ECLI:NL:RBOBR:2026:1139

ECLI:NL:RBOBR:2026:1139

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer 01/400951/24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor overtreding van artikel 6 WVW terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b van de WVW. Verdachte is als bestuurder van een personenauto waarin twee passagiers zaten tegen een Peugeot gebotst waarin twee personen zaten. Twee slachtoffers hebben als gevolg van de botsing zwaar lichamelijk letsel bekomen, terwijl een derde slachtoffer zodanig letsel heeft opgelopen dat hij zijn werk en normale bezigheden langdurig niet heeft kunnen verrichten. Door met een hoge snelheid (hoger dan ter plaatse toegestaan) een kruising op te rijden en daarbij door rood te rijden en dus geen voorrang te verlenen voor een hem tegemoet komende en naar links afslaande personenauto, heeft verdachte roekeloos rijgedrag vertoond. Verdachte en één van zijn passagiers zijn weggelopen en samen met iemand anders weggereden van de plaats van het ongeval. In ieder geval is niet gebleken dat verdachte (direct) hulp heeft geboden aan de slachtoffers van de Peugeot. Pas drie maanden na het ongeval heeft verdachte zelf bij de politie erkend dat hij de bestuurder was. De omstandigheid dat verdachte meermalen niet ter terechtzitting is verschenen getuigt niet van het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen of inzicht bij verdachte in de laakbaarheid van zijn handelen na het ongeval. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren. De rechtbank ziet aanwijzingen dat verdachte tijdens het ongeval onder invloed was van alcohol of andere middelen, hetgeen ook een verklaring voor de snelle aftocht van verdachte van de plaats ongeval kan zijn geweest. Uit de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie leidt de rechtbank af dat er bij verdachte van een delict patroon sprake is.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.400951.24

Datum uitspraak: 24 februari 2026.

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1990 ] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 december 2025, 5 januari 2026 en 10 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 november 2025.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 december 2025 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 23 juli 2024 te 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Hambakenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - slingerend te rijden en/of - gedeeltelijk op de rijstrook voor het verkeer wat rechtsaf wil slaan te rijden en/of - niet te stoppen voor een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd verkeerslicht dat 4.3

seconde rood licht uitstraalde en/of - voornoemde kruising met verhoogde snelheid (tussen de 85 km/u en 93 km/u, terwijl een

snelheid van 50 km/u is toegestaan), althans met onverminderde snelheid, op te rijden

en/of over te steken en/of - zich er (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate, van te vergewissen dat

voornoemde kruising vrij was van verkeer en/of - (daarbij) geen voorrang te verlenen aan een tegemoetkomende en links afslaande

personenauto, terwijl het verkeerlicht voor de bestuurder van voornoemde personenauto op dat moment groen licht uitstraalde en/of - (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of niet,

althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor voornoemde personenauto en/of - (vervolgens) in botsing te komen met voornoemde personenauto,

waardoor een of meer ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten: - [slachtoffer 1] : een of meerdere interne bloedingen en/of een of meerdere

gebroken ruggenwervels en/of een of meerdere gebroken ribben en/of - [slachtoffer 2] : een gebroken bovenbeen en/of een hersenschudding en/of een

forse enkel wond en/of een forse hoofdwond en/of een whiplash en/of een gekneusde pols

en/of - [slachtoffer 3] : een bloeding in het hoofd en/of een hersenkneuzing en/of een gekneusde

enkel en/of een of meerdere kneuzingen,

of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

2. hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in ’s-Hertogenbosch op de Hambakenweg, op of omstreeks 23 juli 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een of meer ander(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) letsel en/of schade was toegebracht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Beoordeling van het bewijs.

Inleiding.

Op 23 juli 2024 vond een verkeersongeval plaats op het kruisingsvlak van de Hambakenweg met de toe- en afrit van de A59 te ’s-Hertogenbosch tussen twee personenauto’s, te weten een Mercedes en een Peugeot. De bestuurder en de inzittende van de Peugeot en een passagier van de Mercedes hebben als gevolg van het ongeval letsel opgelopen.

