RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 01.158419.25
Datum uitspraak: 26 februari 2026.
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1980] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te: [plaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 september 2025, 19 november 2025 en 12 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 augustus 2025.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 12 februari 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
Feit 1, primair: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 05 maart 2025 te Vught,
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2019] ,
een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of - het brengen en/of duwen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of - het met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) betasten/aanraken van de vagina en/of de schaamlippen, althans de schaamstreek van die [slachtoffer 1] en/of - het zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of - het (in elk geval) met de hand(en) laten betasten van zijn geslachtsdeel door die [slachtoffer 1] en/of - het zichzelf aftrekken en/of (vervolgens) klaarkomen op de buik van die [slachtoffer 1] ,
terwijl dit feit werd begaan jegens verdachtes kind;
(artikel 250 lid 1 Wetboek van Strafrecht, artikel 254 lid 1 sub d Wetboek van Strafrecht) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 05 maart 2025 te Vught,
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2019] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s)betasten/aanraken van de vagina en/of de schaamlippen, althans de schaamstreek van die [slachtoffer 1] en/of - het zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of - het (in elk geval) met de hand(en) laten betasten van zijn geslachtsdeel door die [slachtoffer 1] en/of - het zichzelf aftrekken en/of (vervolgens) klaarkomen op de buik van die [slachtoffer 1] ,
terwijl dit feit werd begaan jegens verdachtes kind;
(artikel 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht, artikel 254 lid 1 sub d Wetboek van Strafrecht)Feit 2:hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2025 tot enmet 05 maart 2025 te Vught,
een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2019] ,
getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
- zijn, verdachtes, stijve en/of ontblote penis aan voornoemde [slachtoffer 1] te tonen en/of - in het bijzijn van voornoemde [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, stijve en ontblote penis te betasten en/of zich af te trekken en/of te ejaculeren,
terwijl dit feit werd begaan jegens verdachtes kind;
(artikel 251 lid 1 sub b Wetboek van Strafrecht, artikel 254 lid 1 sub d Wetboek van Strafrecht)
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit (het plegen van seksuele handelingen, die mede bestaan uit het seksueel binnendringen met zowel de vinger als penis van verdachte in de vagina van de vijfjarige dochter van verdachte) en het onder feit 2 ten laste gelegde (seksueel corrumperen van zijn dochter) wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
Verdachte heeft bekend dat hij zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van zijn vijfjarige dochter, door het plegen van seksuele handelingen met haar en in het bijzijn van haar. Hij ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan seksuele handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van zijn dochter met zijn penis of vinger(s). Gelet op het voorgaande heeft de verdediging zich, conform de overgelegde pleitnota, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde (aanranding) en feit 2 (seksueel corrumperen). Ten aanzien van de seksuele handelingen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen, zoals primair onder feit 1 ten laste gelegd, heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 1] op dit punt niet betrouwbaar is, aangezien haar aandacht tijdens het studioverhoor na verloop van tijd minder werd en zij dingen door elkaar is gaan halen. Bovendien is er onvoldoende steunbewijs, waardoor niet tot een bewezenverklaring gekomen kan worden.
Het oordeel van de rechtbank.
T.a.v. feit 1, primair:
Algemeen juridisch kader
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van verkrachting, zoals primair ten laste gelegd onder feit 1, dient er sprake te zijn geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam van een ander. Hieronder wordt verstaan ieder genitaal, oraal en anaal binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking. Daarvan is al sprake wanneer met de vingers of penis tussen de schaamlippen van een vrouw of meisje gekomen wordt. Voor een bewezenverklaring van seksueel binnendringen is niet vereist dat het inbrengen van de penis of vinger(s) volledig “gelukt” is.
Bij de beoordeling van het bewijs, stelt de rechtbank voorop dat het in zedenzaken regelmatig voorkomt dat verklaringen van een slachtoffer en de verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan. Als de verdachte de ten laste gelegde gedragingen ontkent, zoals ook in de onderhavige zaak het geval is ten aanzien van het seksueel binnendringen zoals primair ten laste gelegd onder feit 1, is de verklaring van het slachtoffer vaak het enige directe wettig bewijsmiddel.
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is de enkele verklaring van één getuige (zoals een slachtoffer) in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs kan opleveren.
Dit betekent dat de rechtbank in de onderhavige zaak allereerst de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] zal beoordelen. Als haar verklaring naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar is, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of de verklaring van [slachtoffer 1] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen in het dossier.
