ECLI:NL:RBOBR:2026:1059

ECLI:NL:RBOBR:2026:1059

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 16-02-2026
Zaaknummer 82.308086.24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Dodelijk bedrijfsongeval. Veroordeling rechtspersoon voor overtreding artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet, meermalen gepleegd en dood door schuld. Geldboete € 75.000.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

[verdachte]

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 82.308086.24

Datum uitspraak: 17 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

gevestigd op het adres: [adres 2].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2025 en 3 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 juni 2025.

Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

zij op of omstreeks 20 januari 2023 te Waspik, gemeente Waalwijk, in ieder geval in Nederland, als werkgever van [slachtoffer] , in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, heeft nagelaten handelingen te verrichten, waardoor verdachte redelijkerwijze moest weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die [slachtoffer] te verwachten was, immers heeft verdachte arbeid door die [slachtoffer] laten verrichten op (het casco van) een (binnenvaart)schip met opschrift ' [opschrift] ' in eigendom van [betrokkene 1] , dat lag afgemeerd aan de kade van [verdachte] aan de [adres 2] in Waspik in de gemeente Waalwijk - zonder dat verdachte in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk heeft vastgelegd welke risico’s de arbeid op een aangemeerd schip met zich meebrengt, met speciale aandacht voor het feit dat er valgevaar bestond bij het lopen over de gangboorden en bij het uitvoeren van werkzaamheden in (de directe omgeving van) de gangboorden (artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet) en/of - zonder dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat [slachtoffer] doeltreffend werd ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en/of de daaraan verbonden risico's en/of de maatregelen die erop gericht waren deze risico's te voorkomen en/of te beperken (artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet)

en/of - zonder dat verdachte heeft toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen en/of beperken van de in het eerste lid genoemde risico's alsmede op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (artikel 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet) en/of - zonder dat verdachte de eisen omschreven in artikel 3.16, lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft nageleefd, aangezien bij het verrichten van die arbeid valgevaar of in elk geval gevaar bestond om 2,5 meter of meer te vallen, terwijl verdachte voornoemd gevaar niet is tegengegaan door het aanbrengen van een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer dan wel het valgevaar vanaf de buitenrand van het schip tegen te gaan door het aanbrengen van doelmatige (touwen)reling, (neerklapbare) hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen tegen valgevaar, dan wel door het op doelmatige wijze plaatsen van voldoende sterke en voldoende grote vangnetten,

waardoor het mogelijk was dat toen aldaar die [slachtoffer] op een gangboord liep (dat glad was vanwege de slechte weersomstandigheden en waarop obstakels (waaronder stukken staal) stonden die (deels) bedekt waren met ijs en/of sneeuw) en daar uitgleed, struikelde of om een andere reden zijn evenwicht verloor, hij vervolgens over de rand van het gangboord viel en vervolgens van een afstand van ongeveer 3,6 meter van het schip in het water (met een temperatuur van ongeveer 5 graden Celsius) is gevallen waardoor of mede waardoor die [slachtoffer] is overleden.

T.a.v. feit 2:zij op of omstreeks 20 januari 2023 te Waspik, gemeente Waalwijk, in ieder geval in Nederland, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam onzorgvuldig en/of nalatig een werknemer (te weten [slachtoffer] ) arbeid heeft laten verrichten op (het casco van) een (binnenvaart)schip met opschrift ' [opschrift] ' in eigendom van [betrokkene 1] , dat lag afgemeerd aan de kade van [verdachte] aan de [adres 2] in Waspik in de gemeente Waalwijk,- terwijl die werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s (van het lopen over de gangboorden en uitvoeren van werkzaamheden in (de directe omgeving van) de gangboorden) vooraf onvoldoende in kaart waren gebracht en/of niet en/of onvoldoende aan die werknemer waren kenbaar gemaakt

en/of - terwijl valgevaar bestond om 2,5 meter of meer te vallen, terwijl verdachte voornoemd gevaar niet is tegengegaan door het aanbrengen van een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer dan wel het valgevaar vanaf de buitenrand van het schip tegen te gaan door het aanbrengen van doelmatige (touwen)reling, (neerklapbare) hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen tegen valgevaar, dan wel door het op doelmatige wijze plaatsen van voldoende sterke en voldoende grote vangnetten

en/of - zonder voortdurend, althans voldoende toezicht op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, waardoor het aan haar schuld te wijten is dat die [slachtoffer] van grote hoogte in het water (met een temperatuur van ongeveer 5 graden Celsius) is gevallen en is overleden.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.

Op 20 januari 2023 is de heer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) te water geraakt tijdens het uitoefenen van zijn werkzaamheden voor verdachte, zijn werkgever, op het schip met opschrift ‘ [opschrift] ’ dat lag afgemeerd aan de kade aan de [adres 2] te Waspik. Op deze datum verscheen het slachtoffer in de ochtend niet bij een koffiepauze waarna hij onvindbaar bleek. Op 23 januari 2023 is uiteindelijk het levenloze lichaam van het slachtoffer door de politie aangetroffen in de watergang waar het schip lag.

Verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat zij heeft nagelaten om de risico’s en gevaren op de arbeidsplaats te voorkomen of te beperken (feit 1), alsmede dat de dood van het slachtoffer aan haar schuld te wijten is (feit 2).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvullingen ter terechtzitting van 3 februari 2026 heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit van hetgeen onder feit 1 ten laste is gelegd.

De verdediging stelt dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor hetgeen haar onder de derde gedachtestreep ten laste is gelegd, omdat uit het dossier blijkt dat de vertegenwoordiger van de rechtspersoon streng toeziet op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen ter voorkoming van valgevaar en er op de arbeidsplaats (vanuit [betrokkene 1] ) een voorman aanwezig was wiens taak het was om toe te zien op de werkzaamheden en de veiligheid van het terrein te garanderen.

Daarnaast heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit van hetgeen verdachte onder de vierde gedachtestreep ten laste is gelegd, omdat het aanbrengen van de vereiste beschermende maatregelen om valgevaar tegen te gaan de verantwoordelijkheid is van [betrokkene 1] als aannemer van de opdracht en opdrachtgever van verdachte. Voorts heeft verdachte persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld in de vorm van valtuigjes.

Met betrekking tot hetgeen verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd heeft de verdediging onder meer gelet op de ten aanzien van feit 1 verweerde gronden vrijspraak bepleit.

De verdediging stelt dat verdachte partieel vrijgesproken moet worden van het geen haar onder de eerste gedachtestreep ten laste is gelegd nu er geen causaal verband bestaat tussen dit nalaten en het overlijden van het slachtoffer.

De verdediging stelt dat verdachte van hetgeen haar onder de tweede gedachtestreep ten laste is gelegd dient te worden vrijgesproken, omdat verdachte het slachtoffer op 20 januari 2023 niet de opdracht had gegeven om werkzaamheden te verrichten op het gangboord van het schip. Als dat wel het geval was geweest, dan kon het valrisico ondervangen worden met een valtuigje.

Voorts dient verdachte vrijgesproken te worden van hetgeen haar onder de derde gedachtestreep ten laste is gelegd nu verdachte in voldoende mate toezicht heeft gehouden op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden uitgesloten dat het slachtoffer op het schip onwel is geworden wegens pre-existente hart- of longklachten. De verdediging stelt dat een onwelwording van het slachtoffer doorslaggevend moet zijn geweest bij een eventuele verdrinkingsdood, omdat het slachtoffer anders zelf naar de kant had kunnen zwemmen, dan wel uit het water gehaald had kunnen worden.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Omstandigheden voorafgaand het ongeval.

Het hierboven genoemde schip is ruim 100 meter lang en lag op de betreffende plek om gereedgemaakt te worden voor ingebruikname. Daartoe moesten onder meer snijbrandwerkzaamheden worden uitgevoerd. Verdachte had hiertoe een contract gesloten met de eigenaar va het schip, [betrokkene 1] . Het latere slachtoffer was enkele dagen voor het ongeval in dienst gekomen bij verdachte. In de ochtend van 20 januari 2023 was het slecht weer: het was koud en er viel sneeuw. Tussen de voorsteven en het achterdek bevonden zich stalen gangboorden van ongeveer 67 cm. breed. Deze waren voorzien van een opstaande rand van enkele cm. en bevonden zich op 3.60 meter boven de waterlijn. Het latere slachtoffer was die ochtend als enige werknemer van verdachte begonnen met snijbrandwerkzaamheden op het achterdek van het schip. Kort voor 9.30 uur heeft zijn baas, de heer [betrokkene 2] , hem gezegd dat het weer te slecht werd en dat ze binnen in de loods verder zouden gaan werken. Werknemers van [betrokkene 1] , die ook op het schip aan het werk waren, gingen naar binnen om pauze te houden.

Overwegingen ten aanzien van feit 1.

Verdachte is als werkgever gebonden aan veiligheidsvoorschriften, die zijn vastgelegd in de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit). Niet in geschil is dat de plaats van het ongeval een arbeidsplaats is als bedoeld in de Arbowet. Tevens staat niet ter discussie dat het slachtoffer een werknemer was van verdachte in de zin van de Arbowet.

In de Arbowet is verankerd dat werknemers het recht hebben op een veilige en gezonde werkplek. De primaire verantwoordelijkheid voor het inrichten van een dergelijke werkplek rust op de feitelijke werkgever, die verplicht is een arbobeleid te voeren dat gericht is op de bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers.

Artikel 32 Arbowet bevat de strafbepaling die inhoudt dat het de werkgever verboden is om handelingen te verrichten of na te laten in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.

Artikel 1 van de Wet op de Economische Delicten bepaalt onder andere dat overtreding van artikel 32 Arbowet een economisch delict is.

De vraag die beantwoord moet worden is of verdachte tekort is geschoten in haar zorgplichten als bedoeld in de Arbowet en het Arbobesluit jegens haar werknemers, onder wie het slachtoffer, en daarmee strafbaar heeft gehandeld.

Met betrekking tot de eerste gedachtestreep; artikel 5 lid 1 Arbowet.