Verdachte wordt verweten als bestuurder van de Mercedes het ongeval te hebben veroorzaakt en daarna de plaats van het ongeval te hebben verlaten.

De rechtbank moet de vragen beantwoorden of verdachte in strafrechtelijke zin schuld heeft aan het verkeersongeval en de gevolgen daarvan, en zo ja, in welke mate en daarnaast of hij de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bij dat ongeval aan (een) ander(en) letsel en/of schade was toegebracht.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van feit 1, in de zin dat verdachte schuldig is aan het veroorzaken van een verkeersongeval als gevolg van roekeloos rijgedrag

waardoor drie personen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en van feit 2, het verlaten van de plaats van het ongeval zonder zijn identiteit kenbaar te maken terwijl hij wist dat bij dat ongeval aan anderen letsel en schade was toegebracht.

Het oordeel van de rechtbank.

Feit 1.

Vaststelling van de feiten.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 23 juli 2024 uur als bestuurder van een personenauto, Mercedes Benz, reed op de Hambakenweg te ’s-Hertogenbosch. Ter plaatse gold een toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Het ongeval vond plaats op het kruisingsvlak van de Hambakenweg met de toe- en afrit van de A59. Voordat verdachte deze kruising naderde, heeft hij slingerend gereden en deels gereden over de naastgelegen rijstrook bestemd voor naar rechts afslaand verkeer.

Het verkeer op genoemde kruising werd geregeld door middel van een op dat moment in werking zijnde driekleurige verkeersregelinstallatie (hierna: verkeerslicht).

Het voor verdachte bestemde verkeerslicht straalde op het moment dat verdachte de kruising opreed rood licht uit. Verdachte negeerde het rode verkeerslicht en reed het kruisingsvlak op. Hij reed daarbij met een gemiddelde snelheid van 85 - 94 km/u.

Op dat moment naderde uit tegenovergestelde richting de Peugeot. De bestuurder van de Peugeot sloeg linksaf met de bedoeling de toerit van de A59 op te rijden. Hierbij ontstond een aanrijding tussen beide voertuigen.

Beelden van de botspositie zijn vastgelegd door een verkeerscamera ter plaatse. Op de beelden is (volgens de beschrijving daarvan in het dossier) te zien dat de links afslaande Peugeot met de rechter voorzijde in aanrijding komt met de linker voorzijde van de Mercedes welke uit tegemoetkomende richting kwam.Uit het proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse volgt dat de Mercedes de stopstreep passeerde, terwijl het lampsignaal voor die richting ongecorrigeerd minimaal 4,3 seconden rood was en dat dat de Peugeot de stopstreep passeerde, terwijl het lampsignaal voor die richting ongecorrigeerd minimaal 1,1 seconden groen was.

Het uitzicht ter plaatse werd voor beide bestuurders ten opzichte van het wegverloop en ten opzichte van elkaar niet door vaste obstakels belemmerd.Er zijn geen omstandigheden vastgesteld die eventueel de oorzaak van, of van invloed konden zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.

Ten gevolge van het ongeval hebben de bestuurder van de Peugeot ( [slachtoffer 2] ) en een passagier van de Mercedes ( [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel opgelopen en heeft de passagier van de Peugeot ( [slachtoffer 3] ) zodanig lichamelijk letsel opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Bewijsoverwegingen.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval met letsel tot gevolg, zoals omschreven in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

Schuld in de zin van dit wetsartikel houdt in dat er sprake is van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of er sprake is van dergelijke schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer er sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.

Roekeloos.

Per 1 januari 2020 is de “Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten” in werking getreden (Stb. 2019, 413). Daarbij heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen uitbreiden. Daartoe is thans in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.