Dit zogenaamde ‘steunbewijs’ in zedenzaken hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, niet per definitie te zien op de verrichte handelingen zelf. Het is voldoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer.
Voorts is van belang dat uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting, de rechtbank onverminderd de overtuiging moet krijgen dat de gedragingen zijn gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten.
De verklaring van [slachtoffer 1]
De zaak is aan het rollen gekomen doordat de vijfjarige [slachtoffer 1] , terwijl zij in de badkamer aanwezig was op het moment dat haar moeder en stiefvader haar broertje in bad deden, vanuit het niets, geheel spontaan, aan haar moeder vroeg of ze op de handdoek mocht liggen die daar op de vloer lag. Op de vraag waarom ze dat wilde, antwoordde [slachtoffer 1] dat ze dat bij papa thuis ook altijd deed na het douchen. Ze zei dat ze zichzelf ging “floefen”. Volgens moeder noemt [slachtoffer 1] haar vagina een “floef”. Toen moeder vroeg wat floefen is, deed [slachtoffer 1] dat voor. Moeder heeft waargenomen dat [slachtoffer 1] op de handdoek ging liggen, op haar rug, met haar knieën omhoog en benen iets uit elkaar. Ze zag dat [slachtoffer 1] zichzelf aanraakte bij haar vagina en met twee vingers heen en weer ging. [slachtoffer 1] vertelde dat haar vader ook met haar deed “floefen”. Dat deed hij met zijn hand. Daarna vertelde ze spontaan, zonder dat moeder daar om vroeg, dat papa ook een zeepje maakt. Moeder zag dat [slachtoffer 1] daarbij een handgebaar maakt dat papa zijn “pielemuis” pakt en met zijn hand heel snel op en neer gaat. [slachtoffer 1] vertelde dat er dan een wit zeepje uit de pielemuis van papa komt. Ook vertelde ze dat dit zeepje op haar buikje komt. In een tweede gesprek met haar moeder vroeg [slachtoffer 1] of ze mocht “floefen”. Ze vertelde dat ze het fijn vond als papa haar “floeft”. Toen moeder vroeg of papa haar ook wel eens pijn had gedaan, antwoordde [slachtoffer 1] aanvankelijk “nee”. [slachtoffer 1] was toen even stil en moeder heeft niets gezegd of gevraagd. De moeder van [slachtoffer 1] heeft haar alleen maar aangekeken. Toen zei [slachtoffer 1] “een klein beetje”. Toen moeder vroeg wat papa dan gedaan had, vertelde [slachtoffer 1] dat papa met zijn pielemuis in haar floef een stukje naar binnen ging. [slachtoffer 1] heeft toen tegen papa gezegd dat dit “au” deed en toen is papa gestopt. Op 6 april 2025 heeft moeder hier melding van gemaakt bij de politie en op 9 april 2025 deed zij aangifte.
Nadat moeder aangifte had gedaan, is [slachtoffer 1] door de politie verhoord in een kindvriendelijke verhoorstudio. In het studioverhoor wordt meer de diepte ingegaan. [slachtoffer 1] verklaart over papa - kort samengevat - onder meer over het “floefen”. Ze verklaart dat het floefen vaker is gebeurd en dat het plaatsvindt in de badkamer. Wanneer gevraagd wordt wat je doet als je gaat floefen, antwoordt [slachtoffer 1] dat zij gaat liggen. Op de vraag waarmee je doet floefen, antwoordt [slachtoffer 1] met je vinger. Op de vraag wat je vinger dan doet, antwoordt [slachtoffer 1] “gewoon zo heen en weer of rondjes draaien”. Als [slachtoffer 1] voordoet hoe dit gaat, wordt waargenomen dat [slachtoffer 1] met haar rechterhand heen en weer beweegt, op en neer gaat, en rondjes draait waarbij haar rechterwijsvinger naar voren is gericht. Op de vraag waar je vinger heen en weer gaat, antwoordt zij: “ja, eigenlijk in je floef”. Wanneer gevraagd wordt waar je floef zit, wijst ze met haar vinger naar haar kruis. Ter verduidelijking zegt [slachtoffer 1] dat je met je floef ook kan plassen. Op de vraag wie dan met de vingers heen en weer gaat en rondjes draait bij de floef, antwoordt [slachtoffer 1] : “papa”. [slachtoffer 1] ligt dan en papa zit. Ook heeft zij verklaard dat haar kleren dan uit zijn.
