ECLI:NL:RBOBR:2026:1219

ECLI:NL:RBOBR:2026:1219

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer 01/264424-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijke schuld aan het veroorzaken van een ongeval en heeft daarbij gereden onder invloed van stoffen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW 1994. Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met bijzondere voorwaarden, een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden. Verdachte zich tevens zodanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg is veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW 1994. Voor deze overtreding wordt geen afzonderlijke straf of maatregel opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.264424.24

Datum uitspraak: 27 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 augustus 2025 en 13 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

te hebben/houden en/of
zijn verplichting te voldoen zoveel mogelijk rechts te houden op de weg en/of
voor tegemoetkomend verkeer te rijden en/of
heeft gehad/gehouden en/of
zijn verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden op de weg en/of
voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of
heeft gehad/gehouden en/of
zijn verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden op de weg en/of
voor tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 juli 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

t.a.v. feit 1 primair:

hij op of omstreeks 15 april 2024 te Sint Anthonis, gemeente Land van Cuijk, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelbus, merk Mercedes-Benz), daarmede rijdende over de weg, de N272, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

aldaar, terwijl hij, verdachte, danig onder invloed verkeerde van amfetamine en/of GHB, althans na (voorafgaand) gebruik van amfetamine en/of GHB,

- niet voldoende aandacht te hebben voor het verkeer en/of de veiligheid en/of de

verkeerssituatie ter plaatse en/of niet, althans in onvoldoende mate te letten en/of blijven

letten op het (direct) voor verdachte gelegen weggedeelte van die weg en/of het zich

daarop bevindende (tegemoetkomende) verkeer en/of niet het verloop van de weg waarop

zijn bestelbus zich bevond te volgen en/of

- de door hem, verdachte, bestuurde bestelbus niet, althans niet voortdurend, onder controle

- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan

- (gedurende een langere periode) (deels) op (het gedeelte van) de rijbaan dat bestemd is

- in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 de

snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde bestelbus niet op zodanige wijze te regelen

dat hij, verdachte, in staat was die bestelbus tot stilstand te brengen binnen de afstand

waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was,

waardoor verdachte op die weg met zijn bestelbus tegen een tegemoetkomende personenauto (merk Renault, bestuurd door [slachtoffer 1] ), is gebotst/gereden,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een longkneuzing met kleine klaplong, een gebroken pols, een hersenschudding en/of een darmkneuzing, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 april 2024 te Sint Anthonis, gemeente Land van Cuijk als bestuurder van een voertuig (bestelbus, merk Mercedez-Benz), daarmee rijdende op de weg, N272,

aldaar, terwijl hij, verdachte, danig onder invloed verkeerde van amfetamine en/of GHB, althans na (voorafgaand) gebruik van amfetamine en/of GHB,

- niet voldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de veiligheid en/of de

verkeerssituatie ter plaatse en/of niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet op en/of is

blijven letten op het (direct) voor verdachte gelegen weggedeelte van die weg en/of het zich

daarop bevindende (tegemoetkomende) verkeer en/of niet het verloop van de weg waarop

zijn bestelbus zich bevond heeft gevolgd en/of

- de door hem, verdachte, bestuurde bestelbus niet, althans niet voortdurend, onder controle

- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan

- (gedurende een langere periode) (deels) op (het gedeelte van) de rijbaan dat bestemd is

- in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 de

snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde bestelbus niet op zodanige wijze heeft

geregeld dat hij, verdachte, in staat was die bestelbus tot stilstand te brengen binnen de

afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was,

waardoor verdachte op die weg met zijn bestelbus tegen een tegemoetkomende

personenauto (merk Renault, bestuurd door [slachtoffer 1] ), is gebotst/gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

t.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 15 april 2024 te Sint Anthonis, gemeente Land van Cuijk als bestuurder van een voertuig (bestelbus, merk Mercedes-Benz), daarmee rijdende op de weg, de N272,

aldaar,

terwijl hij, verdachte, danig onder invloed verkeerde van amfetamine en/of GHB, althans na (voorafgaand) gebruik van amfetamine en/of GHB,