Voor een bewezenverklaring van artikel 5a, eerste lid, WVW, moet worden beoordeeld

( a) of verdachte met het uit de bewijsmiddelen blijkende rijgedrag de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

a. de verkeersregels

In artikel 5a WVW zijn gedragingen benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid, het niet verlenen van voorrang en het door rood licht rijden worden uitdrukkelijk in het eerste lid van het artikel genoemd. Uit het onderzoek van de politie blijkt dat verdachte de maximumsnelheid van 50 km/u fors heeft overschreden, een rood verkeerslicht heeft genegeerd en geen voorrang heeft verleend.

b. in ernstige mate

Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels. De aard en ernst van de overtreding moeten in het licht van de overige feiten en omstandigheden in het concrete geval de conclusie rechtvaardigen dat sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

Uit camerabeelden blijkt dat verdachte, naast de hiervoor genoemde gedragingen, ook slingerend en gedeeltelijk over de rijstrook bestemd voor naar rechts afslaand verkeer heeft gereden. De rechtbank is van oordeel is dat verdachte door het samenstel van gedragingen de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden.

c. opzet

Het opzet van verdachte moet zowel zijn gericht op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn.

De rechtbank is van oordeel dat het in zeer ernstige mate overschrijden van de snelheid, het negeren van een rood verkeerslicht en het niet verlenen van voorrang niet anders dan opzettelijk kan zijn gedaan. Immers, verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij ter plaatse bekend was en wist dat de maximum toegestane snelheid daar 50 km/u betrof. Voordat verdachte de kruising naderde, heeft hij slingerend gereden en deels gereden over de rijstrook bestemd voor naar recht afslaand verkeer.

Een inzittende van de Mercedes ( [slachtoffer 1] ) heeft verklaard dat zij voelde dat de auto harder ging rijden en hoorde dat verdachte zei: “houd je vast we gaan zo een ongeluk krijgen”. Ze pakte toen de stoel van de bestuurder (verdachte) vast en toen gebeurde het ongeval.

De bestuurder van de Peugeot heeft verklaard dat hij de Mercedes op hoge snelheid zag rijden en het in elk geval voor hemzelf te laat was om te remmen.

Alles overziend oordeelt de rechtbank dat verdachte opzet heeft gehad op het schenden van de verkeersregels.

d. gevaar

De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval voor verdachte voorzienbaar was dat vanwege dit ernstig verkeersgevaarlijk gedrag zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar was te duchten voor andere weggebruikers, maar ook voor de inzittenden van de auto van verdachte. Twee slachtoffers hebben ook daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het door verdachte gecreëerde gevaar is daarmee verwezenlijkt.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere weggebruikers te duchten was.

Conclusie.

Het voorgaande leidt ertoe dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank de zwaarste vorm van schuld heeft aan het ongeval, namelijk roekeloosheid.

Feit 2.

Vaststelling van de feiten.

Verdachte reed in de auto van [betrokkene ] . Uit het dossier blijkt dat zij haar naam heeft achtergelaten bij de verbalisanten ter plaatse van het ongeval. Verdachte heeft, zoals hij zelf heeft verklaard bij de politie, na het ongeval de plaats van het ongeval verlaten door met de ter plaatse aanwezige buren van (familie van) [betrokkene ] mee te rijden, weg van de plaats ongeval. Verdachte heeft op de plaats van het ongeval niet op een behoorlijke manier de gelegenheid geboden zijn identiteit vast te stellen, hoewel door een verbalisant is gemaand om op de plek van het ongeval te blijven. Verdachte heeft zich ook niet binnen twaalf uur na het ongeval alsnog vrijwillig gemeld. Op 25 juli 2024 werd door een derde, en op 26 juli 2024 werd door [betrokkene ] de naam van verdachte aan de politie genoemd als zijnde de bestuurder van de Mercedes.

Conclusie.