Wanneer gevraagd wordt of het floefen wel eens pijn gedaan heeft, zegt [slachtoffer 1] eerst “nee”, maar zegt vervolgens direct “soms met z’n piemeltje”. [slachtoffer 1] vertelt dan spontaan, zonder dat daarnaar gevraagd wordt, dat papa soms ook met z’n piemel deed floefen. Wanneer gevraagd wordt hoe papa dat dan deed, zegt [slachtoffer 1] “gewoon zo eh, met dit, en dan in mij. En dat doet die altijd in de badkamer”. Waargenomen wordt dat [slachtoffer 1] hierbij met haar rechterhand naar haar kruis gaat. Wanneer de verhoorder de controlevraag stelt of ze het goed begrepen heeft dat papa met zijn piemel in de floef gaat in de badkamer, dan bevestigt [slachtoffer 1] dit. Wanneer gevraagd wordt wat [slachtoffer 1] dan voelt, verklaart [slachtoffer 1] “gewoon z’n piemeltje”. [slachtoffer 1] ligt dan in de badkamer en papa zit.
Verder verklaart [slachtoffer 1] dat zij zeepje doet maken bij papa en dat ze aan papa’s piemel moet schudden. Ze doet voor hoe dit gaat. Waargenomen wordt dat [slachtoffer 1] haar rechterhand snel naar boven en naar beneden beweegt. Vervolgens verklaart [slachtoffer 1] dat er dan zeep uit de pielemuis van papa komt en dat dit wit van kleur is. De kleren van papa zijn dan uit. Ze weet dat je aan papa’s piemel moet schudden, omdat ze dat vaker heeft gedaan. Ook vertelt ze dat ze het vaker gezien heeft, omdat papa het zelf ook wel eens doet. Papa zegt daarbij dat hij het lekker en fijn vindt. Als gevraagd wordt waar het zeepje blijft, verklaart [slachtoffer 1] dat het op haar buikje of floef zit en dat papa het er met een handdoekje afhaalt.
Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 1]
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaring van [slachtoffer 1] als betrouwbaar kan worden aangemerkt en voor het bewijs gebruikt kan worden.
De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] van begin af aan consistent heeft verklaard over de wijze waarop het misbruik plaatsvond. Haar eerste spontane, vrije en kinderlijke uitlatingen tegen haar moeder en haar verklaring tijdens het studioverhoor komen in grote mate overeen.
Zowel in haar eerste uitlatingen tegen haar moeder als tijdens het studioverhoor verklaart [slachtoffer 1] dat verdachte de vagina van [slachtoffer 1] met de hand en vinger(s) heeft aangeraakt en dat hij met zijn penis een stukje naar binnen is gegaan in de vagina van [slachtoffer 1] . Omdat het pijnlijk was voor [slachtoffer 1] en zij “au” zei, is verdachte gestopt. Net als bij haar moeder, verklaarde [slachtoffer 1] hierover bij de politie zonder dat hier specifiek naar gevraagd werd. Van sturing of beïnvloeding door moeder of de verhoorders is niet gebleken. Dat [slachtoffer 1] bepaalde dingen door elkaar zou halen tijdens het studioverhoor, zoals gesteld door de verdediging, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. In tegendeel. [slachtoffer 1] heeft een eerste spontane verklaring afgelegd bij de politie, die gedurende het studioverhoor verder is verduidelijkt door de vragen van de verhoorders. [slachtoffer 1] heeft ook heel concreet voorgedaan hoe de seksuele gedragingen door verdachte uitgevoerd werden. Indien er nog onduidelijkheid bestond over de gedragingen, zijn er controlevragen gesteld die bevestigend zijn beantwoord door [slachtoffer 1] .
[slachtoffer 1] heeft het misbruik heel feitelijk en daarmee duidelijk omschreven. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd voor een kind van vijf jaar oud. Ze weet specifieke details en handelingen te benoemen waar een kind van deze leeftijd doorgaans geen weet van heeft, zoals de beschrijving van vingeren (met de vinger heen en weer gaan of rondjes draaien in de vagina), het aftrekken (aan de piemel schudden), klaarkomen (een wit zeepje dat uit de piemel van papa komt) en binnendringen (met de vinger in haar floef en met zijn piemeltje in mij, in haar floef). Dit alles is naar het oordeel van de rechtbank authentiek en betrouwbaar te achten. [slachtoffer 1] heeft haar verklaringen over de gebeurtenissen na verloop van tijd ook niet groter of erger gemaakt, en heeft ook aangegeven dat ze het floefen met papa fijn vond, wat bijdraagt aan het waarheidsgetrouwe karakter daarvan.
