RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.366144.24
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 maart 2025, 23 mei 2025, 19 augustus 2025, 17 november 2025, 22 en 26 januari 2026 en 20 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 januari 2025.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 23 mei 2025 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1 primair:
hij op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk (gemeente Heusden) en/of te ‘s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meer bewoners van de woning gelegen aan [adres] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, - een voorwerp, houdende een explosieve stof, heeft geplaatst en/of aangebracht op, tegen en/of in de nabijheid van de voordeur van voormelde woning en/of - (vervolgens) dit voorwerp, houdende een explosieve stof, tot ontbranding of ontploffing heeft gebracht, ten gevolge waarvan een explosie ontstond (terwijl de bewoners van voornoemde woning in die woning aanwezig waren) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk (gemeente Heusden) en/of te ‘s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere complexe beenbreuken (onder meer een beenamputatie tot gevolg hebbend) heeft toegebracht, door een voorwerp houdende een explosieve stof tot ontploffing te brengen op/tegen de voordeur, althans in de directe nabijheid, van de woning gelegen aan [adres] , waarin die [slachtoffer 1] zich bevond;
Ten aanzien van feit 2:
hij, op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk, gemeente Heusden en/of te ‘s-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een voorwerp houdende een explosieve stof op/tegen de voordeur, althans in de directe nabijheid, van de woning gelegen op/aan [adres] te plaatsen en/of voornoemd voorwerp houdende een explosieve stof tot ontbranding/ontploffing te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of de inboedel en/of zich in nabijheid van die woning bevindende objecten en/of omliggende woningen en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van voornoemde woning en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende personen, te duchten was.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De waardering van het bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 2 (medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing met levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen) en feit 1 primair (medeplegen van poging tot moord).
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht verdachte integraal vrij te spreken van feit 1 (primair en subsidiair) omdat niet kan worden bewezen dat er sprake is van het daarvoor vereiste (voorwaardelijk) opzet op de dood, dan wel op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
Bewijsverweren.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank hierna niet op die verweren zal responderen, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bewijsbijlage zijn opgenomen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.
Feitenvaststelling.
Op basis van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.
Verdachte [verdachte] heeft op 16 november 2024 omstreeks 02.42 uur een explosief met honderd tot enkele honderden grammen flitspoeder tegen de voordeur van de woning aan [adres] te Nieuwkuijk geplaatst en aangestoken. De bewoonster van de woning, [slachtoffer 1] , kwam, gealarmeerd door een sissend en fluitend geluid, naar beneden. Terwijl zij achter de voordeur in de hal stond, kwam het explosief tot ontploffing. Ten gevolge van de ontploffing is zij zeer ernstig gewond geraakt aan haar benen.
In de woning waren naast [slachtoffer 1] ook haar partner [slachtoffer 2] en hun kinderen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] aanwezig. [slachtoffer 2] heeft door de explosie gehoorschade opgelopen. Ook de woning is zwaar beschadigd geraakt ten gevolge van de explosie.
Betrokkenheid van de verdachten.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [medeverdachte 2] de opdracht tot het plaatsen van een explosief bij de woning heeft gegeven aan verdachte [medeverdachte 1] .
Verdachte [medeverdachte 1] heeft de opdracht aangenomen en heeft met verdachte [medeverdachte 2] een voorverkenning gedaan. Verdachte [medeverdachte 2] heeft aan verdachte [medeverdachte 1] drie vergelijkbare explosieven geleverd waarvan er één is gebruikt. Verdachte [medeverdachte 1] zag direct dat dit niet ging om cobra’s, zoals eerder besproken met verdachte [medeverdachte 2] , maar om veel zwaardere explosieven. Verdachte [medeverdachte 1] wilde zelf niet een dergelijk zwaar explosief gebruiken maar heeft vervolgens wel verdachte [verdachte] benaderd met de vraag of hij de opdracht wilde uitvoeren. [verdachte] heeft de opdracht aangenomen.
Verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben vervolgens op 6 november 2024 (nogmaals) een voorverkenning gedaan.
Tijdens deze voorverkenning hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uitgelegd bij welke woning [verdachte] het explosief moest plaatsen. Hierbij is uitdrukkelijk gezegd dat het bij de woning met [huisnummer] moest gebeuren. [medeverdachte 1] heeft de woning ook aan [verdachte] aangewezen.