De rechtbank acht het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van dit vonnis heeft de rechtbank de bewijsmiddelen opgenomen in een aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1. op 23 juli 2024 te 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Hambakenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos: - slingerend te rijden en - gedeeltelijk op de rijstrook voor het verkeer wat rechtsaf wil slaan te rijden en - niet te stoppen voor een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd verkeerslicht dat 4.3

seconde rood licht uitstraalde en - voornoemde kruising met verhoogde snelheid (tussen de 85 km/u en 93 km/u, terwijl een

snelheid van 50 km/u is toegestaan) op te rijden en - zich er daarbij niet van te vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van verkeer en - daarbij geen voorrang te verlenen aan een tegemoetkomende en links afslaande

personenauto, terwijl het verkeerlicht voor de bestuurder van voornoemde personenauto op dat moment groen licht uitstraalde en - vervolgens niet, althans niet tijdig en/of onvoldoende, af te remmen en niet, althans niet

tijdig en/of onvoldoende tijdig, en voldoende uit te wijken voor voornoemde

personenauto en - vervolgens in botsing te komen met voornoemde personenauto,

waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht

te weten: - [slachtoffer 1] : meerdere interne bloedingen en één of meer gebroken ruggenwervel(s)

en meerdere gebroken ribben en - [slachtoffer 2] : een gebroken bovenbeen en een hersenschudding en een forse enkelwond

en een forse hoofdwond en een whiplash en een gekneusde pols,

en waardoor [slachtoffer 3] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten:

een bloeding in het hoofd en een hersenkneuzing en een gekneusde enkel en meerdere kneuzingen;

2. als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in ’s-Hertogenbosch op de Hambakenweg op 23 juli 2024 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan anderen (te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) letsel en schade was toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en bijkomende straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd:

een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden;

een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten.

Verdachte is op 23 juli 2024 als bestuurder van een personenauto waarin twee passagiers zaten tegen een personenauto gebotst waarin twee personen zaten. Twee slachtoffers hebben als gevolg van de botsing zwaar lichamelijk letsel bekomen, terwijl een derde slachtoffer zodanig letsel heeft opgelopen dat hij zijn werk en normale bezigheden langdurig niet heeft kunnen verrichten.

Door met een hoge snelheid (hoger dan ter plaatse toegestaan) een kruising op te rijden en daarbij door rood te rijden en dus geen voorrang te verlenen voor een hem tegemoet komende en naar links afslaande personenauto, heeft verdachte roekeloos rijgedrag vertoond.

Niet is gebleken dat verdachte op enigerlei wijze heeft getracht de schade bij de botsing te beperken, bijvoorbeeld door te remmen of de Peugeot te ontwijken. Kijkend naar de camerabeelden en gelet op de verklaring van getuige [slachtoffer 1] moet verdachte geweten hebben dat hij in botsing zou komen met de tegemoetkomende en naar links afslaande Peugeot.

Door zijn rijgedrag heeft verdachte zeer ingrijpend, en in één geval zelfs onherstelbaar, letsel en daarmee leed toegebracht aan de slachtoffers.

Namens slachtoffer [slachtoffer 1] is ter zitting van 8 december 2025 van het spreekrecht gebruik gemaakt. Uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat zij sinds het ongeval leeft met

zeer ingrijpende en blijvende lichamelijke, emotionele en sociale gevolgen. Door dit ongeluk is zij haar gezondheid, haar carrière, haar toekomst en zelfs haar kinderen (die nu bij pleegouders wonen omdat zij fysiek niet meer voor hen kan zorgen) kwijtgeraakt.

Verdachte heeft zich geheel geen rekenschap gegeven van de verantwoordelijkheid die een bestuurder van een motorvoertuig heeft ten opzichte van andere verkeersdeelnemers.

De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank neemt verdachte ook zijn houding kort na het ongeval zeer kwalijk.

Verdachte en één van zijn passagiers zijn weggelopen en samen met iemand anders weggereden van de plaats van het ongeval. In ieder geval is niet gebleken dat verdachte (direct) hulp heeft geboden aan de slachtoffers van de Peugeot.

