en
- het hoofd van voornoemde [slachtoffer 4] met kracht in een prullenbak heeft geduwd,
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie eist voor de bewezenverklaarde poging tot doodslag van [slachtoffer 4] en de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna te noemen: Sr) en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna te noemen: tbs-maatregel).
Ten aanzien van de belediging van de ambtenaren in functie stelt de officier van justitie dat kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel, gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn.
Voor overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna te noemen: WVW) eist de officier van justitie dat een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden zal worden opgelegd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van de belediging van de ambtenaren in functie heeft de verdediging betoogd dat bij oplegging van de straf de context waarin de belediging heeft plaatsgevonden, dient te worden meegewogen.
De verdediging heeft daarnaast betoogd dat zij de gevorderde gevangenisstraf niet passend vindt, gelet op wijze waarop de feiten gekwalificeerd dienen te worden en het feit dat het een jonge verdachte betreft die nog nooit eerder gedetineerd heeft gezeten. Ten aanzien van de gevorderde tbs-maatregel stelt de verdediging dat het doel van het opleggen van de maatregel in onderhavige zaak onduidelijk is en dat ook de deskundigen zich hier niet over hebben uitgelaten. Indien de rechtbank wel overgaat tot oplegging van een tbs-maatregel stelt de verdediging zich op het standpunt dat de behandeling zo spoedig mogelijk moet aanvangen.
De verdediging stelt zich eveneens op het standpunt dat, mede gelet op de in positieve zin gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf passend is.
Daarnaast wijst de verdediging erop dat artikel 63 Sr van toepassing is en dat de redelijke termijn in de zaken met parketnummers 01.216112.22 en 01.072810.24 (fors) is overschreden.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de wettelijke strafmaxima en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van twee ambtenaren in functie, rijden zonder geldig rijbewijs, poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] en poging tot doodslag van [slachtoffer 4] . Met name de poging tot zware mishandeling en poging tot doodslag zijn zeer ernstige strafbare feiten. Het geweld dat door de verdachte op het willekeurige slachtoffer [slachtoffer 3] en op [slachtoffer 4] is uitgeoefend, moet op hen beiden een grote indruk hebben gemaakt. Het zeer gewelddadige karakter van de gepleegde strafbare feiten laat zien dat de verdachte er niet voor terugdeinst om zwaar geweld tegen anderen te gebruiken, zelfs als daartoe geen enkele noemenswaardige aanleiding bestaat. De verdachte heeft zich bij het plegen van de geweldshandelingen niet bekommerd om de (mogelijke) gevolgen daarvan voor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .
Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog lang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering van [slachtoffer 3] blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is en dat hij daarnaast ook nog altijd fysieke klachten heeft. Gelet op de leeftijd en fysieke beperking van [slachtoffer 3] gaat het om een laffe en gewetenloze daad van de verdachte tegen een volstrekt willekeurig, oud en lichamelijk beperkt slachtoffer. Dat geldt ook voor de onverhoedse en zeer excessieve geweldpleging jegens [slachtoffer 4] .
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Justitiële Documentatie d.d. 21 januari 2026 van de verdachte. Er is sprake van meerdere veroordelingen voor geweldsdelicten. De verdachte heeft de poging tot doodslag en het rijden zonder rijbewijs gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling.
Overweging ten aanzien van de op te leggen straffen en maatregel.
Ten aanzien van overtreding van artikel 9 WVW legt de rechtbank op een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Met betrekking tot de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling en poging tot doodslag is de rechtbank van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is, ter vergelding van het leed dat de slachtoffers is aangedaan. Voor de hoogte van de gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de deskundigen hebben geadviseerd om het bewezenverklaarde in enigszins verminderde mate aan verdachte toe te rekenen en dat zij aan de verdachte eveneens de tbs-maatregel zal opleggen. De rechtbank legt hieronder uit waarom tot deze enigszins verminderde toerekening en tot deze maatregel wordt gekomen. De duur van de gevangenisstraf moet worden beperkt, omdat de verdachte gedurende het uitzitten van zijn gevangenisstraf niet kan instromen in de TBS en dus onbehandeld in detentie zou verblijven. Een gevangenisstraf van langere duur zal daarom de behandeling die daarop volgt vertragen en bemoeilijken. De rechtbank acht het belangrijk om dit gegeven mee te wegen bij de afweging van de overige strafdoelen om tot een passende duur van de gevangenisstraf te komen. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en aan de verdachte een kortere gevangenisstraf op leggen.