Verdachte wordt onder meer verweten dat zij in strijd met artikel 5 lid 1 Arbowet niet of onvoldoende in een RI&E heeft vastgelegd welke risico’s het werken op een aangemeerd schip met zich meebrengt, in het bijzonder met betrekking tot valgevaar bij het lopen over de gangboorden en bij het uitvoeren van werkzaamheden in (de directe omgeving van) de gangboorden. De rechtbank constateert dat in de RI&E van verdachte in het dossier staat dat geen maatregelen werden genomen om te voorkomen dat werknemers konden vallen. Verder werden risico’s van het werken aan de waterkant of boven water niet beschreven. Dit terwijl aangenomen mag worden dat dit voor de hand liggende risico’s zijn bij een bedrijf als dat van verdachte.

Daar komt bij dat de door verdachte ingeschakelde veiligheidskundige op 9 januari 2023 de opdracht kreeg om deze RI&E op te stellen. Hij heeft diverse stukken aan verdachte toegestuurd op 13 januari 2023, een week voor het ongeval, een rondgang gemaakt op de scheepswerf van verdachte en de vertegenwoordiger, de heer [betrokkene 2] , gesproken. Op 30 januari 2023, ná het bedrijfsongeval, heeft dit traject pas een vervolg gekregen met een e-mail aan de werknemers en een voorlichtingsbijeenkomst op 1 februari 2023. Toen was het slachtoffer echter al overleden.

Kortom, verdachte overtrad voorafgaand en ten tijde van het bedrijfsongeval op 20 januari 2023 artikel 5 lid 1 Arbowet. Verdachte heeft zich op dit punt ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de tweede gedachtestreep; artikel 8, lid 1 Arbowet.

Artikel 8 lid 1 Arbowet legt aan de werkgever onder meer de verplichting op dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken.

In de RI&E van verdachte staat beschreven dat niet alle medewerkers waren voorgelicht over veilig en gezond werken en over doel, werking, wijze van gebruik, onderhoud en vervanging van persoonlijke beschermingsmiddelen. Voorlichting en onderricht werden volgens de RI&E niet gegeven wanneer een nieuwe medewerker voor het eerst binnen het bedrijf ging werken. Daarnaast hadden niet alle medewerkers een schriftelijk exemplaar van de werkinstructies gekregen. Verder is uit het dossier niet gebleken dat het slachtoffer deel heeft genomen aan een toolboxmeeting of dat hij de Toolbox Vallen Uitglijden Struikelen Jaar 2023 heeft gevolgd. Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen doeltreffende voorlichting als hier bedoeld heeft plaatsgevonden.

Zoals hiervoor al is overwogen is weliswaar een veiligheidskundige ingeschakeld, maar dat traject kwam voor het slachtoffer te laat.

Kortom, verdachte overtrad ook artikel 8 lid 1 Arbowet voorafgaand en ten tijde van het ongeval. Verdachte heeft zich op dit punt ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de derde gedachtestreep: artikel 8, lid 4 Arbowet.

Artikel 8 lid 4 Arbowet bepaalt dat de werkgever dient toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de risico’s die aan de werkzaamheden zijn verbonden.

Er werd op het moment van het ongeval door verdachte geen toezicht uitgeoefend op de werkplek van het slachtoffer, terwijl laatstgenoemde bezig was met zijn werkzaamheden op hoogte op een schip in de directe nabijheid van water zonder beveiligingsmaatregelen (waarover hierna meer). Het slachtoffer droeg op de dag van het ongeval geen veiligheidsharnas of reddingsvest. Verdachte heeft daarnaast nagelaten om erop toe te zien dat middelen tegen valgevaar werden gebruikt. Een getuige en de vertegenwoordiger van verdachte hebben verklaard dat laatstgenoemde de medewerkers zou hebben gewezen op het gebruik van valbescherming. Uit het dossier volgt echter ook dat er – zelfs na het ongeval - sprake is van personen die rondlopen zonder de valbescherming. Daarnaast is het gestelde toezicht niet beschreven of op andere wijze onderbouwd. Dat er vanuit de opdrachtgever ( [betrokkene 1] ) een meewerkend voorman aanwezig zou zijn geweest, vrijwaart verdachte niet van haar verplichtingen ten opzichte van haar werknemer, het slachtoffer. Niet gebleken is dat daarover (schriftelijk vastgelegde) afspraken zijn gemaakt tussen verdachte en haar opdrachtgever.

Kortom, de rechtbank oordeelt dat verdachte artikel 8 lid 4 Arbowet eveneens heeft overtreden op 20 januari 2023.

Met betrekking tot de vierde gedachtestreep; artikel 3.16 lid 1 Arbobesluit.

De rechtbank stelt vast dat op het schip waar het ongeval heeft plaatsgevonden onvoldoende veiligheidsmaatregen waren getroffen. Zo waren er aan de gangboorden geen veilige steigers, stellingen, bordes of werkvloeren aangebracht, en was het valgevaar vanaf de buitenrand van het schip niet tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. Er waren ook geen voldoende sterke en grote vangnetten op doelmatige wijze aangebracht en er werden geen doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel andere technische middelen toegepast. Het was niet mogelijk om het schip te betreden zonder over het gangboord te lopen, waar geen adequate veiligheidsvoorzieningen waren getroffen om valgevaar te voorkomen.