Gelet op dit alles acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] geloofwaardig en betrouwbaar en neemt zij deze als uitgangspunt voor het bewijs.
Steunbewijs
Nu de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar is bevonden, dient de rechtbank te beoordelen of deze voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Zij overweegt daarover het volgende.
Verdachte erkent dat hij seksuele handelingen heeft gepleegd met zijn dochter [slachtoffer 1] . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn dochter [slachtoffer 1] in de periode van 1 januari 2025 tot en met 5 maart 2025 op meerdere momenten ontuchtig heeft aangeraakt en seksuele handelingen heeft verricht die in het verlengde daarvan liggen. Verdachte bekent dat hij zichzelf heeft laten betasten door [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] heeft met haar handjes de penis van verdachte vastgehouden en verdachte heeft zichzelf laten aftrekken door [slachtoffer 1] . Als [slachtoffer 1] onder de douche uit kwam, liet hij haar op de dikke handdoek liggen die op de vloer van de badkamer lag. Verdachte heeft [slachtoffer 1] gevraagd op haar rug te gaan liggen met haar benen wijd. Zij heeft zichzelf daar “gefloeft”, waarmee masturberen wordt bedoeld. Dit gebeurde terwijl verdachte zichzelf masturbeerde onder de douche. Hij heeft [slachtoffer 1] ook voor zich laten zitten, terwijl hij op zijn knieën achter haar zat. Hij is over haar billen heen klaargekomen. Verdachte heeft bevestigd dat wat [slachtoffer 1] heeft verklaard over het masturberen, zeepje maken en floefen, klopt. In zoverre vindt de verklaring van [slachtoffer 1] steun in de verklaring van verdachte.
Hoewel verdachte het binnendringen van de vagina met de vinger en penis heeft ontkend, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] ook op dit punt voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Uit de uitgewerkte Telio gesprekken tussen verdachte en de moeder van [slachtoffer 1] blijkt dat verdachte met zijn penis handelingen heeft verricht bij de vagina van [slachtoffer 1] . Tijdens deze gesprekken zijn door de moeder van [slachtoffer 1] delen van de verklaring van [slachtoffer 1] aan verdachte voorgehouden. De rechtbank wijst hierbij op de volgende passages. Wanneer moeder voorhoudt dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte het geprobeerd heeft, maar dat hij gestopt is omdat het pijn deed, antwoordt verdachte daarop: “ja, exact dat”. Wanneer moeder zegt: “ze heeft gezegd over jouw geslachtsdeel”, antwoordt verdachte: “ja, dat klopt”. Wanneer moeder vraagt uit te leggen of het gebeurd is, ja of nee, antwoordt verdachte: “deels”. En wanneer moeder zegt dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte haar met zijn geslachtsdeel heeft aangeraakt, erkent hij dat hij daarmee “wel dichtbij” is geweest. Moeder houdt verdachte voor dat [slachtoffer 1] haar een dag eerder heeft laten zien waar verdachte zijn pielemuis heeft gezet en kan zich niet voorstellen dat een kind dit verzint. Verdachte antwoordde: “ik ben daar in de buurt geweest ja”. Als zij vraagt “wil je zeggen dat mijn dochter liegt” antwoordt hij “nee”. Op de stelling van moeder “dat kind verzint het toch niet dat jij ergens met je pielemuis bent geweest bij haar en ze kan precies aanraken waar” antwoordt verdachte vervolgens: “Ja, ik weet waar ik met mijn pielemuis ben geweest”. De rechtbank overweegt dat verdachte ook ter terechtzitting heeft bevestigd dat het klopt dat er een moment is geweest waarop hij [slachtoffer 1] pijn heeft gedaan, waardoor ze “au” zei en waarna hij is gestopt met de handelingen. Daarnaast verklaarde hij ter terechtzitting ook dat hij niet kan zeggen dat zijn dochter [slachtoffer 1] liegt.
Conclusie
Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van [slachtoffer 1] geloofwaardig en betrouwbaar is en dat deze verklaring, ook ten aanzien van de handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen, in voldoende mate ondersteund worden door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum zoals bepaald in artikel 342, tweede lid, Sv en heeft zij de overtuiging gekregen dat verdachte degene is geweest die de ten laste gelegde gedragingen gepleegd heeft. De rechtbank kwalificeert het handelen van verdachte mede als seksueel binnendringen van de vagina met zijn vinger(s) en penis, zoals bedoeld in artikel 250 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair onder 1 ten laste gelegde feit.
