ECLI:NL:RBOBR:2026:1166

ECLI:NL:RBOBR:2026:1166

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer 01/221311/25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Procesafspraken (verkort vonnis) - De rechtbank acht de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat de strafeis in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en daarmee ook recht doet aan deze zaak, waarbij zowel het belang van de verdachte als dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot een straf zoals verwoord in de strafeis, te weten 1) een gevangenisstraf voor de duur van 214 dagen met aftrek waarvan 107 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, 2) een taakstraf voor de duur van 240 uren en 3) een geldboete ter hoogte van 25.000,00 euro.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.221311.25

Datum uitspraak: 25 februari 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2000] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 november 2025 en 11 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 oktober 2025. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 februari 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

t.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Eindhoven

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 322 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

t.a.v. feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 22 januari 2024 tot en met 4 augustus 2025 te Eindhoven

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk (telkens)

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk (telkens) aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

t.a.v. feit 3:

hij op of omstreeks 5 augustus 2025, te Eindhoven

een of meer contante geldbedragen (tot een totaalbedrag van 15.295 euro), althans een of meer voorwerpen

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,

terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf;

t.a.v. feit 4:

hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Eindhoven

een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten

een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een

ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek

dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was,

namelijk een gaspistool (sprekend gelijkend op een Colt 1911, zie proces-verbaal 2025174198) voorhanden heeft gehad;.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van procesafspraken.

De rechtbank heeft kennisgenomen van (een digitaal afschrift van) de overeenkomst gedateerd 13 januari 2026 inhoudende procesafspraken over de afdoening van deze strafzaak (hierna: de procesafspraken). De overeenkomst is door de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman ondertekend.

De rechtbank is bij de beoordeling van de overeenkomst uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022(ECLI:NL:HR:2022:1252).

De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken werd bijgestaan door zijn raadsman en dat de verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van de schriftelijke uitwerking daarvan.

De rechtbank heeft ter terechtzitting met partijen besproken dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken en dat de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging.

De rechtbank heeft de procesafspraken ter terechtzitting doorgenomen. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn met de verdachte besproken (waaronder de financiële consequenties die hierna bij de strafmotivering aan bod komen).

De rechtbank heeft verdachte voorgehouden dat hij vooralsnog geen afstand kan doen van het recht om hoger beroep in te stellen, maar dat het gerechtshof bij een afdoening volgens de procesafspraken de eis kan stellen dat verdachte bijzondere omstandigheden aanvoert om daarbij voldoende belang te hebben.

De verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank nogmaals bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.

De rechtbank constateert dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank constateert verder dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan de verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. Dit betekent dat de rechtbank de procesafspraken bij de verdere beoordeling kan betrekken.

De bewijsvraag.

De verdediging en officier van justitie hebben zich voor wat betreft de tekst van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezen verklaard, waarbij zij ten aanzien van feit 3 nog aanvullend overweegt dat verdachte ter terechtzitting van 19 november 2025 het witwassen heeft bekend ten aanzien van iets meer dan de helft van het als witwassen ten laste gelegde bedrag, waarbij hij heeft opgemerkt dat hij taxichauffeur was en daarom ook legaal contant geld in bezit had. Dit betreft naar het oordeel van de rechtbank een concrete min of meer verifieerbare verklaring die niet op voorhand onaannemelijk is. Nader onderzoek door het Openbaar Ministerie hiernaar is niet gevolgd, zodat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het gehele ten laste gelegde bedrag kan kom. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de bewezenverklaring ten aanzien van feit 3 beperken tot “een contant geldbedrag”.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

t.a.v. feit 1

hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Eindhoven

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 322 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

t.a.v. feit 2hij in of omstreeks de periode van 22 januari 2024 tot en met 4 augustus 2025 te Eindhoven

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk (telkens)

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk (telkens) aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

t.a.v. feit 3

hij op of omstreeks 5 augustus 2025, te Eindhoven

een of meer contante geldbedragen (tot een totaalbedrag van 15.295 euro), althans een of meer voorwerpen

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,

terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf;

t.a.v. feit 4

hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Eindhoven

een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten

een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een

ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek

dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was,

namelijk een gaspistool (sprekend gelijkend op een Colt 1911, zie proces-verbaal 2025174198) voorhanden heeft gehad;.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, de volgende straffen geëist (hierna: ‘de strafeis’):

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de strafeis.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is zoals gezegd niet gebonden aan de procesafspraken, maar het staat de rechtbank vrij om – binnen de grenzen van het ter zake geldende strafmaximum – te komen tot een sanctiebeslissing die in overeenstemming is met de procesafspraken. Als de rechter van oordeel is dat het afdoeningsvoorstel in de procesafspraken niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, zal de rechter komen tot een andere sanctiebeslissing (ECLI:NL:HR:2022:1252).

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, en bij de beoordeling of de procesafspraken in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft gedurende ongeveer anderhalf jaar gehandeld in harddrugs. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het bezit van een gaspistool dat sprekend lijkt op een echt vuurwapen en aan het witwassen van uit eigen misdrijf verkregen inkomsten. Het ongecontroleerde bezit van wapens leidt tot een toegenomen risico voor incidenten en tot vrees daartoe in de samenleving. Door het witwassen van geld wordt crimineel gedrag bevorderd en wordt het (vertrouwen in het) legale financiële systeem schade toegebracht, hetgeen onwenselijk is.

De overige gevolgen van de procesafspraken

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte zich, naast de gevorderde geldboete, in de procesafspraken heeft verplicht om afstand te doen (en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan) van (onder meer) de volgende goederen:

Reclasseringsadvies

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 27 januari 2026. Daarin wordt – kort gezegd – geadviseerd om aan een voorwaardelijke veroordeling de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden:

De verdediging en officier van justitie hebben zich voor wat betreft het opleggen van deze voorwaarden, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij hebben verklaard dat met een beslissing van de rechtbank hierover niet wordt afgeweken van de procesafspraken.

Conclusie rechtbank

De rechtbank is, alles bezien, van oordeel dat de strafeis in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en daarmee ook recht doet aan deze zaak, waarbij zowel het belang van de verdachte als dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot een straf zoals verwoord in de strafeis.

De rechtbank ziet aanleiding om de geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden aan het voorwaardelijke strafdeel, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en om hem te ondersteunen op diverse leefgebieden. Deze bijzondere voorwaarden dienen ter meerdere bescherming van verdachte en de samenleving.

Voorlopige hechtenis

Het tegen verdachte uitgevaardigde bevel tot voorlopige hechtenis is geschorst. De rechtbank zal dit geschorste bevel opheffen, gelet op de straf die wordt opgelegd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 57, 63 420bis.1, 420qtr.1 Wetboek van Strafrecht

2, 10 Opiumwet

13 Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

t.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

t.a.v. feit 3:

eenvoudig witwassen

t.a.v. feit 4:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt voor al deze feiten op de volgende straffen:

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

Een gevangenisstraf voor de duur van 214 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 107 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarde(n):

Dat betrokkene zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en

zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze

afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de

proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] te Eindhoven

8. Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde(n) genoemd onder [nummer(s)] en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

9. Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

10. - meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoekenen het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

11. T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

11. Een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis

T.a.v. feit 2, feit 3, feit 4:

Een geldboete ter hoogte van 25000,00 euro subsidiair 141 dagen hechtenis

De rechtbank heft op het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.F.N. van Schaijk, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. F. Kooijman, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,

en is uitgesproken op 25 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.F.N. van Schaijk
  • mr. C.A. Mandemakers
  • mr. F. Kooijman

Griffier

  • mr. R.F.G. St. Jago

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?