Alles afwegend acht de rechtbank vanwege de op te leggen tbs-maatregel een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank ook artikel 63 Sr in aanmerking genomen.
Overschrijding van de redelijke termijn.
Naar vaste rechtspraak heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in het onderhavige geval geen sprake.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van 24 maanden in de zaak met parketnummer 01.216112.22 met ongeveer 18 maanden en in de zaak met parketnummer 01.072810.24 met bijna 6 maanden is overschreden. De zaken hebben onnodig lang stilgelegen. De termijnoverschrijdingen zijn niet aan de verdachte te wijten.
De rechtbank zal de termijnoverschrijdingen verdisconteren in de op te leggen straf.
Zoals hiervoor is overwogen komt de rechtbank voor uit op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden. De rechtbank zal, gelet op het overschrijden van de redelijke termijn, 4 maanden gevangenisstraf in mindering brengen en komt daarmee uit op een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
In de kwestie van de belediging van de ambtenaren in functie is aan de verdachte eerder een strafbeschikking uitgevaardigd. Voor het betalen van de opgelegde boete is een betalingsregeling getroffen waarvan één termijn reeds is voldaan.
Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak zal de rechtbank geen aanvullende straf opleggen. De rechtbank vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking en legt voor het plegen van dit strafbare feit een geldboete ter hoogte van 261,48 euro op, subsidiair 2 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr. Dit houdt in dat het reeds betaalde bedrag in mindering zal worden gebracht op de opgelegde geldboete en de verdachte dan ook geen betaling meer verschuldigd is.
Overwegingen ten aanzien van de tbs-maatregel.
Zoals hiervoor al is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat naast de oplegging van een gevangenisstraf ook de noodzaak aanwezig is tot het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Wettelijk kader.
De tbs-maatregel kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit, voor zover hier van belang, een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Voor oplegging van tbs met dwangverpleging (artikel 37b, eerste lid, Sr) is verder ingevolge het bepaalde in artikel 37a, lid 3, Sr vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Dit lid blijft ingevolge artikel 37a, vierde lid, Sr buiten toepassing indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek. Dit neemt niet weg dat vereist blijft dat vastgesteld moet worden dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder deze vaststelling is oplegging van de tbs-maatregel niet mogelijk.
De vaststelling van het bestaan van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte in de zin van artikel 37a, eerste lid, Sr geschiedt door de rechter. In zoverre is sprake van een juridisch oordeel.
In de uitspraak van het EHRM van 3 maart 2015 (Constantia/Nederland) heeft het Europese Hof bevestigd dat de rechter ook bij een weigerende observandus de tbs-maatregel kan opleggen. Het Hof sluit niet uit dat de vaststelling van een stoornis plaatsvindt in een situatie waarin de verdachte zijn medewerking aan onderzoek weigert.
Weigerende observandus.
De verdachte heeft stelselmatig geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het gedragsdeskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum (hierna te noemen: PBC). Hierdoor zijn de gedragsdeskundigen (psycholoog en psychiater) in het door hen verrichte onderzoek beperkt en kon er geen compleet beeld over de psychische gesteldheid van de verdachte worden gevormd. Daarom hebben de deskundigen geen concreet advies kunnen geven. De deskundigen hebben – ondanks de weigerende houding van de verdachte – enkele vaststellingen kunnen doen over een psychische stoornis, de toerekenbaarheid van de feiten aan de verdachte, een eventueel gelijktijdigheidsverband en het recidivegevaar.