T.a.v. feit 2:
Op grond van de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen acht de rechtbank tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
T.a.v. feit 1, primair: in de periode van 1 januari 2025 tot en met 05 maart 2025 te Vught, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2019] , seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten: - het brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en - het brengen en/of duwen en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes,
vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en - het met zijn, verdachtes, hand en/of vinger(s) betasten/aanraken van de vagina ,
althans de schaamstreek van die [slachtoffer 1] en - het zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en - het met de handen laten betasten van zijn geslachtsdeel door die [slachtoffer 1] en - het zichzelf aftrekken en vervolgens klaarkomen op de buik van die [slachtoffer 1] , terwijl dit feit werd begaan jegens verdachtes kind.
T.a.v. feit 2: in de periode van 01 januari 2025 tot en met 05 maart 2025 te Vught, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2019] , getuige heeft doen zijn van een handeling van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door: - zijn, verdachtes, stijve en ontblote penis aan voornoemde [slachtoffer 1] te tonen en - in het bijzijn van voornoemde [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, stijve en ontblote penis te betasten en zich af te trekken en te ejaculeren, terwijl dit feit werd begaan jegens verdachtes kind.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en maatregelen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden, zoals geformuleerd door de reclassering. Daarnaast dient aan verdachte opgelegd te worden een contactverbod met [slachtoffer 1] en haar moeder op grond van artikel 38z Sr. Deze maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te zijn.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Onder verwijzing naar de bepleite vrijspraak van het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de strafeis van de officier van justitie te hoog is en gematigd dient te worden. Bij de strafoplegging dient meer rekening gehouden te worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In dit verband is gewezen op de omstandigheid dat verdachte zijn kinderen al geruime tijd niet heeft gezien en hij zijn rol als (verzorgende) vader kwijt is en de verwachting is dat hij het gezag over zijn kinderen zal kwijtraken, aangezien de moeder van [slachtoffer 1] heeft aangekondigd hiervoor een procedure te starten. Verder dient rekening gehouden te worden met de omstandigheid dat verdachte al geruime tijd in voorarrest zit en nooit eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Daarnaast dient bij de strafbepaling rekening gehouden te worden met de - relatief korte - periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden alsmede de omstandigheid dat verdachte veel spijt heeft van zijn handelen en hij zijn handelen reeds uit eigen beweging had gestaakt voordat de feiten aan het licht kwamen. Voorgesteld is een straf op te leggen die de duur van het ondergane voorarrest niet overstijgt. Nu ter terechtzitting bekend is geworden dat de wachttijd voor [locatie] circa negen maanden bedraagt, is in overweging gegeven om het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf te laten eindigen op het moment dat verdachte direct vanuit detentie kan doorstromen naar [locatie] . Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geformuleerd door de reclassering. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de oplegging van een contactverbod.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemeen
Bij de beslissing over de straf en/of maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon van verdachte en diens persoonlijke omstandigheden.
De aard en ernst van de strafbare feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van twee maanden meerdere malen schuldig gemaakt aan ernstig seksueel misbruik van zijn vijfjarige dochter, zoals omschreven in de bewezenverklaring.
De rechtbank houdt rekening met de zeer jonge leeftijd - en daarmee de bijzondere kwetsbaarheid - van het slachtoffer. Zij was pas net vijf jaar oud toen verdachte begon met het plegen van de delicten. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de strafverzwarende omstandigheid dat verdachte de feiten heeft begaan met zijn eigen kind.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ten behoeve van zijn eigen seksuele gerief ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn positie als vader van [slachtoffer 1] en het vertrouwen dat zij in hem stelde. Hij heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare en afhankelijke positie van zijn dochter. Hij heeft in het geheel geen rekening heeft gehouden met haar gevoelens en belangen. Daar komt bij dat het misbruik plaatsvond in de woning van verdachte, de thuishaven van de kinderen wanneer zij bij hem verbleven in het kader van de omgangsregeling. Dit is een plek die voor een ieder, maar in het bijzonder voor (jonge) kinderen veilig behoort te zijn. Verdachte had zijn dochter bescherming, liefde en geborgenheid moeten bieden als vader, maar in plaats daarvan heeft hij de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] ernstig geschonden met zeer wel mogelijk ernstige (psychische) gevolgen voor haar toekomstige seksuele ontwikkeling. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.