- niet voldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de veiligheid en/of de

verkeerssituatie ter plaatse en/of niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet op en/of is

blijven letten op het (direct) voor verdachte gelegen weggedeelte van die weg en/of het zich

daarop bevindende (tegemoetkomende) verkeer en/of niet het verloop van de weg waarop

zijn bestelbus zich bevond heeft gevolgd en/of

- de door hem, verdachte, bestuurde bestelbus niet, althans niet voortdurend, onder controle

- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan

- (gedurende een langere periode) (deels) op (het gedeelte van) de rijbaan dat bestemd is

- in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 de

snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde bestelbus niet op zodanige wijze heeft

geregeld dat hij, verdachte, in staat was die bestelbus tot stilstand te brengen binnen de

afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was,

waardoor verdachte op die weg met zijn bestelbus tegen een tegemoetkomende personenauto (merk Renault) is gebotst/gereden, waarna en/of waardoor verdachte op die weg met zijn bestelbus in botsing is gekomen met een tegemoetkomende personenauto (merk Volkswagen, bestuurd door [slachtoffer 2] ),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

t.a.v. feit 3:

hij op of omstreeks 15 april 2024 te Sint Anthonis, gemeente Land van Cuijk

een voertuig, te weten een bestelbus (merk Mercedes-Benz), heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen,

na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en/of GHB,

terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 570 microgram amfetamine per liter bloed en/of 34 milligram GHB per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Beoordeling van het bewijs.

Inleiding.

Op 15 april 204 vond een verkeersongeval plaats op de Boxmeerseweg (N272) te

Sint-Anthonis waarbij drie voertuigen waren betrokken. De door verdachte bestuurde bestelbus is op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terecht gekomen en hier in aanrijding gekomen met een personenauto. Als gevolg van deze aanrijding heeft de bestuurder van de tegemoetkomende auto, [slachtoffer 1] , lichamelijk letsel opgelopen. Vervolgens is direct na de botsing een naderende personenauto op de inmiddels dwars over de weg staande bestelbus gebotst.

De rechtbank moet (onder meer) de vraag beantwoorden of verdachte in strafrechtelijke zin schuld heeft aan het verkeersongeval en de gevolgen daarvan, en, zo ja, in welke mate. Daarbij moet worden beoordeeld of verdachte reed onder invloed van (een) stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van:

- feit 1 primair, in de zin dat verdachte schuldig is aan het veroorzaken van een

verkeersongeval als gevolg van zeer onvoorzichtig en zeer onoplettend rijgedrag waardoor

een persoon ( [slachtoffer 1] ) zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

- feit 2: veroorzaken van gevaar en hinder op de weg; en

- feit 3: rijden onder invloed van GHB en amfetamine.

Het standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is met betrekking tot het onder feit 1 tenlastegelegde aangevoerd dat geen sprake was van roekeloos rijgedrag en verdachte ter zake van dat bestanddeel onder feit 1 dient te worden vrijgesproken. Ook is er geen sprake van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] .

Voor het overige wordt voor de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Vaststelling van de feiten.

Verdachte bevond zich op het moment van de aanrijding op 15 april 2024 op de N272 te Sint-Anthonis in de gemeente Cuijk zonder aanwijsbare reden of noodzaak op de verkeerde weghelft, bestemd voor in tegengestelde richting rijdend tegemoetkomend verkeer.

De bestuurder van een in tegengestelde richting naderende personenauto (Renault) trachtte tevergeefs uit te wijken. De bestelbus van verdachte en de Renault kwamen frontaal met elkaar in botsing. De Renault van bestuurder [slachtoffer 1] was ten tijde van het tenlastegelegde goed zichtbaar en reed met een snelheid van ongeveer 80 km/uur met brandende voertuigverlichting op een overzichtelijke en (nagenoeg) rechte, provinciale weg. Verdachte moet de zich vóór hem bevindende Renault dus ruim voor de aanrijding hebben kunnen (en moeten) waarnemen. De plek waarop de beide voertuigen elkaar hebben geraakt kan worden afgeleid uit het door de politie aangetroffen krasspoor. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de vaststellingen van de politie hieromtrent in samenhang met de kennelijke afwezigheid van andere sporen op het wegdek die duiden op een andere locatie van botsing. Op de plaats van de botsing zijn geen remsporen aangetroffen. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte voor het moment van de aanrijding heeft geremd. Ook blijkt niet dat verdachte zijn snelheid voorafgaand aan de botsing heeft verlaagd of dat hij op andere wijze heeft geprobeerd de aanrijding te voorkomen.