Verdachte [medeverdachte 2] heeft bepaald op welke dag het explosief zou moeten worden geplaatst. Hij heeft het explosief en handschoenen geregeld en naar de woning van [medeverdachte 1] gebracht. Ook heeft hij 300 euro in contanten en een halve gram cocaïne naar de woning van [medeverdachte 1] gebracht als beloning voor [verdachte] .
Verdachte [verdachte] is in de nacht van 15 op 16 november 2024 naar de woning van verdachte [medeverdachte 1] gegaan waar verdachte [medeverdachte 1] aan hem één van de door verdachte [medeverdachte 2] geleverde explosieven heeft overhandigd. Op aanraden van verdachte [medeverdachte 1] - die daartoe geïnstrueerd was door verdachte [medeverdachte 2] – heeft verdachte [verdachte] zijn telefoon in de woning van verdachte [medeverdachte 1] achtergelaten. Vervolgens is verdachte [verdachte] op de fiets naar [adres] in Nieuwkuijk gegaan. Daar heeft hij het explosief tegen de voordeur geplaatst en tot ontploffing gebracht. Daarna is hij weer teruggefietst naar de woning van verdachte [medeverdachte 1] en heeft daar nog enige tijd verbleven.
In de dagen na het plegen van het delict heeft verdachte [medeverdachte 2] verdachte [medeverdachte 1] geïnstrueerd aan verdachte [verdachte] een andere jas te geven. Verdachte [medeverdachte 1] heeft dit vervolgens gedaan. De jas van verdachte [verdachte] heeft verdachte [medeverdachte 2] meegenomen en weggemaakt. Ook de twee niet gebruikte explosieven die nog bij verdachte [medeverdachte 1] lagen, heeft verdachte [medeverdachte 2] na de aanslag weer opgehaald.
Medeplegen.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen. De samenwerking is daarbij belangrijker dan wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Om tot de conclusie te komen dat er sprake is van medeplegen, moet de verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage hebben geleverd die van voldoende gewicht is. Die bijdrage kan tijdens het delict plaatsvinden, maar ook daarvoor of daarna. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Op grond van de hiervoor weergegeven, door de rechtbank vastgestelde feiten, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten, gericht op het tot ontploffing brengen van een zwaar explosief voor de voordeur van de woning aan [adres] te Nieuwkuijk. Ieder van de verdachten leverde hierbij een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht aan het delict.
Verdachte [verdachte] heeft het explosief geplaatst en tot ontploffing gebracht. Hij heeft daarmee het delict feitelijk begaan.
Verdachte [medeverdachte 2] is de initiator en opdrachtgever en heeft de benodigde spullen en de beloning voor verdachte [verdachte] geregeld. Ook was hij nauw betrokken bij de voorbereiding van het delict en bij het wegmaken van sporen naderhand.
Verdachte [medeverdachte 1] heeft gefungeerd als tussenpersoon en heeft verdachte [verdachte] geregeld voor het daadwerkelijk uitvoeren van de opdracht van verdachte [medeverdachte 2] . Ook verdachte [medeverdachte 1] is intensief bij de voorbereiding van het delict en bij het wegmaken van sporen betrokken geweest.
Bewezenverklaring van feit 2.
De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, wettig en overtuigend bewezen.
Op grond van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat het handelen van de verdachten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen heeft veroorzaakt. Dit gevaar heeft zich in dit geval ook verwezenlijkt. Bewoonster [slachtoffer 1] is zwaargewond geraakt en er is aanzienlijke schade toegebracht aan de woning.
Bewezenverklaring feit 1 primair.
De rechtbank acht ook het ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord op de bewoners van de woning aan [adres] te Nieuwkuijk wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Opzet op de dood.
Voor een bewezenverklaring van poging tot moord/doodslag is vereist dat de dader opzet heeft gehad op het gevolg, namelijk de dood van één of meer personen, conform de tenlastelegging de bewoners van [adres] te Nieuwkuijk.
Niet bewezen kan worden dat het daadwerkelijk de bedoeling was van een van de verdachten om de bewoners van [adres] te Nieuwkuijk van het leven te beroven. Daarvoor bevat het dossier geen bewijs. Van boos opzet is dus geen sprake. Echter, opzet omvat ook het zogenaamde ‘voorwaardelijk opzet’.
Juridisch kader voorwaardelijk opzet.
Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer het handelen van de verdachten een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg – in dit geval de dood van een of meer bewoners van de woning – teweeg heeft gebracht, verdachten zich bewust waren van die aanmerkelijke kans en die kans ook hebben aanvaard.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt vooral betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze gedraging is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daaronder dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. dat het gevolg zal intreden.
Voor de vraag of er sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard. Echter, bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Aanmerkelijke kans.
Vaststaat dat de explosie ontzettend krachtig is geweest en met een grote drukgolf gepaard is gegaan. Het explosief is tegen de voordeur van de woning geplaatst hetgeen een immens risico veroorzaakte voor een ieder die zich in de nabijheid van die deur zou bevinden.
Dat de explosie een verwoestend effect heeft gehad, blijkt uit de ontstane schade aan de woning en het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel. Een stuk hout uit de voordeur is met enorme kracht door de hal gevlogen en dwars door de toiletdeur gegaan.
Gelet op het rapport explosievenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut, heeft de constructie honderd tot enkele honderden grammen flitspoeder bevat en was daarmee veel krachtiger dan bijvoorbeeld een Cobra 6. De in het explosief aanwezige fluitsas diende als effect- en voorlading en de op de camerabeelden waar te nemen fluittoon was na ontsteking duidelijk hoorbaar gedurende ongeveer 16 seconden.
Op het moment van de explosie waren vier mensen in de woning aanwezig. De kans dat één of meer van hen, gealarmeerd door de duidelijk hoorbare fluittoon en het licht dat zichtbaar was na het aansteken van de lont, poolshoogte zouden gaan nemen en zich naar de plek waar het geluid en het licht vandaan kwam, zouden begeven, is aanzienlijk.
In de gegeven omstandigheden was daarom naar het oordeel van de rechtbank sprake van een reële en niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat door het tegen de voordeur plaatsen en aansteken van dit specifieke explosief één of meer van de bewoners van de woning zouden komen te overlijden ten gevolge van de impact van de daarop volgende explosie.
Wetenschap en aanvaarding van de aanmerkelijke kans.
Alle drie de verdachten hebben het gebruikte explosief gedurende langere tijd onder zich gehad en hebben dus heel duidelijk kunnen zien hoe het eruitzag en welke afmetingen het had. Verder hebben verdachten kunnen voelen welk gewicht het had.
Verdachte [medeverdachte 2] heeft het explosief geleverd zodat hij geacht wordt bekend te zijn met de kracht en de werking ervan.
Voor verdachte [medeverdachte 1] was het blijkens zijn eigen verklaring ook direct duidelijk dat het een zeer zwaar explosief was en in de verste verte geen Cobra.
Hij wist wat voor gevolgen het kon hebben wanneer zo’n explosief ontploft. Hij heeft zijn handen om die reden van de uitvoering afgetrokken.
Ook verdachte [verdachte] heeft, ondanks zijn beperkte intellectuele vermogens, naar het oordeel van de rechtbank beseft dat hij met een zwaar explosief te maken had. Hij heeft het zelf beschreven als een klein model schoenendoos met een lange lont van 10 tot 15 centimeter eraan. Dit is zo afwijkend van de uiterlijke kenmerken van normaal vuurwerk, ook de zwaardere varianten zoals cobra’s, dat verdachte [verdachte] moet hebben geweten dat hij met een zwaar explosief te maken had.
Dat verdachten de aanmerkelijke kans op de dood van de bewoners van de woning bewust hebben aanvaard blijkt naar het oordeel van de rechtbank vooral uit het feit dat alle drie de verdachten, wetende dat zij te maken hadden met een zwaar en verwoestend explosief, er ieder voor zich bewust voor hebben gekozen om het plan door te zetten en het explosief bij de woning te plaatsen / te laten plaatsen zonder enige voorzorgsmaatregel te nemen om potentieel dodelijk letsel voor de bewoners te voorkomen.
Verdachte [verdachte] heeft het explosief geplaatst en aangestoken en heeft ervoor gekozen om het direct tegen de voordeur aan te zetten. Hij had het explosief ook verder weg kunnen leggen, maar heeft dat niet gedaan. Verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben verdachte [verdachte] , een verstandelijk beperkte, kwetsbare en beïnvloedbare man, op pad gestuurd met een levensgevaarlijk explosief zonder enige verdere uitleg over of toezicht op de uitvoering. Niemand heeft voorafgaand aan of ten tijde van het plaatsen van het explosief gecontroleerd of er mensen in de woning aanwezig zouden zijn op het moment dat het explosief zou afgaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een volstrekt onverschillige houding van de verdachten ten aanzien van de gevolgen van hun handelen.