Ingevolge artikel 3.16 lid 5 Arbobesluit hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming. In casu had het valgevaar weggenomen kunnen worden door middel van het aanbrengen van een tijdelijke touwreling rondom het schip aan de waterzijde. Deze maatregel prevaleert boven het inzetten van individuele beschermingsmaatregelen, zoals het dragen van een veiligheidsharnas. Dat verdachte valtuigjes beschikbaar zou hebben gesteld, doet daarom niets af aan de verplichting om te zorgen voor adequate collectieve beschermingsmaatregelen. Deze verplichting tegenover haar werknemer, het slachtoffer, behoorde tot de verantwoordelijkheid van verdachte waarvan zij niet gekweten kan worden geacht door een verwijzing naar opdrachtgever [betrokkene 1] Nergens uit blijkt dat hierover afspraken zijn gemaakt. Vaststaat dat er geen collectieve beschermingsmaatregelen getroffen waren; pas na het ongeval is er door verdachte een touwreling aangebracht.

Kortom, ook artikel 3.16 lid 1 Arbobesluit is op 20 januari 2023 door verdachte overtreden.

Opzet.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Voor een bewezenverklaring van de opzettelijke overtreding van in artikel 1 van de Wet op de economische delicten aangewezen voorschriften, waaronder artikel 32 Arbowet en daarmee artikel 5 en 8 Arbowet en artikel 3.16 Arbobesluit, is slechts kleurloos opzet vereist. Opzet hoeft daarmee slechts gericht te zijn op de gedraging zelf, dan wel op een nalaten. Het opzet hoeft er niet op gericht te zijn dat daardoor een wettelijke verplichting niet wordt nageleefd.

Verdachte wordt geacht bekend te zijn met de verplichtingen tot het naleven van de op haar rustende zorgplichten op grond van de Arbowet en het Arbobesluit. In het nalaten van verdachte die zorgplichten na te leven, welk nalaten hiervoor al vast is komen te staan, ligt het opzet besloten.

Wetenschap levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid.

Verdachte wist, althans moest redelijkerwijs weten dat als gevolg van haar nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan of te verwachten was. Het is immers evident dat wanneer maatregelen achterwege worden gelaten die gericht zijn op het voorkomen en ondervangen van gezondheids- en veiligheidsrisico’s bij het werken op een werkplek waar valgevaar bestaat, ongelukken kunnen gebeuren met ernstige gezondheidsschade of de dood tot gevolg.

De rechtbank overweegt nog dat de vertegenwoordiger van verdachte meerdere malen heeft verklaard dat het slachtoffer niets te zoeken had op het gangboord. Hij zou op het achterdek aan het werk zijn geweest en daar was voldoende bescherming om niet te water te raken. Verdachte miskent hiermee dat zij er te allen tijde rekening mee moet houden dat een werknemer wellicht ook een andere (mogelijk minder logische) route kiest om op/van het schip te komen, een andere werkzaamheid oppakt, materieel of materiaal opruimt, een inschattingsfout maakt, en wellicht onwel wordt etc. Ook in die gevallen behoort een werknemer vanuit zijn werkgever voldoende bescherming te genieten. Dat een dergelijk geval zich heeft voorgedaan is overigens niet met zekerheid vast te stellen; vast staat alleen wel dat het slachtoffer vanaf het schip te water is geraakt.

Tussenconclusie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het eerste ten laste gelegde feit.

Overwegingen ten aanzien van feit 2; dood door schuld ex artikel 307 Sr.

Voor het aannemen van schuld als delictsbestanddeel in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht moet het gaan om een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De dader moest anders handelen (verwijtbaarheid) en kon ook anders handelen (vermijdbaarheid). Een en ander wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

De aard en de ernst van de gevolgen van het ten laste gelegde moeten bij de beoordeling van de mate van schuld buiten beschouwing worden gelaten, hoe tragisch een gevolg ook is. Wel dient vast komen te staan dat tussen de gemaakte fout en de dood voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat, terwijl tot slot voor culpoze strafbaarheid de voorzienbaarheid nog steeds als een voorwaarde geldt.

De doodsoorzaak.

Het slachtoffer is drie dagen na zijn vermissing levenloos aangetroffen in de watergang bij het schip waar hij aan het werk was. De forensisch patholoog heeft na een uitvoerig onderzoek aan onder meer het lichaam van het slachtoffer geconcludeerd dat geen anatomische doodsoorzaak is gebleken. Gezien de bevindingen bij radiologisch onderzoek en sectie en het aantreffen van het lichaam te water dient verdrinking volgens de deze arts als doodsoorzaak te worden overwogen. Uit de bevindingen van de forensisch patholoog blijkt overigens ook dat er geen alcohol, drugs of geneesmiddelen in het (hart)bloed van het slachtoffer zijn aangetroffen.

