ECLI:NL:RBOBR:2026:1090

ECLI:NL:RBOBR:2026:1090

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 18-02-2026
Zaaknummer 01-020875-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

vrijspraak voorbereiding van liquidaties en zware geweldsdelicten. Cryptotelefoons geen strafbare voorbereidingsmiddelen. Geen bewijs ‘verwerven of voorhanden hebben’ van mogelijk voor misdrijven bestemde voertuigen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

[verdachte]

De tenlastelegging.

De formele voorvragen.

Inleiding.

Het standpunt van de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging.

Het oordeel van de rechtbank.

vonnis

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.020875.25

Datum uitspraak: 19 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 2 mei 2025, 25 juli 2025, 10 oktober 2025, 3 december 2025 en 5 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 april 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 4 april 2020 tot en met 28 mei 2020 te Eindhoven en/of Budel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het meermalen (mede)plegen en/of het opzettelijk uitlokken van een of meer misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) op en/of zware mishandeling met voorbedachten rade (als bedoeld in artikel 303, eerste lid, jo artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht) van

- [persoon 1] , althans een persoon die ‘ [alias] ’ wordt genoemd en/of

- [persoon 2] , althans een persoon die ‘ [alias] ’ wordt genoemd en/of

- [persoon 3] , althans een persoon die ‘ [alias] ’ en/of ‘ [alias] ’ en/of ‘ [alias] ’ wordt genoemd

en/of

- [persoon 4] , althans een persoon die ‘ [alias] ’ wordt genoemd en/of

- [persoon 5] , althans een persoon die ‘ [alias] ’ wordt genoemd

opzettelijk een of meer voorwerpen, informatiedragers en/of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van die misdrijven heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, te weten

-een telefoon, gekoppeld aan het Encrochat account [e-mailadres 1] en/of

-een telefoon, gekoppeld aan het Encrochat account [e-mailadres 2] en/of

-een telefoon, gekoppeld aan het Encrochat account [e-mailadres 3] en/of

-een telefoon, gekoppeld aan het Encrochat account [e-mailadres 4] en/of

-een telefoon, gekoppeld aan het SkyECC account met Sky-ID [nummer] en/of

-een motorscooter, voorzien van een (valse) kentekenplaat met combinatie [kenteken 1] en/of

-een (gestolen) personenauto, voorzien van (valse) kentekenplaten met combinatie

[kenteken 2] ;

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Aan de orde is de beschuldiging dat verdachte in de periode van 4 april tot en met 28 mei 2020 samen met anderen – kort gezegd – meerdere liquidaties dan wel zware geweldsdelicten heeft voorbereid.

Het aan dit verwijt ten grondslag liggende onderzoek Empereur is op 24 april 2020 na ontvangst van twee processen-verbaal van het TCI met informatie afkomstig uit Encrochat-communicatie gestart.

Uit deze communicatie rees het vermoeden dat de gebruikers van de Encrochat-accounts ‘ [accountnaam 1] ’ en ‘ [accountnaam 2] ’ plannen maakten om één of meerdere personen van het leven te beroven. De gebruikers van de Encrochat-accounts ‘ [accountnaam 1] ’ en ‘ [accountnaam 2] ’ werden geïdentificeerd als verdachte respectievelijk [medeverdachte 1] .

Door de politie is op 22 april 2020 een waarschuwingsgesprek met een beoogd doelwit gevoerd en op 24 april 2020 is de advocaat van een ander beoogd doelwit in kennis gesteld van deze voornemens. Daarnaast zijn door de politie op 27 april 2020 stopgesprekken met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] gevoerd.

Uit nadere analyse van Encrochat-communicatie bleek dat de gebruikers van de Encrochat-accounts ‘ [accountnaam 1] ’, ‘ [accountnaam 2] ’, ‘ [alias] ’ en ‘ [alias] ’ onderling en met derden over het (laten) liquideren en/of het zwaar mishandelen van meerdere doelwitten spraken, ook

na voornoemde stopgesprekken van 27 april 2020. Hierbij werd ook gesproken over de prijzen die eventuele uitvoerders voor een dergelijke klus vroegen, variërend van ‘20k’

tot ‘35k’ (20.000 tot 35.000 euro).

