ECLI:NL:RBOBR:2026:1141

ECLI:NL:RBOBR:2026:1141

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer 01.298309.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vrijspraak voor poging tot doodslag en zware mishandeling. Veroordeling voor poging tot zware mishandeling door het slachtoffer meermaals tegen het hoofd/in het gezicht te slaan en meerdere keren tegen het lichaam te trappen. De vordering benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen. Veroordeling voor het opzettelijk aanwezig hebben van 66,54 gram amfetamine en twee diefstallen van elektrische fietsen. De benadeelde partij wordt geheel niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01.298309.25 en 01.323264.24 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 25 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1987] ,

thans gedetineerd te: [verblijfplaats]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 februari 2026.

Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 13 januari 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van 01.298309.25:

hij op of omstreeks 6 november 2025 te Helmond, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven,

- meermaals, althans eenmaal, (met kracht) met gebalde vuist in het gezicht, althans tegen het hoofd, van die [slachtoffer 1] heeft geslagen,

- meermaals, althans eenmaal,(met kracht) tegen het hoofd en/of de kont, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft getrapt, terwijl hij reeds (bewusteloos) op de grond lag,

- het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen de grond heeft geduwd,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 november 2025 te Helmond, althans in Nederland,

aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door

- meermaals, althans eenmaal, (met kracht) met gebalde vuist in het gezicht, althans tegen het hoofd, van die [slachtoffer 1] te slaan,

- meermaals, althans eenmaal,(met kracht) tegen het hoofd en/of de kont, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] te trappen, terwijl hij reeds (bewusteloos) op de grond lag,

- het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen de grond te duwen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 november 2025 te Helmond, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- meermaals, althans eenmaal, (met kracht) met gebalde vuist in het gezicht, althans tegen het hoofd, van die [slachtoffer 1] heeft geslagen,

- meermaals, althans eenmaal,(met kracht) tegen het hoofd en/of de kont, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft getrapt, terwijl hij reeds (bewusteloos) op de grond lag,

- het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen de grond heeft geduwd,

Ten aanzien van 01.323264.24, feit 1:

hij op of omstreeks 30 december 2023 te Helmond

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 66.54 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende amfetamine, zijnde amfetamine

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Ten aanzien van 01.323264.24, feit 2:

hij op of omstreeks 29 december 2023 te Helmond,

een (elektrische) fiets (van het merk Trek), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Ten aanzien van 01.323264.24, feit 3:

hij op of omstreeks 20 mei 2024 te Helmond,

een (elektrische) fiets (van het merk Sparta) in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Onder parketnummer 01.298309.25 wordt verdachte verweten dat hij [slachtoffer 1] meerdere keren tegen zijn hoofd heeft geslagen en tegen het hoofd dan wel tegen het lichaam heeft geschopt. Verdachte zou zich hiermee schuldig hebben gemaakt aan poging tot doodslag, althans zware mishandeling, althans poging tot zware mishandeling.

Onder parketnummer 01.323264.24 zijn twee fietsendiefstallen en het opzettelijk aanwezig hebben van 66,54 gram amfetamine ten laste gelegd.

Het standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van 01.298309.25.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Volgens de officier kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte [slachtoffer 1] niet alleen meerdere keren tegen het hoofd heeft geslagen, maar ook driemaal tegen het hoofd heeft getrapt. Hiermee heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] daardoor zou komen te overlijden.

Ten aanzien van 01.323264.23.

De officier van justitie acht de feiten die onder dit parketnummer ten laste zijn gelegd wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van 01.298309.25.

De raadsman van verdachte heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, omdat verdachte het slachtoffer niet tegen het hoofd heeft getrapt. Door het slaan heeft verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer aanvaard. De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken voor de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, omdat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Voor wat betreft de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van 01.323264.23.

De raadsman is, gezien de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen, van mening dat de onder dit parketnummer ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van 01.298309.25.

De bewijsmiddelen.

Voor van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis en moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

De bewijsoverwegingen.