Pas in een zeer laat stadium (de avond voorafgaand aan de zitting) heeft de verdediging een rapportage van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau, geschreven door forensisch patholoog dr. F.R.W. van de Goot, ingebracht. Naar de rechtbank begrijpt heeft hij op basis van de medische informatie in het dossier de vraag onderzocht in hoeverre er ruimte zou zijn voor een andere doodsoorzaak dan een mogelijke verdrinkingsdood, mede gelet op de gebruikte medicatie en het bij het slachtoffer aangetroffen vergrote hart. Dr. Van de Goot concludeert dat het slachtoffer levend te water is geraakt waarbij de gemoedstoestand of de mate van bewustzijn onmogelijk in te schatten is. Met name de oogproblemen kunnen een rol spelen bij het te water raken, terwijl het slachtoffer volgens deze patholoog geen vergroot hart had in context met postuur en gewicht. Duizelingen als gevolg van de medicatie kunnen een rol hebben gespeeld, alsmede hartspierverlittekening. Hoe dan ook, zo wordt geconcludeerd, is het slachtoffer levend en al dan niet bij bewustzijn te water geraakt en naar het uitziet aldaar aan zijn einde gekomen door verdrinking of onderkoeling.

Op basis van beide rapporten concludeert de rechtbank dat verdrinking als meest voor de hand liggende doodsoorzaak moet worden beschouwd. Hoe dan ook heeft het te water raken, als direct gevolg van de val van het schip, een grote bijdrage geleverd aan het overlijden.

De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat sprake is van een voldoende oorzakelijk verband tussen het in het water vallen van het slachtoffer en zijn overlijden.

Aan schuld te wijten.

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van feit 1, volgt dat er sprake is van schuld aan de zijde van verdachte als hiervoor bedoeld. Er is vastgesteld dat verdachte de werkgever was van het slachtoffer in de zin van de Arbowet. Bovendien is gebleken dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan de op haar op grond van de Arbowet rustende zorgplichten en wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat er daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers, waaronder het slachtoffer, te verwachten viel. Door het nalaten van verdachte is het slachtoffer op 20 januari 2023 van het schip gevallen en te water geraakt, ten gevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. Verdachte heeft nagelaten een veilige werkomgeving te creëren op de werkplek van het slachtoffer; risico’s waren onvoldoende in kaart gebracht noch aan de werknemer kenbaar gemaakt, er zijn geen maatregelen genomen ter voorkoming van het aanwezige valgevaar en er heeft onvoldoende toezicht plaatsgevonden op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Door het voorgaande tezamen en in onderling verband bezien, heeft verdachte de op haar rustende zorgplicht voor de veiligheid van haar werknemers, waaronder die van het slachtoffer, vermijdbaar en verwijtbaar geschonden. Verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam, onzorgvuldig en nalatig gehandeld. Verdachte had de risico’s en de gevolgen zoals die zich hebben voorgedaan toen het ongeval gebeurde, kunnen en moeten voorzien en had anders kunnen en moeten handelen. Het fatale ongeval staat in direct verband met het nalaten van verdachte. De rechtbank acht bewezen dat het aan de schuld van verdachte te wijten is dat het slachtoffer door het vallen van het schip te water is geraakt en als gevolg daarvan is komen te overlijden.

Toerekening aan de rechtspersoon.

Of een gedraging redelijkerwijs kan worden toegerekend aan een rechtspersoon dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is het van belang of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. De rechtbank stelt vast dat de gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Immers is het nalaten begaan door personen die bij de rechtspersoon in dienst waren, passen het hanteren van een veiligheidsbeleid bij de normale bedrijfsvoering, en werd de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard. Daartoe verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor al is overwogen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat het slachtoffer vanaf een gangboord te water is geraakt. Hoewel geen van de getuigen heeft gezien dat het slachtoffer naar beneden viel, verklaren zij wel dat hij daar aan het werk was (of zich daar bevond), kort voordat hij vermist raakte. Het past bovendien bij de vaststelling dat op de gangboord aan stuurboordzijde op ongeveer 15 meter van het achterdek een snijbrander werd aangetroffen waarvan de flessen niet waren dichtgedraaid. Ook uit de beelden vanaf de overkant van het water blijkt volgens een getuige dat een persoon met een snijbrander vanaf de gangboord te water raakt.

Conclusie.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen is.

Voor zover de rechtbank niet op de ter terechtzitting aangevoerde verweren heeft gerespondeerd, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en alles wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

T.a.v. feit 1:

op 20 januari 2023 te Waspik, gemeente Waalwijk, als werkgever van [slachtoffer] , in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, heeft nagelaten handelingen te verrichten, waardoor verdachte redelijkerwijze moest weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die [slachtoffer] te verwachten was, immers heeft verdachte arbeid door die [slachtoffer] laten verrichten op (het casco van) een (binnenvaart)schip met opschrift ' [opschrift] ' in eigendom van [betrokkene 1] , dat lag afgemeerd aan de kade van [verdachte] aan de [adres 2] in Waspik in de gemeente Waalwijk - zonder dat verdachte in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk heeft vastgelegd welke risico’s de arbeid op een aangemeerd schip met zich meebrengt, met speciale aandacht voor het feit dat er valgevaar bestond bij het lopen over de gangboorden en bij het uitvoeren van werkzaamheden in (de directe omgeving van) de gangboorden en - zonder dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat [slachtoffer] doeltreffend werd ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's en de maatregelen die erop gericht waren deze risico's te voorkomen en te beperken en - zonder dat verdachte heeft toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen en beperken van de in het eerste lid genoemde risico's alsmede op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en - zonder dat verdachte de eisen omschreven in artikel 3.16, lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft nageleefd, aangezien bij het verrichten van die arbeid valgevaar of in elk geval gevaar bestond om 2,5 meter of meer te vallen, terwijl verdachte voornoemd gevaar niet is tegengegaan door het aanbrengen van een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer dan wel het valgevaar vanaf de buitenrand van het schip tegen te gaan door het aanbrengen van doelmatige (touwen)reling, (neerklapbare) hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen tegen valgevaar, dan wel door het op doelmatige wijze plaatsen van voldoende sterke en voldoende grote vangnetten, waardoor het mogelijk was dat toen aldaar die [slachtoffer] op een gangboord liep (dat glad was vanwege de slechte weersomstandigheden en waarop obstakels (waaronder stukken staal) stonden die (deels) bedekt waren met ijs en sneeuw) en daar uitgleed, struikelde of om een andere reden zijn evenwicht verloor, hij vervolgens over de rand van het gangboord viel en vervolgens van een afstand van ongeveer 3,6 meter van het schip in het water (met een temperatuur van ongeveer 5 graden Celsius) is gevallen waardoor of mede waardoor die [slachtoffer] is overleden.