Conclusie:
Alle verdachten hadden voorwaardelijk opzet op de dood van de bewoners van de woning aan [adres] in Nieuwkuijk.
Voorbedachte raad. Het handelen van verdachten was georganiseerd en planmatig.Er is sprake van een behoorlijk tijdsverloop tussen het geven en bespreken van de opdracht en de uitvoering daarvan.
Op 6 november 2024 heeft een voorverkenning door verdachten plaatsgevonden. Ieder van de verdachten heeft meer dan voldoende gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad. Er was voor elk van de verdachten ook voldoende tijd en gelegenheid om zich terug te trekken. De verdachten zijn echter doorgegaan met hun gezamenlijke plan en hebben dat op 16 november 2024 ten uitvoer gelegd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de ten laste gelegde voorbedachte raad wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring van feit 1 primair
Het voorgaande maakt dat het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard.
Samenloop.
Er is sprake van eendaadse samenloop tussen feit 1 primair en feit 2. Verdachten hebben één strafbaar feit gepleegd waarop in dit geval twee strafbepalingen uit het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn. Bij het bepalen van de straf zal de rechtbank, gelet op artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, de strafbepaling met de zwaarste strafbedreiging toepassen. Dat is in dit geval artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (moord).
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen en hetgeen daarover is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1 primair:
op 16 november 2024 te Nieuwkuijk, gemeente Heusden, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een of meer bewoners van de woning gelegen aan [adres] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, - een voorwerp, houdende een explosieve stof, heeft geplaatst tegen de voordeur van voormelde woning en - vervolgens dit voorwerp, houdende een explosieve stof, tot ontbranding en ontploffing heeft gebracht, ten gevolge waarvan een explosie ontstond (terwijl de bewoners van voornoemde woning in die woning aanwezig waren), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 2:
op 16 november 2024 te Nieuwkuijk, gemeente Heusden, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een voorwerp, houdende een explosieve stof, tegen de voordeur van de woning gelegen aan [adres] te plaatsen en voornoemd voorwerp, houdende een explosieve stof, tot ontbranding/ontploffing te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en de inboedel en zich in nabijheid van die woning bevindende objecten en - levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van voornoemde woning te duchten was.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte (geheel) uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen:
- een gevangenisstraf van acht jaar met aftrek van voorarrest;
- de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;
- de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
- de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht in de vorm van een gebiedsverbod voor [adres] met een straal van 500 meter (met uitzondering van de A59) en daarbij te bepalen dat er op iedere overtreding twee weken hechtenis staat, met een maximum van zes maanden, voor de duur van vijf jaar.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht rekening te houden met de adviezen van de Pro Justitia-rapporteurs en de reclassering. Verdachte wordt door de deskundigen verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Verdachte is gebaat bij psychische hulp. De vraag is in welk kader deze hulp geboden moet worden. De verdediging heeft verzocht aan verdachte geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. De raadsvrouw verzoekt om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van ten hoogste vier jaar. Een deel van deze straf kan voorwaardelijk worden opgelegd, waarbij bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld. Bij een langere gevangenisstraf kunnen te zijner tijd bijzondere voorwaarden worden opgelegd in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling.Daarnaast kan aan verdachte de maatregel van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd. Indien de rechtbank een tbs-maatregel toch noodzakelijk acht, pleit de raadsvrouw voor een tbs met voorwaarden in plaats van een tbs met dwangverpleging.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemeen.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een aanslag op een woning. Verdachte [medeverdachte 2] heeft verdachte [medeverdachte 1] de opdracht gegeven om een zwaar explosief bij de woning te laten ontploffen. [medeverdachte 1] heeft geweigerd dit zelf te doen maar heeft wel verdachte [verdachte] hiervoor geregeld. [verdachte] heeft de opdracht vervolgens uitgevoerd tegen een vergoeding van 300 euro en een halve gram cocaïne.
De aanslag heeft zeer ernstige gevolgen gehad voor de bewoners van [adres] in Nieuwkuijk. Het leven van het gezin, bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter, is letterlijk in één klap drastisch veranderd en totaal op zijn kop gezet.