Ter terechtzitting heeft de moeder van [slachtoffer 1] op invoelbare wijze verwoord welke impact het misbruik op het leven van [slachtoffer 1] , op het leven van haar als moeder en op het gezinsleven heeft gehad en nog steeds heeft. Uit deze verklaring blijkt dat er sprake is van gedragsveranderingen en -problemen bij de eerder zo vrolijke en dappere [slachtoffer 1] .’s Nachts kan zij niet slapen omdat ze buikpijn heeft van verdriet. Ze durft niet alleen naar de wc, is bang in het donker, is bang dat haar moeder wegvalt en is bang voor mannen. Ook heeft zij al vragen over delen van haar lichaam en de werking van het mannelijke lichaam, waar een meisje van haar leeftijd nog helemaal geen weet van zou moeten hebben. [slachtoffer 1] heeft voor dit alles psychische hulp nodig. Voorts is gebleken dat de moeder van [slachtoffer 1] het mentaal zeer zwaar heeft. De therapieën van haar en de kinderen vallen haar zwaar en nemen veel tijd in beslag.
Persoonlijke omstandigheden
Bij de strafbepaling heeft de rechtbank acht geslagen op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is een man die niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De rechtbank weegt mee dat verdachte ter terechtzitting heeft erkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van zijn vijfjarige dochter, door het plegen van seksuele handelingen met haar en in het bijzijn van haar. Voor dit deel van de tenlastelegging heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid genomen. De rechtbank heeft hier waardering voor, aangezien er moed voor nodig is om dit toe te geven. Verdachte heeft er blijk van gegeven oprecht spijt te hebben van zijn handelen. Bovendien is er sprake van probleembesef en ziet verdachte in dat hij hulp nodig heeft en behandeling dient te ondergaan. Het seksueel binnendringen wordt nog steeds door verdachte ontkent. Ook weegt de rechtbank mee dat de gebeurtenissen grote gevolgen voor verdachte hebben. Sinds het misbruik aan het licht is gekomen, is het contact tussen verdachte en zijn dochter [slachtoffer 1] en zijn andere kinderen verbroken. Daarnaast is het contact met de moeder van zijn kinderen, zijn ex-partner, beperkt terwijl zij - ondanks hun scheiding - altijd een grote steunpilaar in zijn leven is geweest. Dit alles zal ongetwijfeld een zware wissel trekken op verdachte. De rechtbank weegt de impact die dit alles op hem en zijn toekomst heeft, mee bij het bepalen van de straf.
Toerekenbaarheid
De rechtbank heeft acht geslagen op de pro justitia rapportage, psychologisch onderzoek, opgesteld door psycholoog Koornstra van 6 november 2025. Uit deze pro justitia rapportage volgt dat bij verdachte sprake is van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis, een gokstoornis en een persisterende depressieve stoornis met angstige spanning en gemengde kenmerken. Hiervan was ook sprake in de periode van de bewezenverklaarde feiten. Deze stoornissen beïnvloedden zijn gedragskeuzes en gedragingen zodanig dat het bewezenverklaarde mede daaruit verklaard kan worden. Gelet op het voorgaande, heeft de psycholoog geadviseerd de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De conclusies van de rapportage zijn helder en worden gedragen door een deugdelijke motivering. De rechtbank neemt de conclusies en bevindingen van de deskundige over en zal hier in strafmatigende zin rekening mee houden.
Reclasseringsadvies
Uit het reclasseringsadvies van 28 januari 2026 volgt dat de reclassering zich aansluit bij de inhoud van de pro justitia rapportage van psycholoog Koornstra van 6 november 2025. De psycholoog heeft in voornoemde pro justitia rapportage geconcludeerd dat de onderliggende problematiek van verdachte dringend behandeling behoeft. De psycholoog heeft geadviseerd over de behandeling die nodig is en heeft geadviseerd deze behandeling als bijzondere voorwaarde op te nemen bij een voorwaardelijk strafdeel. Gewezen is op de mogelijkheid van een klinische opname op een forensisch psychiatrische afdeling van waaruit verdachte, zodra hij afdoende tools tot zijn beschikking heeft zijn leven meer zelfstandig adequaat vorm kan geven, en toe geleid kan worden naar een ambulant traject. Direct insteken op een ambulant traject, vergroot de kans op mislukken van de behandeling omdat hij zich dan weer op praktische zaken als werk zal storten ter afleiding/vermijding. Gelet op het advies van de psycholoog, adviseert de reclassering bij een bewezenverklaring een (deels) voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen met daaraan verbonden de navolgende bijzondere voorwaarden:
Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard aan alle door de reclassering geformuleerde voorwaarden te houden.