Uit dit onderzoek bleek verder dat de gebruikers van de Encrochat-accounts ‘ [accountnaam 2] ’, ‘ [alias] ’ en ‘ [alias] ’ afwisselend als de tweelingbroers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geïdentificeerd konden worden. Zij maakten in diezelfde periode ook gebruik van

SkyECC-account ‘ [nummer] ’ en de inhoud van die communicatie kende eveneens

een voorgenomen levensbedreigende inhoud jegens personen.

Op 8 mei 2020 te 20:53 uur stuurde de gebruiker van Encrochat-account ‘ [alias] ’ (op dat moment [medeverdachte 1] ) een bericht aan de gebruiker van Encrochat-account account ‘ [accountnaam 1] ’ (verdachte) inhoudende: “Broer en ik. Motorscooter en gekloonde auto. Dus nu nog hitter klaar is kees.” Verdachte heeft niet op dit bericht gereageerd.

Nagenoeg op hetzelfde moment stuurde de gebruiker van SkyECC-account ‘ [nummer] ’ (op dat moment eveneens [medeverdachte 1] ) een bericht in een groepschat met de inhoud: “Had je nog iets gehoord vanje pirate. Heb nu motorscooter en auto en ijzer voor ze hoeveel kosste her Dan.” Verdachte nam geen deel aan deze groepschat.

Op 28 mei 2020 werd in de schuur behorend bij de woning van [medeverdachte 2] een motorscooter voorzien van een gestolen kentekenplaat aangetroffen. Op 8 augustus 2020 werd in een door [medeverdachte 1] gehuurde garagebox een gestolen Renault Clio met valse kentekenplaten aangetroffen.

De verdediging heeft ter terechtzitting van 5 februari 2026 de hiervoor weergegeven

identificaties van de diverse accounts en de in het dossier weergegeven inhoud van de cryptocommunicatie niet betwist.

De officier van justitie heef op gronden als verwoord in zijn schriftelijke requisitoir tot

een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerekwireerd, met in elk geval

[persoon 2] en [persoon 3] als concreet beoogde slachtoffers. Volgens de officier van justitie kunnen de cryptotelefoons, auto en motorscooter als voorbereidingsmiddelen als bedoeld in artikel 46 Sr. worden aangemerkt. De officier van justitie heeft er op gewezen dat de telefoons wezenlijke informatie voor de uitvoering van de voorgenomen misdrijven bevatten en dat met deze telefoons uitvoering is gegeven aan de uitlokking van derden om de beoogde misdrijven te plegen. De auto en motorscooter stelden de uitvoerders eveneens in staat om die misdrijven te plegen, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 9 jaren met aftrek van voorarrest

geëist. (bijlage)

De raadsman heeft op gronden als verwoord in zijn pleitnota vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit. De bepleite vrijspraak is onder meer gegrond op het standpunt dat

de ten laste gelegde voorwerpen niet, afzonderlijk noch gezamenlijk, kunnen worden aangemerkt als voorbereidingsmiddelen in de zin van artikel 46 Sr.

De rechtbank acht de ten laste gelegde strafbare voorbereiding niet bewezen en zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Hoewel de raadsman meerdere tot vrijspraak strekkende argumenten heeft aangevoerd, beperkt de rechtbank zich in haar vrijspraakoverweging tot een bespreking van de ten laste gelegde

voorbereidingsmiddelen.

Het toetsingskader

Voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 Sr. is – toegespitst op deze zaak – vereist dat verdachte (al dan niet samen met zijn medeverdachten) een misdrijf heeft voorbereid waarop een gevangenisstraf van acht jaren of meer staat, doordat hij informatiedragers en/of vervoermiddelen (hierna:

voorbereidingsmiddelen) die bestemd waren om dat misdrijf te begaan heeft verworven of voorhanden heeft gehad.

Uit de rechtspraak van dit wetsartikel blijkt verder dat moet worden beoordeeld of de voorbereidingsmiddelen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig (hadden) kunnen zijn voor het misdadige

doel dat de verdachte met het gebruik van die middelen voor ogen had.

Uit deze rechtspraak volgt een drietal maatgevende criteria om te bepalen of een voorwerp

is bestemd tot het begaan van de beoogde misdrijven, te weten:

- de uiterlijke verschijningsvorm van de voorbereidingsmiddelen;

- het gebruik daarvan; en

-het ‘misdadige doel’ dat de verdachte met het gebruik voor ogen had.