[slachtoffer 1] (moeder) is zwaargewond geraakt ten gevolge van de ontploffing. Zij heeft zeer zwaar beenletsel opgelopen. Zij zal hierdoor levenslang ernstig beperkt blijven in haar mobiliteit. Haar verwondingen waren levensbedreigend en zij heeft doodsangsten uitgestaan.Ze heeft het aan het adequate handelen van haar gezin en het professionele optreden van de hulpverleners te danken dat ze het incident heeft overleefd.
[slachtoffer 2] (vader) heeft zijn vrouw zwaargewond aangetroffen en vreesde dat zij het niet zou overleven. [slachtoffer 2] heeft gehoorschade opgelopen en kampt tot op de dag van vandaag met tinnitusklachten.
Ook de kinderen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , beiden jonge tieners, hebben hun moeder zeer zwaar gewond in de hal van de woning zien liggen en vreesden dat zij dood zou gaan.
Het hele gezin is door de explosie en de gevolgen daarvan in een nachtmerrie beland. Naast het fysieke letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , hebben alle gezinsleden te kampen met ernstige psychische klachten. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden allebei al vele jaren een goede en stabiele baan. Zij zijn allebei arbeidsongeschikt geraakt en tot op heden niet in staat om weer aan het arbeidsproces deel te nemen.
Rol van verdachte.
Verdachte heeft dit zeer ernstige delict feitelijk uitgevoerd. Hij is degene geweest die het explosief heeft laten ontploffen bij de woning van de familie [familienaam 1] met alle gevolgen van dien. Het motief van verdachte was snel en gemakkelijk geld verdienen. Verdachte heeft hierbij op geen enkele wijze rekening gehouden met de belangen van anderen. Verdachte heeft zich door anderen laten gebruiken voor deze laffe daad. Hij was niet de initiatiefnemer en uit het persoonlijkheidsonderzoek komt naar voren dat verdachte een zeer kwetsbare, beperkte en beïnvloedbare man is die zonder veel moeite door de medeverdachten voor hun karretje is gespannen om het vuile werk op te knappen. Met het verschil in rol en positie ten opzichte van die van de medeverdachten zal bij de strafoplegging rekening worden gehouden.
Motief.
Ondanks uitgebreid politieonderzoek is het achterliggende motief van verdachte [medeverdachte 2] niet duidelijk geworden. Verdachte [medeverdachte 2] heeft zijn betrokkenheid bij het feit tot op de dag van vandaag ontkend en daarmee ook geen inzicht gegeven in zijn drijfveren en motieven. Verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verklaard dat het ‘om een waarschuwing’ zou gaan. Wie er gewaarschuwd moest worden en waarom kunnen zij niet vertellen. Daar heeft verdachte [medeverdachte 2] tegen hen niets over gezegd.
Op basis van het onderzoek is geen enkel verband vastgesteld tussen verdachte [medeverdachte 2] enerzijds en de familie [familienaam 1] anderzijds. Wel is vastgesteld dat [betrokkene 1] , de buurjongen van de familie [familienaam 1] , wonend op nummer 1, een relatie heeft met de ex-vriendin van verdachte [medeverdachte 2] . Verder is uit het onderzoek gebleken dat verdachte [medeverdachte 2] en zijn ex-vriendin al jarenlang in een (juridische) strijd zijn verwikkeld rond de omgang van [medeverdachte 2] met hun gezamenlijke dochtertje [betrokkene 2] .
Deze problematiek zou de achtergrond kunnen zijn van de gepleegde aanslag, maar daarvoor is geen bewijs. Er is in dit verband ook onderzoek gedaan naar het scenario dat sprake is geweest van een vergissing. Het explosief zou bestemd zijn geweest voor de woning van de familie [familienaam 2] , maar door de ligging van de woning hebben de daders zich vergist en is het explosief bij de woning van de buren geplaatst. Ook dit scenario kan op basis van het dossier niet worden bewezen.
Zolang verdachte [medeverdachte 2] geen openheid van zaken geeft, blijft de familie [familienaam 1] achter met de vraag waarom juist zij het slachtoffer zijn geworden van deze explosie.
Houding van verdachte.