De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit
Uit oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij alsmede in verband met een juiste normhandhaving, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een langdurige en (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken.
Volstaan met een straf die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, dan wel een straf waarbij het onvoorwaardelijke deel zal eindigen op het moment dat verdachte direct vanuit detentie kan doorstromen naar [locatie] , zoals verzocht door de verdediging, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet passend. Anderzijds dient rekening gehouden te worden met de noodzaak tot behandeling, zoals geadviseerd door de psycholoog in de pro justitia rapportage van 26 november 2025. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met oplegging van een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk, zoals gevorderd door de officier van justitie, voorbijgegaan aan deze noodzaak omdat de behandeling dan te lang op zich laat wachten en het tijdsverloop de behandeling bemoeilijkt. Om die reden zal de rechtbank de officier van justitie niet volgen in haar eis en aan verdachte een lichtere straf opleggen. De rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van drie jaar, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.
Met het voorwaardelijke strafdeel wil de rechtbank enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds beoogt zij daarmee invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte gericht op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten en de behandeling en begeleiding te waarborgen die verdachte nodig heeft.
Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen dan ook de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geformuleerd door de reclassering in het advies van 28 januari 2026 en zoals gevorderd door de officier van justitie.
Dadelijk uitvoerbaar contactverbod (vrijheidsbeperkende maatregel)
De officier van justitie heeft een dadelijk uitvoerbaar contactverbod gevorderd op grond van artikel 38z Sr. De rechtbank overweegt dat uit het verhandelde ter terechtzitting gebleken is dat verdachte - vanuit detentie - om de haverklap telefonisch contact zoekt met de moeder van [slachtoffer 1] en dat dit door haar als zeer belastend wordt ervaren. [slachtoffer 1] en haar moeder zijn gebaat bij rust om de gebeurtenissen te verwerken en zich te richten op de toekomst. Gelet het belastende gedrag van verdachte alsmede de ernst van de feiten en ter verdere bescherming van [slachtoffer 1] en haar moeder, zal de rechtbank naast de hiervoor genoemde (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf, opleggen een contactverbod voor de duur van drie jaar met zowel [slachtoffer 1] als haar moeder als vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr. De rechtbank zal bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van een week voor iedere keer dat het contactverbod wordt geschonden, met een maximum van zes maanden.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] en haar moeder, zal de rechtbank de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren.
De rechtbank merkt op dat onder dit contactverbod niet vallen contacten van of door tussenkomst van de advocaat van verdachte met (de advocaat van) [slachtoffer 1] en haar moeder.
Voorts overweegt de rechtbank dat van het contactverbod kan worden afgeweken als de hulpverlenende instanties, waarbij te denken valt aan onder meer de Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdzorg en de Reclassering, in samenspraak met de moeder van [slachtoffer 1] , hiertoe reden zien binnen het kader van het toezicht, een omgangsregeling of bezoek onder toezicht.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen. Het totaal toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer ex artikel 36f Sr opgelegd dient te worden. Er bestaat een evident en rechtstreeks verband tussen de bewezenverklaarde feiten en de civiele procedure die gestart zal worden om verdachte uit het ouderlijk gezag te zetten. Het zou niet rechtvaardig zijn moeder voor deze kosten te laten opdraaien. De vordering tot immateriële schadevergoeding is voldoende onderbouwd. Hoewel de pleegperiode in de aangehaalde uitspraken langer is, staat daar in de onderhavige zaak tegenover dat het om een heel jong kind gaat en er sprake is van hele lelijke elementen, zoals het “zeepje maken”. Nu de onderhavige zaak niet onder doet aan de aangehaalde voorbeelden, dient de vordering toegewezen te worden.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien de gevorderde materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd is. Onduidelijk is of er daadwerkelijk een procedure opgestart zal worden en of hiervoor kosten gemaakt zullen worden en hoe hoog deze kosten zullen zijn. Over het inkomen van de moeder van [slachtoffer 1] is niets bekend, waardoor niet bekend is hoe hoog de eigen bijdrage van het griffierecht zal zijn. Daarnaast kan de moeder van [slachtoffer 1] de rechtbank alsdan verzoeken om een proceskostenveroordeling. Voorts bestaat er bijzondere bijstand vanuit de gemeente voor dit soort situaties.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, hoewel aan [slachtoffer 1] een bedrag aan immateriële schadevergoeding toegekend dient te worden, het gevorderde bedrag te hoog is. In dit verband is gewezen op de omstandigheid dat het met [slachtoffer 1] zowel thuis als op school al langere tijd niet goed ging. Gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, is aangevoerd dat de aangehaalde jurisprudentie niet vergelijkbaar is omdat daar over seksueel binnendringen gaat. Voorgesteld is het toe te wijzen bedrag te matigen tot 4.000,- euro.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij een vordering heeft ingediend ten behoeve van de vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de door verdachte gepleegde strafbare feiten.