Grondslag voor de vaststelling van de stoornis en/of ziekte.
Uit het rapport van het PBC d.d. 21 januari 2026, opgesteld door G.M. Jansen (GZ-psycholoog) en S. Rakhshandehroo (psychiater), blijkt onder meer het volgende:
[p. 75] Hoewel zijn ingenomen procespositie een rol kan spelen bij zijn weigering is het aannemelijk dat er daarnaast op zijn minst ten dele sprake was van een pathologische weigering. Met name zijn wantrouwende houding lijkt hierin een rol te spelen. Door de beperkingen van het onderzoek is het niet mogelijk geweest om een grondig beeld te vormen van betrokkenes subjectieve belevingswereld noch van de culturele achtergrond van zijn belevingswereld, die essentieel zijn voor een adequate diagnostische duiding. (...)
Desondanks kan het onderzoekend team op grond van de gedragsobservaties, die in lijn zijn met de collaterale informatie, tot de diagnostische conclusie komen dat er sprake is van psychopathologie/een psychische stoornis bij betrokkene, waarvan de precieze aard, ernst en etiologie op basis van onderhavig onderzoek echter moeilijk gedegen te duiden zijn vanwege zijn weigering om mee te werken aan het onderzoek. (...)
Samenvattend kan gesteld worden dat betrokkene vanaf zijn 12e jaar een structureel patroon van disfunctioneren laat zien op meerdere levensgebieden. Het structureel patroon van disfunctioneren zou differentiaal diagnostisch kunnen samenhangen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en/of met een stoornis in het psychotische spectrum en/of neurologische schade als gevolg van chronisch lachgasgebruik (vanaf 2015) en/of een beperkte intelligentie (overvraging) en/of met middelengebruik.
[p. 79] Onderzoekers hebben niet met betrokkene kunnen spreken over het ten laste gelegde. Een delictscenario kon daardoor niet worden opgesteld en onderzoekers hebben vanuit eigen onderzoek geen zicht verkregen op zijn beweegredenen. Desalniettemin concluderen onderzoekers dat het onwaarschijnlijk is dat het beschreven symptomencomplex - waaronder wisselend en labiel affect, hoog spanningsniveau, geladenheid, beperkte frustratietolerantie, verstoorde emotieregulatie, gebrekkige impulscontrole, krenkbaarheid, een sterke behoefte aan controle en vermoedelijk onderliggend chronisch aanwezige achterdocht en verstoorde realiteitstoetsing - geen invloed heeft gehad op het ten laste gelegde, indien bewezen.
[p. 80] Samenvattend heeft het complex van symptomen geleid tot disfunctioneren op het moment van het ten laste gelegde, waardoor betrokkene, hoewel waarschijnlijk in staat om het wederrechtelijke van zijn handelen in te zien, door de vastgestelde psychopathologie deels wilsonvrij was in zijn gedragskeuzes en het beheersen van zijn handelen. Het onderzoeksteam adviseert uw college om betrokkene het ten laste gelegde, indien bewezen, in ten minste enigszins verminderde mate toe te rekenen.
[p. 81] Kijkend naar het verleden zijn er verschillende risicofactoren aan te merken, zoals eerder geweld (afpersing, mishandeling en bedreiging) antisociale cognities en antisociaal gedrag (verlaten plaats ongeval, rijden zonder rijbewijs en onder invloed van drugs). Daarnaast is sprake van een psychische stoornis, middelengebruik, langdurig disfunctioneren op meerdere levensgebieden en is er nauwelijks een respons op behandeling
of toezicht. Bij de klinische items (gedurende het afgelopen half jaar) is een beperkt inzicht in de stoornis, het risico op gewelddadig gedrag en de noodzaak tot behandeling een risicofactor. De psychpathologie laat zich terugzien in affectieve en gedragsmatige instabiliteit. Ook als het gaat om de risicohanteringsitems (die gaan over de toekomst) zijn er verschillende risicofactoren te onderscheiden. De leefomstandigheden van betrokkene zijn voor zover te beoordelen problematisch, Hij heeft geen adequate hulpverlening. Een prosociaal steunend netwerk lijkt nauwelijks aanwezig. Het ontbreekt hem aan adequate coping. Bij toepassing van de SAPROF blijkt dat er geen beschermende factoren in het leven van betrokkene aanwezig zijn. Al met al wordt het risico op gewelddadig gedrag op basis van de gestructureerde risicotaxatieinstrumenten, oftewel statistisch op groepsniveau beoordeeld, als hoog ingeschat.