T.a.v. feit 2:op of omstreeks 20 januari 2023 te Waspik, gemeente Waalwijk, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam onzorgvuldig en nalatig een werknemer (te weten [slachtoffer] ) arbeid heeft laten verrichten op (het casco van) een (binnenvaart)schip met opschrift ' [opschrift] ' in eigendom van [betrokkene 1] , dat lag afgemeerd aan de kade van [verdachte] aan de [adres 2] in Waspik in de gemeente Waalwijk,- terwijl die werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s (van het lopen overde gangboorden en uitvoeren van werkzaamheden in (de directe omgeving van) de gangboorden) vooraf onvoldoende in kaart waren gebracht en/of niet en onvoldoende aan die werknemer waren kenbaar gemaakt en- terwijl valgevaar bestond om 2,5 meter of meer te vallen, terwijl verdachte voornoemd gevaar niet is tegengegaan door het aanbrengen van een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer dan wel het valgevaar vanaf de buitenrand van het schip tegen te gaan door het aanbrengen van doelmatige (touwen)reling, (neerklapbare) hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen tegen valgevaar, dan wel door het op doelmatige wijze plaatsen van voldoende sterke en voldoende grote vangnetten en- zonder voortdurend, althans voldoende toezicht op het gebruik van persoonlijkebeschermingsmiddelen,waardoor het aan haar schuld te wijten is dat die [slachtoffer] van grote hoogte inhet water (met een temperatuur van ongeveer 5 graden Celsius) is gevallen en isoverleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten tezamen zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 75.000,-. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte na het voorval meerdere maatregelen heeft genomen ter voorkoming van een dergelijk ongeval in de toekomst. Daarnaast heeft de zaak impact gemaakt op de vertegenwoordiger van de rechtspersoon. Ook heeft deze zaak tot negatieve media-aandacht geleid voor verdachte en verlies van klandizie als gevolg daarvan. Tevens is er sprake van een groot tijdsverloop sinds het ongeval heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de verdediging bepleit dat sprake is van eendaadse samenloop zoals bedoeld in artikel 55, tweede lid Wetboek van Strafrecht. Tot slot verzoekt de verdediging ten aanzien van feit 2 de nuanceringen met betrekking tot de causaliteit mee te nemen in de strafmaat.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de feiten door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de rechtspersoon en de bedrijfsomstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Verdachte was als werkgever verantwoordelijk voor de veiligheid van haar medewerkers. Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten om zorg te dragen voor veilige arbeidsomstandigheden. Verdachte is met haar handelen ernstig tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens haar medewerkers, in het bijzonder jegens het slachtoffer. Daarbij is de reeks bewezenverklaarde verwijten in de richting van verdachte aanzienlijk. Door haar nalatigheid heeft het ongeval kunnen plaatsvinden, waardoor het slachtoffer is overleden.

Verdachte heeft de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan waarvan zij de gevolgen nog dagelijks ondervinden, zoals ter terechtzitting ook is gebleken uit de voorgedragen slachtofferverklaring en het spreekrecht van de echtgenote van het slachtoffer. De rechtbank realiseert zich dat een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, dit leed niet ongedaan zal kunnen maken.

Justitiële documentatie

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 juni 2025 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De samenloop van de feiten.

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, op grond waarvan alleen artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet dient te worden toegepast. De rechtbank overweegt dat het feitencomplex bij feit 1 en feit 2 weliswaar gelijkluidend is, maar dat het beschermd belang van beide feiten onderling wezenlijk verschilt. Feit 1 is een economisch delict dat specifiek betrekking heeft op voorschriften waaraan een werkgever zich moet houden ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers tijdens hun werkzaamheden in het algemeen. Feit 2 is een commuun delict waarin het door schuld veroorzaken van de dood strafbaar is gesteld. Hierbij vormt het menselijk leven het beschermd belang. De uiteenlopende belangen maken dat niet kan worden gesproken van hetzelfde feit. Daarnaast betrekt de rechtbank hierbij de omstandigheid dat de onder feit 2 ten laste gelegde overtreding van artikel 307 Sr een schuldmisdrijf betreft terwijl het onder feit 1 ten laste gelegde overtreden van artikel 32 Arbowet een opzettelijk begaan misdrijf betreft. Er is dus geen sprake van een eendaadse samenloop.