Vrijspraak poging tot doodslag.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte [slachtoffer 1] meerdere keren met kracht tegen het hoofd heeft geslagen. Verdachte heeft dit ook bekend. Volgens hem had [slachtoffer 1] zich eerder vervelend gedragen tegenover zijn verloofde en wilde hij hem ‘een lesje leren’. Verdachte heeft echter ontkend dat hij [slachtoffer 1] in het gezicht heeft getrapt. Hij heeft gesteld dat hij enkel eenmaal tegen het achterwerk of de benen van [slachtoffer 1] heeft getrapt. Ook heeft verdachte ontkent dat het slachtoffer tijdens het slaan en schoppen buiten bewustzijn was. De rechtbank heeft daarom gekeken naar de verdere inhoud van het procesdossier. Het dossier bevat onder meer een verklaring van getuige [getuige] van vlak na het incident. Getuige [getuige] heeft op dat moment tegen de politie verklaard dat de man, die later verdachte bleek te zijn, een paar keer hard tegen het hoofd van het slachtoffer trapte. [getuige] heeft enkele dagen later op het politiebureau daarentegen verklaard dat hij de trappen niet heel goed had gezien en dat hij niet meer precies wist hoe er getrapt was. De andere getuigen hebben ook wel verklaard dat er getrapt is, maar niet dat dit tegen het hoofd van het slachtoffer was. Uit de beschrijving van de camerabeelden is evenmin op te maken waar de trap van verdachte het slachtoffer raakte. De rechtbank acht daarom in ieder geval niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] tegen het hoofd heeft getrapt. Dat [slachtoffer 1] tijdens het slaan en/of de trap buiten bewustzijn was, vindt eveneens geen steun in de bewijsmiddelen. Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer niet alleen meermalen tegen het hoofd heeft geslagen, maar ook meermalen tegen zijn lichaam heeft getrapt.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte met zijn handelen ook opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Voor voorwaardelijk opzet geldt dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Of de gedraging van verdachte de aanmerkelijke kans daarop in het leven roept is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het moet het in ieder geval gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten is.

De rechtbank overweegt dat verdachte het slachtoffer meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen en meermalen tegen zijn lichaam heeft getrapt. Hoewel het hoofd een vitaal onderdeel van het lichaam is, kan niet bewezen worden dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer zou komen te overlijden door die vuistslagen tegen het hoofd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Geen zwaar lichamelijk letsel.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden. Voor een voltooide zware mishandeling is vereist dat verdachte het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht onder andere wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.

Uit de letselverklaring blijkt dat aan [slachtoffer 1] een oogkasfractuur, een hersenkneuzing, een zwelling van de hoofdhuid, een wond aan de binnenzijde van de bovenlip en een blauwe plek op de romp zijn toegebracht. Voorts blijkt uit de foto’s van het toegebrachte letsel dat [slachtoffer 1] ook een wond boven zijn linkeroog, net onder de wenkbrauw, heeft opgelopen. Blijkens het verzoek tot schadevergoeding heeft deze wond geresulteerd in litteken.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het door de verdachte toegebrachte letsel, te weten een oogkasfractuur, een hersenkneuzing, een zwelling van de hoofdhuid, een wond aan de binnenzijde van de bovenlip en een blauwe plek op de romp, zwaar lichamelijk letsel in de zin van het ten laste gelegde artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht oplevert. Daartoe overweegt de rechtbank dat hetgeen haar uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken over de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel ontoereikend is om het letsel aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrij te spreken van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling.

Door meerdere keren met kracht op het hoofd van verdachte in te slaan met zijn vuisten, terwijl algemeen bekend is dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank wel de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling daarom wel wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van 01.323264.23

De rechtbank acht de onder dit parketnummer ten laste gelegde feiten, namelijk het opzettelijk aanwezig hebben van 66,54 gram amfetamine (feit 1) en de twee fietsendiefstallen (feit 2 en feit 3) wettig en overtuigend bewezen op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3:

1. de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 februari 2026;

Ten aanzien van feit 1:

2. een NFiDENT-rapport met zaaknummer 2024.02.08.001 van 8 februari 2024 (p. 32);

3. een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2100-2024001782-2 van 3 januari 2024 (p. 24);

4. een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2100-2024001782-4 van 23 januari 2024 (p. 26 – 27);

Ten aanzien van feit 2:

5. een proces-verbaal van aangifte met nummer PL2100-2023283811-2 van 30 december 2023 (p. 21-23);

Ten aanzien van feit 3:

6. een proces-verbaal van aangifte met nummer PL2100-2024108715-2 van 21 mei 2024 (p. 33-35).