[p. 82] Om deze reden kunnen onderzoekers ook geen advies geven over een passend juridisch kader. Het is echter duidelijk dat, gezien het beloop van de eerder aangeboden hulpverlening, het niet aannemelijk is dat een traject binnen voorwaardelijke kaders in de toekomst succesvol zal zijn.
Het oordeel van de rechtbank.
Gebrekkige ontwikkeling of andere ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
Ondanks de weigerachtige houding van de verdachte hebben de deskundigen op basis van de gedragsobservaties de conclusie kunnen trekken dat bij de verdachte sprake is van psychopathologie dan wel een psychische stoornis, zonder dat hieraan specifieke duiding is te geven. Ook zou – vanwege disfunctioneren op meerdere leefgebieden – sprake kunnen zijn van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en/of een stoornis in het psychotische spectrum waarbij neurologische schade als gevolg van chronisch lachgasgebruik ook niet valt uit te sluiten. De deskundigen adviseren het ten laste gelegde in ten minste enigszins verminderde mate toe te rekenen. Net als de deskundigen gaat de rechtbank uit van de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte met betrekking tot de poging tot doodslag en de poging tot zware mishandeling.
De bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling en poging tot doodslag zijn naar hun aard evident agressieve feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten hebben plaatsgevonden leggen extra gewicht in de schaal. Het extreme geweld dat op [slachtoffer 4] is toegepast, springt in het oog dat een geringe aanleiding leidt tot extreem agressief geweld. Ten aanzien van de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] is opvallend dat verdachte er niet voor terugdeinst om tegen een volstrekt willekeurig slachtoffer op straat zonder enige aanleiding fors geweld te gebruiken. Het handelen van de verdachte is naar het oordeel van de rechtbank zeer zorgwekkend en vormt een groot risico voor de maatschappij. Daar komt nog bij dat de geweldsuitbarstingen volledig willekeurig lijken te zijn en in ernst lijken toe te nemen. Nu het herhalingsgevaar als hoog wordt aangemerkt, is daarmee voorzienbaar dat verdachte wederom zonder aanleiding tegen willekeurige personen fors geweld zou gaan gebruiken. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat veel mensen bang van hem zijn en er ook vaker geweld is gebruikt, maar daarvan geen aangifte is gedaan.
Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat de verdachte enige vorm van zelfinzicht of schuldbesef heeft. De rechtbank acht dat zeer zorgwekkend.
Tegen de achtergrond van het voorgaande, te weten de inhoud van de PBC-rapportage, de inhoud van de dossiers in samenhang met de ernst van de gepleegde poging tot zware mishandeling en poging tot doodslag en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, komt de rechtbank tot de volgende vaststelling.
De rechtbank ziet op basis het vorenstaande voldoende grond om tot de vaststelling te komen dat er ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of andere ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, welke stoornis invloed heeft gehad op het bewezenverklaarde.
Hiermee stelt de rechtbank vast dat voldaan is aan één van de voorwaarden om de tbs-maatregel op te leggen.
Herhalingsgevaar en gevaar voor veiligheid van personen.