De gevorderde materiële schadevergoeding bedraagt 1.213,00 euro en ziet blijkens de toelichting op de vordering op de kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de civiele procedure om het ouderlijk gezag van verdachte te beëindigen.
De rechtbank overweegt dat de civiele procedure op dit moment nog niet aanhangig is. Onduidelijk is of deze procedure daadwerkelijk gestart zal worden en of er in dat verband ook schade geleden wordt. In de vordering tot materiële schadevergoeding zijn kosten opgevoerd die afhankelijk zijn van het inkomen van de moeder van [slachtoffer 1] , terwijl er geen stukken zijn overgelegd waaruit het inkomen van de moeder van [slachtoffer 1] blijkt. Nu de vordering naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd is, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Het vragen om een nadere onderbouwing, waarmee de zaak zou moeten worden aangehouden, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.
De gevorderde immateriële schadevergoeding bedraagt 8.000 euro en bestaat blijkens de schriftelijke toelichting op de vordering uit lichamelijk letsel (pijn) en geestelijk letsel.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade (deels) voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de aard en de ernst van de normschending heeft benadeelde partij recht op vergoeding van de immateriële schade. De rechtbank stelt de immateriële schade, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en rekening houdend met wat in vergelijkbare zaken wordt toegekend, vast op een bedrag van 6.000 euro. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Voor het overige zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Het toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten 1 januari 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict, te weten 1 januari 2025, tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 57, 245, 250, 251 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1, primair:
verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een kind van diegene, meermalen gepleegd
T.a.v. feit 2:
een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een handeling van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking, op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, begaan jegens een kind van diegene, meermalen gepleegd
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf en maatregelen.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1) Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen de vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan, bij SVG Reclassering Novadic Kentron op het nummer [nummer] . De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak.
2) Opname in een zorginstelling
Veroordeelde laat zich tijdens de proeftijd voor de duur van twee jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen bij [locatie] of soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo mogelijk aansluitend aan detentie dan wel zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
3) Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich aansluitend aan de, onder 2 genoemde, klinische opname behandelen door een nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op ontslag van de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
4) Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Indien de reclassering dit nodig vindt of de kliniek dit indiceert, zal veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijven bij een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan ontslag van de, onder 2 genoemde, klinische opname. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Geeft opdracht aan de Reclassering om toezicht te houden op de naleving van voornoemde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Een contactverbod voor de duur van 3 jaren
Legt op de vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende dat de veroordeelde gedurende drie jaren geen contact zal opnemen, zoeken of hebben - in welke vorm dan ook, ook niet via derden - met de in deze strafzaak en veroordeelde bekende, bij een algeheel contactverbod belanghebbende personen:
1) [naam] , geboren op [1985] , en
2) [slachtoffer 1] , geboren op [2019] ,
een en ander met dien verstande dat onder dit contactverbod niet vallen contacten van of door tussenkomst van de advocaat van veroordeelde met (de advocaat van) genoemde personen.
Van het contactverbod met [slachtoffer 1] kan worden afgeweken als de hulpverlenende instanties, in samenspraak met de moeder van [slachtoffer 1] (te weten: mevrouw [naam] ), hiertoe reden zien binnen het kader van het toezicht, een omgangsregeling of bezoek onder toezicht.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één (1) week voor iedere keer dat het contactverbod wordt geschonden, met een maximum van zes (6) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 6.000,00 euro aan immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
01 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor de gevorderde materiële schade en het overige gevorderde aan immateriële schade niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Schadevergoedingsmaatregel
Legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 6.000,00 euro aan immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
01 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 55 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,
mr. A. Maas en mr. W.B. Kok, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Freese - de Haas, griffier,
en is uitgesproken op 26 februari 2026.