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van 01.298309.25 feit 1 meer subsidiair:

op 6 november 2025 te Helmond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- meermaals met kracht met gebalde vuist in het gezicht, althans tegen het hoofd, van die [slachtoffer 1] heeft geslagen,

- meermaals met kracht tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft getrapt, terwijl hij reeds op de grond lag,

- het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] met kracht tegen de grond heeft geduwd,

Ten aanzien van 01.323264.24, feit 1:

op 30 december 2023 te Helmond opzettelijk aanwezig heeft gehad 66.54 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Ten aanzien van 01.323264.24, feit 2:

omstreeks 29 december 2023 te Helmond een elektrische fiets (van het merk Trek), die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Ten aanzien van 01.323264.24, feit 3:

op 20 mei 2024 te Helmond een elektrische fiets (van het merk Sparta), die aan [slachtoffer 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest, wordt opgelegd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft erop gewezen dat verdachte momenteel geen alcohol of drugs meer gebruikt. De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van het voorarrest op te leggen aan verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich onder invloed van alcohol schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] door hem meerdere keren in het gezicht/op het hoofd te slaan en meermaals tegen het lichaam te trappen. [slachtoffer 1] heeft hier onder meer een breuk van de oogkas en een hersenkneuzing aan overgehouden. Hij heeft ook twee dagen in het ziekenhuis moeten verblijven. Verdachte heeft met zijn handelen een rechtstreekse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het feit vond bovendien plaats op de openbare weg, in het bijzijn van veel mensen, waaronder ook een kind. Een dergelijk incident brengt gevoelens van angst en onveiligheid teweeg bij het slachtoffer en bij personen die daarvan getuige zijn geweest. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij met zijn gedrag hieraan heeft bijgedragen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt het opzettelijk aanwezig hebben van bijna zeventig gram amfetamine. Door het bezit van drugs, en de daarmee samenhangende handel daarin, ontstaat schade en overlast voor de samenleving.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van twee elektrische fietsen. Dit getuigt van minachting voor andermans eigendommen, brengt schade toe aan de eigenaren en zorgt voor overlast voor de samenleving.

De persoon van verdachte.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank er in strafverzwarende zin rekening mee dat verdachte ten aanzien van alle feiten een recidivist is. Verdachte was nota bene op de dag van de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling vrijgekomen na het uitzitten van een eerdere gevangenisstraf voor onder meer een mishandeling en een poging tot zware mishandeling. Kennelijk heeft dit verdachte er niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk feit te plegen. Bovendien ziet verdachte de ernst van het door hem aan het slachtoffer aangedane leed onvoldoende in. Verdachte heeft tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak namelijk verklaard dat hij het slachtoffer alleen ‘een lesje wilde leren’. Het handelen van verdachte gaat echter veel verder dan dat en is een vorm van excessief geweld.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 4 februari 2026 dat met betrekking tot verdachte is uitgebracht. De reclassering heeft erop gewezen dat de IND voornemens is om de aanvraag van verdachte voor een verblijfsvergunning af te wijzen. Aangezien het onwaarschijnlijk is dat verdachte een bestaan in Nederland kan opbouwen, heeft de reclassering geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet geen zwaarwegende negatieve consequenties bij een gevangenisstraf.

De op te leggen straf.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en wat er in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Gezien de recidive ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank zal daarmee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van poging tot doodslag.