Voor het voorhanden hebben van een voorwerp als bedoeld in artikel 46 Sr. is vereist dat

verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot precieze eigenschappen en kenmerken van het voorwerp of de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van een dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in geval dat het niet anders kan dan dat verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Daarnaast vergt het voorhanden hebben van het voorwerp dat verdachte feitelijk macht over het voorwerp kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het voorwerp zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van verdachte te bevinden. In het geval van het medeplegen van voorhanden hebben van een voorwerp moet vast komen te staan dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door verdachte met (een) ander(en) die was gericht op het voorhanden hebben van het voorwerp. Ook dan is vereist dat verdachte bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot specifieke eigenschappen en kenmerken van het voorwerp of de exacte locatie ervan. Daarnaast moet vaststaan dat verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de hiervoor weergeven zin. Anders gezegd: er moet sprake zijn van een (gezamenlijke) beschikkingsmacht.

De onderhavige zaak

De rechtbank stelt vast dat verdachte en de gebroeders [achternaam] onderling en met derden

via Encrochat ondubbelzinnig over voorgenomen liquidaties en zware geweldsdelicten hebben gecommuniceerd, zowel voor als na het stopgesprek. De rechtbank destilleert uit de inhoud van deze communicatie dat verdachte en de gebroeders [achternaam] derden hebben benaderd met de vraag naar uitvoerders voor de door hen voorgenomen misdrijven. Hierbij werden prijzen besproken, afspraken voor ontmoetingen gemaakt en, zo wordt door onderzoeksbevindingen bevestigd, vonden ontmoetingen plaats. Ook werd in deze communicatie informatie over de voertuigen (merken, kentekens) van enkele beoogde doelwitten gedeeld en in een enkel geval het huidige uiterlijk (nu kaal met een baard) besproken.

Verdachte heeft bij eerdere gelegenheden en ter zitting van 5 februari 2026 verklaard dat

zijn chatberichten onder invloed van, vrij vertaald door de rechtbank, een negatieve cocktail van gevoelens van woede en wraak, een labiele mentale gesteldheid, alcohol- en softdrugsmisbruik, stoerdoenerij, grootspraak en een losgeslagen fantasie tot stand zijn gekomen. Hieraan lag een drietal brandstichtingen ten grondslag waarvoor verdachte enkele

in de tenlastelegging genoemde personen verantwoordelijk hield. Verdachte heeft ter zitting benadrukt dat het bij woorden is gebleven en dat er geen enkele verdere uitvoering aan is gegeven.

De rechtbank acht deze uitleg van verdachte over alle emoties die tot de, volgens verdachte niet serieus te nemen, inhoud van de chats zouden hebben geleid ongeloofwaardig in het licht van de veelheid van uitgewisselde berichten met steeds eenzelfde beoogde gewelddadige strekking die gedurende langere tijd, op verschillende momenten, met verschillende contacten zijn uitgewisseld. Daarvoor is de inhoud van een aantal chats op momenten te concreet, rationeel en berekenend en -gelet op de daadwerkelijke afspraken en ontmoetingen- te doelgericht van

aard en strekking. Ook na de stopgesprekken is verdachte met zijn medeverdachten doorgegaan met deze berichten. De rechtbank acht de inhoud van de Encrochatberichten wel degelijk serieus bedoeld en gericht op het uitbesteden van de uitvoering van mede door verdachte beoogde levens- en/of zware geweldsdelicten gericht tot meerdere personen.

Zoals hiervoor besproken, levert het voorgaande echter nog geen strafbare voorbereiding op. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verdachte (al dan niet samen met zijn medeverdachten) een of meer van de in de tenlastelegging genoemde voorbereidingsmiddelen heeft verworven dan wel voorhanden heeft gehad en, zo ja, of deze bestemd waren voor de uitvoering van de beoogde misdrijven..

In de tenlastelegging worden de aan verdachte en medeverdachten (gebroeders [achternaam] ) toegeschreven en gebruikte cryptotelefoons en de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen voertuigen (auto en motorscooter) als voorbereidingsmiddelen opgevoerd.