Verder heeft verdachte niet direct na het ongeval en ook niet binnen twaalf uren daarna zijn identiteit kenbaar gemaakt. Pas op 24 oktober 2024 heeft verdachte bij de politie zelf erkend dat hij de bestuurder was. Het voorgaande duidt op een berekenende houding van verdachte na het ongeval. Een houding waaruit kan worden afgeleid dat verdachte zich kennelijk direct na het ongeval wel bewust is geweest van de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor zichzelf.

Ook de omstandigheid dat verdachte meermalen niet ter terechtzitting is verschenen (hoewel behoorlijk opgeroepen) getuigt niet van het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen of inzicht bij verdachte in de laakbaarheid van zijn handelen na het ongeval.

Vanwege de omstandigheid dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten kon niet worden vastgesteld of verdachte tijdens het veroorzaken van het ongeval al dan niet onder invloed was van alcohol of andere (verdovende) middelen. In de vaststellingen van het rijgedrag van verdachte en de verklaringen van getuige [slachtoffer 1] zoals die blijken uit de inhoud van het dossier ziet de rechtbank echter aanwijzingen dat verdachte tijdens het ongeval onder invloed was van alcohol of andere middelen, hetgeen ook een verklaring voor de snelle aftocht van verdachte van de plaats ongeval kan zijn geweest.

Persoon van verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2026, waaruit blijkt dat aan verdachte in 2024 nog een strafbeschikking is opgelegd wegens rijden onder invloed, begaan op 15 mei 2024

en hem ook in 2017 en 2015 strafbeschikkingen zijn opgelegd voor het rijden onder invloed respectievelijk het verlaten van de plaats van een ongeval.

De rechtbank leidt hieruit af dat er van een delictpatroon sprake is.

Op te leggen straf en bijkomende straf.

De binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bevatten voor roekeloosheid geen afzonderlijk oriëntatiepunt.

Roekeloosheid is de zwaarste schuldvorm (HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405). Het ligt daarom in de rede om in zaken waarin de schuld bestaat in roekeloosheid hogere straffen tot uitgangspunt te nemen dan die in de oriëntatiepunten zijn vermeld voor ‘zeer hoge mate van schuld’. Bepalend voor de hoogte van de straf zijn het verkeersgedrag van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten die gelden voor een zeer hoge mate van schuld, die dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Daarbij gelden als oriëntatiepunten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en één jaar rijontzegging in geval van zwaar lichamelijk letsel/tijdelijke zieke en een gevangenisstraf van 4 maanden en een rijontzegging van twee jaar bij zwaar lichamelijk letsel.

In artikel 175 lid 2 WVW is bepaald dat indien de schuld bestaat in roekeloosheid een overtreding van artikel 6 WVW wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. Hiermee wordt de ernst van deze zaak nogmaals duidelijk gemaakt.

De rechtbank heeft daarnaast gekeken naar wat in min of meer vergelijkbare zaken als straf wordt opgelegd.

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend.

De op te leggen gevangenisstraf is lager dan door de officier van justitie is geëist omdat de rechtbank (anders dan de officier van justitie) ten aanzien van één slachtoffer het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen acht.

De rechtbank is van oordeel dat de gevangenisstraf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

De rechtbank zal als bijkomende straf een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen van langere duur dan door de officier van justitie is gevorderd omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde bijkomende straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt en de officier van justitie bij de eis met name onvoldoende oog heeft gehad voor de eerdere veroordelingen van verdachte voor verkeersdelicten waaruit blijkt van onverantwoord en onverbeterlijk verkeersgedrag en het door verdachte ontlopen van zijn verantwoordelijkheden jegens medeweggebruikers en de slachtoffers in deze zaak.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 6, 7, 57, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1 en feit 2 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde onder feit 1 en feit 2 oplevert:

feit 1:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

feit 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en bijkomende straf:

t.a.v. feit 1, feit 2:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. E.L. Traag, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 24 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.M.J. Raeijmaekers
  • mr. H.M. Hettinga
  • mr. E.L. Traag

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?