Conclusie.

Alles overziend ziet de rechtbank geen aanleiding om over te gaan tot matiging en zal de rechtbank conform de eis een geldboete ter hoogte van € 75.000,- aan verdachte opleggen.

De vordering van de benadeelde partijen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat de civielrechtelijke verantwoordelijkheid van alsmede de vergoedingsplicht zowel bij verdachte als bij [betrokkene 1] neergelegd worden in een thans lopende civielrechtelijke procedure. Om die reden is het een onevenredige belasting van het strafproces om niet alleen de verantwoordelijkheid van verdachte, maar ook die van [betrokkene 1] alsmede hun onderlinge draagplicht, in deze strafprocedure vast te stellen. Daarnaast stelt de verdediging dat de uitkomst van de civielrechtelijke procedure doorslaggevend is voor de vaststelling van enige schadevergoedingsplicht van verdachte. Het zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen om die procedure af te wachten.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de uitkomst van een civielrechtelijke procedure niet van belang is voor de ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen in deze zaak. De opvatting dat de strafrechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet verklaren in haar vordering, indien die vordering bij de civiele rechter nog aanhangig is, vindt geen steun in het recht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] .

De vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot een totaalbedrag van € 17.500,-, bestaande uit immateriële schade. De immateriële schade bestaat uit affectieschade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade volledig kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht het gevorderde bedrag aan affectieschade ingevolge het Besluit vergoeding affectieschade te matigen tot het gefixeerde bedrag dat voor een overtreding staat indien de rechtbank tot veroordeling voor een overtreding komt.

Het oordeel van de rechtbank.

De (niet inwonende) moeder van een door misdrijf overleden persoon komt op grond van artikel 6:108 lid 3 in verbinding met lid 4 sub a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en het Besluit vergoeding affectieschade in aanmerking voor vergoeding van affectieschade tot een bedrag van € 17.500,-. De rechtbank veroordeelt verdachte voor een misdrijf. De vordering wordt in haar geheel toegewezen.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] .

De vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot een totaalbedrag van € 20.000,-, bestaande uit immateriële schade. De immateriële schade bestaat uit affectieschade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade volledig kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht het gevorderde bedrag aan affectieschade ingevolge het Besluit vergoeding affectieschade te matigen tot het gefixeerde bedrag dat voor een overtreding staat indien de rechtbank tot veroordeling voor een overtreding komt.

Het oordeel van de rechtbank.

De (thuiswonende) minderjarige zoon van een door misdrijf overleden persoon komt op grond van artikel 6:108 lid 3 in verbinding met lid 4 sub a BW en het Besluit vergoeding affectieschade in aanmerking voor vergoeding van affectieschade tot een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank veroordeelt verdachte voor een misdrijf. De vordering wordt in haar geheel toegewezen.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] .

De vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot een totaalbedrag van € 20.000,-, bestaande uit immateriële schade. De immateriële schade bestaat uit affectieschade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade volledig kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht het gevorderde bedrag aan affectieschade ingevolge het Besluit vergoeding affectieschade te matigen tot het gefixeerde bedrag dat voor een overtreding staat indien de rechtbank tot veroordeling voor een overtreding komt.

Het oordeel van de rechtbank.

De (thuiswonende) minderjarige zoon van een door misdrijf overleden persoon komt op grond van artikel 6:108 lid 3 in verbinding met lid 4 sub a BW en het Besluit vergoeding affectieschade in aanmerking voor vergoeding van affectieschade tot een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank veroordeelt verdachte voor een misdrijf. De vordering wordt in haar geheel toegewezen.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] .

De vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot een totaalbedrag van € 48.386,-, bestaande uit € 40.000,- immateriële schade en € 8.386,00 materiële schade. De immateriële schade bestaat uit affectieschade en shockschade. De materiële schade bestaat uit kosten voor een graf (€ 1.700,-) met grafkruis (€ 700,-), kosten in verband met het laten voordragen van een lijst met namen en gebedslijsten tijdens kerkdiensten in de komende jaren (€ 120,-), kosten voor aalmoesgeving tijdens de begrafenis volgens Roemeense traditie (€ 3.286,-) en overige kosten ten behoeve van de uitvaart en bijbehorende tradities (€ 2.580,-).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade volledig kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht het gevorderde bedrag aan affectieschade ingevolge het Besluit vergoeding affectieschade te matigen tot het gefixeerde bedrag dat voor een overtreding staat indien de rechtbank tot veroordeling voor een overtreding komt.

Voorts stelt de verdediging dat de gevorderde shockschade niet voor vergoeding in aanmerking komt en dient te worden afgewezen.

Met betrekking tot de gevorderde materiële schadevergoeding stelt de verdediging dat de kosten in verband met het laten voordragen van een lijst met namen en gebedslijsten tijdens kerkdiensten in de komende jaren en kosten voor aalmoesgeving tijdens de begrafenis volgens Roemeense traditie niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze kosten geen samenhang hebben met het geven van een eindbestemming aan de overledene.