De cryptotelefoons

Uit bestendige jurisprudentie volgt dat het bestanddeel ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ streng moet worden uitgelegd. Bewezen moet worden dat de middelen daadwerkelijk bedoeld waren om het specifieke misdrijf uit te voeren. Zo is de enkele vaststelling dat een telefoon is gebruikt bij de voorbereiding voor een misdrijf onvoldoende voor een strafbaar

voorbereidingsmiddel. Vastgesteld dient te worden dat die telefoon zou worden gebruikt ten tijde en ten dienste van het beoogde misdrijf. Strafwaardige voorbereiding kan niet worden gezocht in het feit dat met een telefoon over een beoogd misdrijf is gecommuniceerd.

Weliswaar zou kunnen worden geredeneerd dat de onderhavige telefoons bij de uitvoering van de beoogde misdrijven hun diensten zouden kunnen bewijzen, echter dat is niet voldoende om deze telefoons als strafbare voorbereidingsmiddelen te zien. Zolang het gebruik van deze cryptotoestellen beperkt is tot de voorbereidingsfase kunnen deze niet worden aangemerkt

als strafbaar voorbereidingsmiddel. De rechtbank kan op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 5 februari 2026 niet vaststellen dat (een van) de in de tenlastelegging genoemde telefoons daadwerkelijk een rol zou(den) hebben gehad bij de uitvoering van de beoogde misdrijven. Het feit dat de telefoons zijn gebruikt om plannen te maken omtrent de uitvoering van liquidatie is daartoe niet voldoende. Er is geen bewijs voorhanden waaruit blijkt dat de telefoons ook bij de daadwerkelijke uitvoering van de beoogde liquidaties zouden worden gebruikt.

Kort en goed betekent dit dat de telefoons niet als strafbare voorbereidingsmiddelen in de zin van artikel 46 Sr. kunnen worden aangemerkt. De hiervoor onder het kopje ‘het standpunt van de officier’ weergegeven argumentatie voor een andersluidende visie brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

De voertuigen

Voor zover de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen motorscooter en personenauto, beide voorzien van valse kentekenplaten, specifiek tot het plegen van de in deze zaak beoogde misdrijven bestemd waren, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte deze voertuigen mede verworven dan wel voorhanden heeft gehad omdat niet vastgesteld kan worden dat hij hierover feitelijk macht kon uitoefenen.

Encrochatgebruiker ‘ [alias] ’ (op dat moment [medeverdachte 1] ) heeft weliswaar op 8 mei 2020

aan verdachte het bericht: “Broer en ik. Motorscooter en gekloonde auto. Dus nu nog hitter klaar is kees” gestuurd, echter uit de stukken blijkt niet dat eerder met verdachte was gecommuniceerd over het regelen van voertuigen en ook niet dat hij op het bericht heeft gereageerd. Bij deze stand van zaken kan niet alleen niet worden aangenomen dat verdachte wist dat een motorscooter en gekloonde auto beschikbaar waren voor een of meerdere liquidaties, maar ook niet dat hij enige beschikkingsmacht over deze voertuigen heeft gehad.

Overigens kan uit het dossier evenmin worden vastgesteld dat dit bericht betrekking zou hebben op een van de in de tenlastelegging genoemde beoogde doelwitten.

eindconclusie

Nu de telefoons niet als strafbare voorbereidingsmiddelen in de zin van artikel 46 Sr. kunnen worden aangemerkt en de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte de twee

voertuigen (personenauto en motorscooter) verworven dan wel voorhanden heeft gehad, dient verdachte van het tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken omdat in zoverre geen sprake is van strafbare voorbereiding.

Voorlopige hechtenis

Gelet op de beraadslaging van de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 februari 2026, heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van

verdachte reeds bij afzonderlijke beslissing opgeheven, en wel met ingang van 6 februari

2026 te 12:00 uur.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 3] .

Nu verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij zal worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als na te melden.

DE UITSPRAAK

De rechtbank

-Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

-Bepaalt dat de benadeelde partij [persoon 3] niet-ontvankelijk is in de vordering tot

schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte

ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.M. L . A .T. Doll, voorzitter,

mr. C.W.H. Houg en mr. E. L . Traag, leden,

in tegenwoordigheid van D. A . Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 19 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.M. L . A .T. Doll
  • mr. C.W.H. Houg
  • mr. E. L . Traag

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?