Achter de Renault reed een personenauto (Volkswagen), waarvan de bestuurder niet tijdig zijn voertuig tot stilstand kon brengen om een aanrijding met de inmiddels dwars op de weg staande bestelbus te vermijden.

Verdachte verkeerde op het moment van het ongeval onder invloed van verdovende middelen. Ten tijde van de bloedafname op 15 april 2024 (na het ongeval) bevatte zijn bloed stoffen (amfetamine en GHB) die de rijvaardigheid kunnen verminderen en waarvan het gehalte telkens hoger was dan de vastgestelde waarden, zoals gesteld in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer en vermeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Verdachte was kennelijk als gevolg van zijn middelengebruik gedurende de voorafgaande avond, ten tijde van het ongeval onder invloed van middelen die de rijvaardigheid nadelig (kunnen) beïnvloeden, terwijl verdachte ten tijde van het ongeval bovendien kampte met slaapproblemen en psychische klachten. Dit alles moet hebben afgedaan aan zijn oplettendheid voorafgaand aan het ongeval.

Als gevolg van de aanrijding heeft de bestuurder van de Renault lichamelijk letsel opgelopen (te weten een longkneuzing met kleine klaplong, een gebroken pols, een hersenschudding en een darmkneuzing). Als gevolg van de door verdachte veroorzaakte gevaarlijke situatie en hinder op de weg heeft de bestuurder van de Volkswagen autoschade en (licht) letsel opgelopen.

Conclusie en kwalificatie.

Verdachte heeft in een situatie waarin hij een aanrijding had kunnen voorkomen, nagelaten voldoende aandacht te hebben voor en oplettend te zijn op het verkeer op de weg en heeft niet voldoende rechts gehouden op de voor hem bestemde weghelft en is gaan rijden op de rijbaan bestemd voor tegemoetkomend verkeer.

Verdachte is in botsing gekomen met een goed zichtbare personenauto, terwijl hij voorafgaand stoffen had ingenomen die zijn alertheid op dat moment verstoorden. Dit maakt dat hij in de gegeven situatie naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig en aanmerkelijk onoplettend heeft gehandeld. In combinatie met het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel acht de rechtbank bewezen dat verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval en de gevolgen ervan in de zin van artikel 6 WVW 1994. Uit voorgaande feiten volgt eveneens dat verdachte zich (jegens [slachtoffer 2] ) zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg is veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW 1994.

Het voorgaande leidt ertoe dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijke schuld heeft aan het ongeval, gevaar en hinder op de weg heeft veroorzaakt en heeft gereden onder invloed van stoffen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW 1994.

Daarmee acht de rechtbank het onder de feiten 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van dit vonnis heeft de rechtbank de bewijsmiddelen opgenomen in een aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage.

De bewezenverklaring.

zijn verplichting te voldoen zoveel mogelijk rechts te houden op de weg en
gehad en
zijn verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden op de weg en

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

t.a.v. feit 1 primair:

op 15 april 2024 te Sint Anthonis, gemeente Land van Cuijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelbus, merk Mercedes-Benz), daarmede rijdende over de weg, de N272, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, aldaar, terwijl hij, verdachte, danig onder invloed verkeerde van amfetamine en GHB,

- niet voldoende aandacht te hebben voor het verkeer en de veiligheid en de verkeerssituatie

ter plaatse en niet, althans in onvoldoende mate te letten en te blijven letten op het (direct)

voor verdachte gelegen weggedeelte van die weg en het zich daarop bevindende

(tegemoetkomende) verkeer en

- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan

- op het gedeelte van de rijbaan dat bestemd is voor tegemoetkomend verkeer te rijden,

waardoor verdachte op die weg met zijn bestelbus tegen een tegemoetkomende personenauto (merk Renault, bestuurd door [slachtoffer 1] ), is gebotst,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zodanig lichamelijk letsel, te weten: een longkneuzing met kleine klaplong, een gebroken pols, een hersenschudding en een darmkneuzing werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

t.a.v. feit 2:

op 15 april 2024 te Sint Anthonis, gemeente Land van Cuijk als bestuurder van een voertuig (bestelbus, merk Mercedes-Benz), daarmee rijdende op de weg, de N272, aldaar,

terwijl hij, verdachte, danig onder invloed verkeerde van amfetamine en GHB,

- niet voldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en de veiligheid en de

verkeerssituatie ter plaatse en in onvoldoende mate heeft gelet op en is blijven letten op het