Verder stelt de verdediging dat de overige kosten ten behoeve van de uitvaart en bijbehorende tradities niet aannemelijk zijn gemaakt en dat de hoogte daarvan ook niet is bewezen. Voorts stelt de verdediging dat een aantal van de posten onder deze overige kosten geen rechtstreeks verband houden met het geven van een eindbestemming aan de overledene en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komen. Concluderend dienen deze voornoemde posten te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk wordt verklaard. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de kosten voor een graf met grafkruis.

Het oordeel van de rechtbank.

Affectieschade.

De echtgenote van een door misdrijf overleden persoon komt op grond van artikel 6:108 lid 3 in verbinding met lid 4 sub a BW en het Besluit vergoeding affectieschade in aanmerking voor vergoeding van affectieschade tot een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank veroordeelt verdachte voor een misdrijf. Deze post wordt in haar geheel toegewezen.

Shockschade.

Shockschade betreft schade die geleden kan worden door het waarnemen van een strafbaar feit of de gevolgen daarvan. Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

Bij de benadeelde partij moet een hevige emotionele schok teweeggebracht zijn door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich, zo heeft de Hoge Raad overwogen, met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Shockschade is dus een specifieke vorm van schade.

De rechtbank kan uit de overgelegde medische stukken niet zonder meer opmaken dat sprake is van zodanig geestelijk letsel als gevolg van directe confrontatie met de gevolgen van het strafbare feit, dat aanspraak kan worden gemaakt op shockschade.

De rechtbank is van oordeel dat met de onderbouwing van de shockschade onvoldoende onderscheid kan worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek van de benadeelde partij die het gevolg is van het verdriet omtrent het overlijden van het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit (affectieschade) enerzijds, en de schade die (mogelijk) het gevolg is van de confrontatie met het levenloze lichaam van het slachtoffer anderzijds, laat staan dat voldoende is gebleken dat sprake is van psychische klachten die het directe gevolg zijn van deze confrontatie.

Nader onderzoek naar de gegrondheid en de omvang van dit deel van de vordering zou een nadere behandeling vereisen en daarmee een onevenredige belasting van het strafproces vormen. De benadeelde partij zal daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en zij kan zich hiervoor met een nadere onderbouwing eventueel wenden tot de burgerlijke rechter.

Materiële schade

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde en genoegzaam onderbouwde materiële schade wat betreft de kosten voor het graf en het grafkruis van € 2.400,- in totaal.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering met betrekking tot de kosten in verband met het laten voordragen van een lijst met namen en gebedslijsten tijdens kerkdiensten in de komende jaren en de kosten voor aalmoesgeving tijdens de begrafenis volgens Roemeense traditie, nu de rechtbank van oordeel is dat niet zonder meer is gebleken dat deze kosten rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade zijn.

De rechtbank zal de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaren wat betreft de overige kosten ten behoeve van de uitvaart en bijbehorende tradities nu deze onvoldoende onderbouwd zijn en nader onderzoek naar de gegrondheid en de omvang van dit deel van de vordering een nadere behandeling zou vereisen en daarmee een onevenredige belasting van het strafproces vormen.

Schadevergoedingsmaategel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen schadevergoedingsmaatregel opgelegd moet worden, aangezien de verdachte een goedlopende onderneming is die zonder meer aan de civielrechtelijke verplichtingen zal kunnen voldoen. De verdediging acht het dan ook disproportioneel om het Openbaar Ministerie te belasten met het innen van de schadevergoeding.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie brengt naar voren dat het innen van een schadevergoeding geen belasting is voor het Openbaar Ministerie en dat zij berekend is op de uitoefening van deze wettelijke taak.

Het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de toegewezen bedragen wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen bevordert. Hetgeen de verdediging hiertegen heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding tot een ander oordeel.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan die benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

23, 36f, 51, 57, 307 Wetboek van Strafrecht,

5, 8, 32 Arbeidsomstandighedenwet,

1, 2, 6 Wet op de economische delicten,

Arbeidsomstandighedenbesluit.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

Overtreding van het bepaalde bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

t.a.v. feit 2:

Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen:

- Een geldboete ter hoogte van 75.000,00 euro

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , van een bedrag van 17.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Maatregel van schadevergoeding voor [benadeelde partij 1] :

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] , van een bedrag van 17.500,00 euro. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , van een bedrag van 20.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Maatregel van schadevergoeding voor [benadeelde partij 2] :

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] , van een bedrag van 20.000,00 euro. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 3] , van een bedrag van 20.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Maatregel van schadevergoeding voor [benadeelde partij 3] :

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 3] , van een bedrag van 20.000,00 euro. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 4] , van een bedrag van een bedrag van 22.400,00 euro. Voormeld bedrag bestaat uit 2.400,00 euro materiële schade en 20.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Maatregel van schadevergoeding voor [benadeelde partij 4] :

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van

[benadeelde partij 4] , van een bedrag van 22.400,00 euro. Voormeld bedrag bestaat uit 2.400,00 euro materiële schade en 20.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,

mr. S.H.C. Merkx en mr. G.F.A.M. de Graauw, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,

en is uitgesproken op 17 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.M. Vermeulen
  • mr. S.H.C. Merkx
  • mr. G.F.A.M. de Graauw

Griffier

  • mr. J. Beex

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?