Ten aanzien van 01.298309.25

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een schadevergoeding gevorderd van € 6.772,76, bestaande uit € 3.672,76 aan materiële schadevergoeding (€ 3.596,76 aan ziekenhuisfacturen, omdat het slachtoffer onverzekerd was en € 76,00 aan daggeldvergoeding) en € 3.100,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering volledig toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het materiële deel van de vordering op het standpunt gesteld dat het ziekenhuis door de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden zelf de kosten kan declareren bij het CAK (de organisatie die de Subsidieregeling beheert). Het is volgens de raadsman goed mogelijk dat het ziekenhuis de kosten al gedeclareerd heeft. Het verder uitzoeken van de stand van zaken levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Ten aanzien van de daggeldvergoeding heeft de raadsman betwist dat er kosten zijn gemaakt voor kleding of om het verblijf te veraangenamen. De raadsman heeft daarom verzocht het materiële deel van de vordering volledig niet-ontvankelijk te verklaren.

Wat betreft het immateriële deel heeft de raadsman verzocht deze toe te wijzen tot een bedrag van € 1.000,00 en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de gevorderde vergoeding voor de ziekenhuisfacturen zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat niet vast is komen te staan dat het slachtoffer deze kosten (eerst) zelf moet vergoeden. Nader onderzoek daarnaar zou een uitgebreidere nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering daarom een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan het niet-ontvankelijk verklaarde deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal wel de gevorderde forfaitaire daggeldvergoedingen van € 76,00 toewijzen, omdat verdachte twee dagen in het ziekenhuis heeft verbleven.

Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering overweegt de rechtbank dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van letsel. Het slachtoffer heeft onder meer een oogkasbreuk en een hersenkneuzing opgelopen. Gelet op de aard van het geweld acht de rechtbank het immateriële deel volledig toewijsbaar.

De rechtbank zal eveneens de wettelijke rente over de toegewezen delen van de vordering toewijzen vanaf 6 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Omdat aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Ten aanzien van 01.323264.24

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een schadevergoeding gevorderd van € 1.250,00, bestaande uit materiële schadevergoeding voor zijn gestolen fiets, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering, met het oog op de afschrijving van de fiets, toe te wijzen tot een bedrag van € 1.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende onderbouwd is.

Het oordeel van de rechtbank.

[slachtoffer 3] heeft aangegeven dat hij de gestolen fiets tweedehands op Marktplaats had gekocht voor € 1.400,00 en dat de dagwaarde van de fiets op het moment van de diefstal

€ 1.250,00 bedroeg. De rechtbank overweegt dat de vordering onvoldoende onderbouwd is, omdat er geen bewijs is voor het aankoopbedrag van de fiets, de ouderdom van de fiets onbekend is en omdat niet bekend is in welke staat de fiets verkeerde op het moment van de diefstal. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

De benadeelde partij kan de niet-ontvankelijk verklaarde vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van 01.298309.25, feit 1 meer subsidiair:

poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van 01.323264.24, feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van 01.323264.24, feit 2 en feit 3 telkens:

diefstal

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

- legt op de volgende straf:

Ten aanzien van 01.298309.25 feit 1 meer subsidiair en 01.323264.24 feit 1, feit 2 en feit 3:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

Ten aanzien van 01.298309.25 feit 1 meer subsidiair:

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 3.176,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 31 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 76,00 euro materiële schadevergoeding en 3.100,00 euro immateriële schadevergoeding. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente wat betreft de materiële schade vanaf 7 februari 2026 en wat betreft de immateriële schade vanaf 6 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 3.176,00 euro, bestaande uit 76,00 euro materiële schadevergoeding en 3.100,00 euro immateriële schadevergoeding. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente wat betreft de materiële schade vanaf 7 februari 2026 en wat betreft de immateriële schade vanaf 6 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Ten aanzien van 01.323264.24 feit 3:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte ter verdediging tegen deze vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. R.J. Heuft en mr. S. Zuithoff, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,

en is uitgesproken op 25 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.G. Vos
  • mr. R.J. Heuft
  • mr. S. Zuithoff

Griffier

  • mr. N. Slingerland

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?