(direct) voor verdachte gelegen weggedeelte van die weg en het zich daarop bevindende

(tegemoetkomende) verkeer en niet het verloop van de weg waarop zijn bestelbus zich

bevond heeft gevolgd en

- de door hem, verdachte, bestuurde bestelbus niet voortdurend onder controle heeft

- in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan

- (gedurende een langere periode) op het gedeelte van de rijbaan dat bestemd is voor

tegemoetkomend verkeer heeft gereden,

waardoor verdachte op die weg met zijn bestelbus tegen een tegemoetkomende personenauto (merk Renault) is gebotst, waarna en waardoor verdachte op die weg met zijn bestelbus in botsing is gekomen met een tegemoetkomende personenauto (merk Volkswagen, bestuurd door [slachtoffer 2] ),

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;

t.a.v. feit 3:

op 15 april 2024 te Sint Anthonis, gemeente Land van Cuijk, een voertuig, te weten een bestelbus (merk Mercedes-Benz), heeft bestuurd na gebruik van in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en GHB,

terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 570 microgram amfetamine per liter bloed en 34 milligram GHB per liter bloed bedroeg, telkens zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1,feit 2 en feit 3 sprake is van één gelijktijdig plaatsvindend feitencomplex waarmee verdachte drie afzonderlijke strafbare feiten heeft gepleegd. Weliswaar is formeel geen sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, maar de rechtbank zal er bij het opleggen van de straf wel rekening mee houden dat het gaat om een samenhangend feitencomplex .

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd:

een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van drie jaren, waarbij de bijzondere voorwaarden dienen te worden opgelegd zoals die zijn geadviseerd door de reclassering in het adviesrapport van 18 juli 2025 betreffende verdachte;

een taakstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis;

een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft (de duur van) de voorwaardelijke gevangenisstraf en de daarbij te stellen voorwaarden.

Aangevoerd is dat verdachte stelt geen amfetamine te hebben gebruikt voorafgaand aan het ongeval en dat dit moet meewegen bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf.

Verzocht is de duur van de op te leggen taakstraf te matigen gelet op de beperkte belastbaarheid van verdachte en daarnaast de eventuele duur van de rijontzegging te beperken en/of deels voorwaardelijk op te leggen. Daarbij is opgemerkt dat verdachte nog langere tijd verwikkeld zal zijn in een procedure bij het CBR voordat hij weer kan beschikken over zijn rijbewijs en daarmee de tenuitvoerlegging van een rijontzegging zal worden opgeschort.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich als bestuurder van een bestelbus schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij een aanrijding met twee andere voertuigen is ontstaan waarbij de bestuurders van de andere voertuigen gewond zijn geraakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval verslaafd was aan het gebruik van GHB en ook de avond voorafgaand aan het ongeval GHB had gebruikt en in de voorafgaande periode dexamfetamine als medicatie gebruikte, terwijl die medicatie niet door een arts was voorgeschreven. Ook heeft hij verklaard dat zijn psychische toestand slecht was ten tijde van het ongeval en dat hij leed aan slaapgebrek.

Desondanks is hij toch in de vroege ochtend als bestuurder van een bestelbus gaan rijden.Verdachte heeft zich door het voorafgaand gebruik van middelen die de rijvaardigheid (kunnen) beïnvloeden, geheel geen rekenschap gegeven van de verantwoordelijkheid die een bestuurder van een motorvoertuig heeft ten opzichte van andere verkeersdeelnemers.

De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De persoon van verdachte.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de inhoud van een reclasseringsadvies van GGZ IrisZorg Adviesunit Arnhem-Nijmegen van 18 juli 2025 betreffende verdachte.

Uit dit rapport blijkt onder meer dat de reclassering concludeert dat bij verdachte sprake is van een delict patroon wat betreft het rijden onder invloed van drugs.Verdachte kampte met problemen op het gebied van financiën, middelengebruik,psychosociaal functioneren en houding, waarvan de laatste drie worden geclassificeerd als delict gerelateerd. De verslavings- en psychische problematiek dienen volgens de reclassering behandeld te worden om het delict gedrag duurzaam te veranderen.

Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld.Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:- een meldplicht bij de reclassering;- ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);- een drugsverbod;

- een alcoholverbod.

Uit een Uittreksel Justitieel Documentatieregister betreffende verdachte blijkt, afgezien van een niet onherroepelijke veroordeling voor rijden onder invloed en een strafbeschikking in 2022 ter zake van onverzekerd rijden, niet van andere soortgelijke veroordelingen voor verkeersdelicten.

De rechtbank neemt ten voordele van verdachte het volgende in aanmerking. Verdachte heeft ter terechtzitting van 10 februari 2026 openheid gegeven over zijn persoonlijke problemen en de wijze waarop hij daarmee omgaat. Hij heeft verklaard geen harddrugs meer te gebruiken en ook geen medicatie, afgezien van slaaptabletten. Hij erkent hulp nodig te hebben in verband met zijn psychische problemen en geeft aan daarvoor een ambulante behandeling te willen volgen.

Ook heeft verdachte zich bij de reclassering en ter terechtzitting schuldbewust getoond en heeft hij verklaard zich zorgen te hebben gemaakt over de toestand van de slachtoffers na het ongeval en spijt te hebben van zijn gedragingen.

Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat het rijbewijs van verdachte al is ingevorderd sinds 10 juni 2024 en er nog een traject bij het CBR moet worden doorlopen voordat verdachte weer over een rijbewijs kan beschikken.

Straffen en bijkomende straf voor het onder feit 1 en 3 bewezenverklaarde.

Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straffen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), en op de straffen die doorgaans worden opgelegd voor overtreding van artikel 6 van de WVW 1994.

De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en het belang van de verkeersveiligheid, de volgende straffen en bijkomende straf passend en geboden:

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3

jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd;

- een taakstraf voor de duur van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis;

- ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18

maanden.

Geen afzonderlijke straf of maatregel voor het onder feit 2 bewezenverklaarde.

De rechtbank acht het raadzaam in verband met de omstandigheden waaronder de overtreding van artikel 5 WVW is begaan, te weten gelijktijdig met de bewezenverklaarde gedragingen van de onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde misdrijven waarvoor verdachte in dit vonnis een straf opgelegd krijgt, dat geen afzonderlijke straf of maatregel voor dit feit zal worden opgelegd.

Met oplegging van de deels voorwaardelijke straffen en de bijzondere voorwaarden wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds beoogd verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering omdat

niet is vast te stellen wat de hoogte van de geleden schade is, onder meer aangezien de bewijstukken thans ontbreken en de benadeelde partij ook niet ter terechtzitting aanwezig was voor het geven van een nadere toelichting. Uit het voegingsformulier is slechts af te leiden dat de benadeelde partij naar eigen zeggen een bedrag van 400,00 euro heeft ontvangen, maar dat hij met dit bedrag geen andere auto kan kopen.

Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 62 van het Wetboek van Strafrecht

6, 8, 175, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder de feiten 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet;

en feit 2:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

en feit 3:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Legt ter zake van het bewezenverklaarde onder feit 1 primair en feit 3 de volgende straffen en bijkomende straf op:

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

3 jaren.

Algemene voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan telefonisch bij Reclassering IrisZorg, Nieuwe Oeverstraat 65, 6811 JB in Arnhem, telefoonnummer 0886061311.

Hierna worden er nadere afspraken gemaakt over de wijze van uitvoering van de meldplichtcontacten. Veroordeelde moet zich vervolgens blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Hij dient zich te houden aan de afspraken en aanwijzingen van Reclassering IrisZorg, ook als dat inhoudt dat hij zijn medewerking moet verlenen aan de uitvoering van huisbezoeken, de methodiek 'Stap voor Stap', SCil, meewerken aan een gedragsinterventie en/of urinecontroles;

2. zich gedurende de proeftijd laat behandelen door IrisZorg verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, dan wel meewerkt aan een andere behandeling die door de reclassering nodig wordt geacht.

De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek.

Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die

de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;

3. gedurende de proeftijd geen drugs (verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet) gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik.

De veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles op dit verbod.

De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

4. gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde(n) genoemd onder nummers 1 tot en met 4 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs

ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het

zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

- een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18

maanden.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter,

mr. A. van der Hilst en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 27 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.H.L.M. Snijders
  • mr. A. van der Hilst
  • mr. A.M.R. van Ginneken

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?