Vervolgens ligt de vraag voor of de tbs-maatregel ter bescherming van de maatschappij vereist is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
Naar het oordeel van de rechtbank is er, zoals hiervoor ook beschreven, sprake van een aanzienlijk recidivegevaar op het gebied van agressie- en geweldsdelicten, waardoor zonder behandeling een groot gevaar voor de veiligheid van personen bestaat. De rechtbank baseert deze inschatting op hetgeen daarover is opgeschreven in de PBC-rapportage in combinatie met de geweldsdelicten die reeds door de verdachte zijn begaan, de verklaringen van getuigen en hetgeen daarover in het sfeerproces-verbaal is weergegeven. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de rechtbank niet is gebleken van intrinsieke motivatie vanuit de verdachte, waardoor behandeling in een ander kader niet mogelijk is dan wel onvoldoende zinvol wordt geacht. Dit wordt door de deskundigen ook bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van voorwaarden niet toereikend zal zijn en slechts zal leiden tot het uitzitten van een ‘kale gevangenisstraf’, waarmee de problematiek rond de persoon van de verdachte niet zal verdwijnen.
Gelet op de aard en ernst van de bewezen geachte feiten en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, acht de rechtbank het niet verantwoord om de verdachte, zonder dat het recidivegevaar is weggenomen of in voldoende mate is afgenomen – waartoe behandeling een bijdrage zou kunnen leveren – in de maatschappij terug te laten keren. De
verdachte heeft door te volharden in zijn weigering om medewerking te verlenen aan met het oog op rapportage door gedragsdeskundigen te verrichten onderzoek, iedere opening naar onderzoek naar het bestaan van alternatieve, minder vergaande modaliteiten van beteugeling van het herhalingsgevaar onmogelijk gemaakt.
Overige vereisten artikel 37b Sr
De door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging eist. Indien de verdachte zonder behandeling op straat zou komen te staan, is er een groot gevaar dat de verdachte wederom geweldsfeiten zal plegen.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat de verdachte van overheidswege verpleegd wordt.
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat de bewezen geachte feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van 1.000,00 euro aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie is van mening dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
Gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van het feit waarop de vordering ziet, verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Daarbij merkt de verdediging op dat de verdachte te kennen heeft gegeven niets te zullen betalen wanneer het feit bewezen zal worden verklaard.
Indien het primair dan wel subsidiair ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard, stelt de verdediging zich op het standpunt dat onduidelijk is welke opgevoerde klachten het gevolg zijn van de mishandeling. Meer subsidiair verzoekt de verdediging het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding te matigen.
Beoordeling.
Nu vastgesteld kan worden dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde mishandeling rechtstreekse schade in de vorm van letsel heeft opgelopen als bedoeld in art. 6:106 onder b BW en dat een voldoende grond vormt voor de toewijzing van de door hem ingestelde vordering, terwijl deze vordering voldoende is onderbouwd en het bedrag de rechtbank niet onredelijk voorkomt, kan het gevorderde bedrag in zijn geheel worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2023 tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2023 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01.242913.21.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie eist dat de vordering ten uitvoer wordt gelegd, nu de verdachte zich gedurende de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat toewijzing van de vordering weinig toevoegt en dat de vordering om deze reden moet worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank.
De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan twee strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.
Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. 01.216112.22:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
t.a.v. 01.072810.24 primair:
poging tot zware mishandeling
t.a.v. 96.009274.25:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994
t.a.v. 01.056508.25 primair:
poging tot doodslag
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen en maatregelen.
T.a.v. 01.056508.25 primair, 01.072810.24 primair:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
t.a.v. 01.056508.25 primair, 01.072810.24 primair:
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.
t.a.v. 96.009274.25:
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
t.a.v. 01.216112.22:
De meervoudige strafkamer vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking in de zaak met parketnummer 01-216112-22.
De rechtbank legt op een geldboete ter hoogte van 261,48 euro subsidiair 2 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. Dit houdt in dat het reeds betaalde bedrag in mindering zal worden gebracht op de opgelegde geldboete.
T.a.v. 01-072810-24 primair:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 1.000,00 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
T.a.v. 01.072810.24 primair:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3], van een bedrag van 1.000,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 21 augustus 2024, gewezen onder parketnummer 01-242913-21, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mr. S.A.E.M. Rampaart en mr. S. van den Akker, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 16 februari 2026.