Verdachte heeft, na een gesprek met zijn oma, waarin zij hem confronteert met zijn daad, de vreselijke gevolgen voor de slachtoffers en het risico dat er nog meer slachtoffers kunnen vallen als de opdrachtgevers niet worden gepakt, open kaart gespeeld tegenover de politie door de namen van de mededaders te noemen en te vertellen waaruit hun betrokkenheid bestond. Ook over zijn eigen rol heeft verdachte uitgebreid verklaard.
Maatschappelijke impact.
Het gepleegde feit heeft, mede gelet op de zeer ernstige gevolgen voor de slachtoffers, geleid tot gevoelens van woede, angst en onrust in de maatschappij.
Deze zaak kan worden beschouwd als één van de treurige dieptepunten in de maatschappelijke trend van de laatste jaren, waarbij mensen in het kader van allerlei uiteenlopende conflicten zware explosieven laten ontploffen in of bij woningen.
Persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages
Verdachte is psychiatrisch en psychologisch onderzocht. Op 3 maart 2025 heeft psychiater prof. dr. D.J. Vinkers gerapporteerd dat verdachte zwakbegaafd is, er sprake is van polymiddelenmisbruik en hij lijdende is aan een andere gespecificeerde schizofreniespectrumstoornis- of andere psychotische stoornis, hetgeen ook zo was ten tijde van het ten laste gelegde en hetgeen zijn gedrag op dat moment heeft beïnvloed. Verdachte is door zijn zwakbegaafdheid en zijn psychotische stoornis beïnvloedbaar en niet goed in staat om rationele beslissingen te nemen. Zijn jarenlange forseharddrugsgebruik heeft zijn gewetensvorming verder ondermijnd. Hij is maar beperkt instaat om zich een rationeel en onderbouwd oordeel te vormen over de gevaren van het plaatsen van een explosief. Geadviseerd wordt om het bewezen verklaarde in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het risico op recidive van grensoverschrijdend, gevaarlijk gedrag is matig tot hoog. Geadviseerd wordt om verdachte een verplichte behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel op te leggen bij een forensische polikliniek. Hierbij kan aandacht worden besteed aan het gebruik van medicatie, abstinentie van middelen, een structurele daginvulling (werk), emotieregulatie en het vermijden van antisociale contacten. Detentie is voor verdachte waarschijnlijk afschrikwekkend genoeg om als “stok achter de deur” te fungeren. De reclassering zou toezicht op deze behandeling kunnen houden. Voor een tbs-maatregel wordt geen indicatie gezien. Betrokkene is weliswaar fors beperkt in zijn functioneren, maar dat is zijn hele leven al het geval. Hij is met name beïnvloedbaar door de negatieve invloed van anderen. Als hij zich onttrekt aan behandeling of toezicht is hij kwetsbaar voor anderen. Door middel van een behandeling en een toezicht door de reclassering is het risico op recidive voldoende beperkt.
Klinisch psycholoog P. Fleurkens heeft op 14 maart 2025 gerapporteerd en komt tot vergelijkbare conclusies als de psychiater met betrekking tot de bij verdachte aanwezige stoornissen, de toerekening, het recidiverisico en het interventie-advies.
Begeleiding en behandeling kunnen plaatsvinden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Vanuit gedragskundig oogpunt heeft een tbs-maatregel niet de voorkeur. Dit zou echter wel een optie zijn als de strafmaat het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel niet toelaat.
De reclassering van Novadic-Kentron heeft op 10 juni 2025 een (maatregel)rapport uitgebracht en de (on)mogelijkheden van tbs met voorwaarden in kaart gebracht. Zij schat de kans op (gewelds)recidive hoog in wanneer verdachte weer middelen gaat gebruiken en hij wordt benaderd voor illegale praktijken als er een (geldelijke) beloning voor hem in het verschiet ligt. Met een zekere terughoudendheid ziet de reclassering mogelijkheden voor een toezicht in het kader van tbs met voorwaarden.
Bij een veroordeling tot tbs of een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, wordt geadviseerd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM, artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs of gevangenisstraf, indien nodig. Evident is dat verdachte lijdt aan chronisch psychiatrische problematiek, aan verslavingen, dat hij niet medicatietrouw is, dat hij functioneert op zwakbegaafd niveau, dat hij geen ziektebesef heeft, hij geen noodzaak ziet voor behandeling en begeleiding, hij geneigd is zich terug te trekken van begeleiding en er sprake is van een ernstig strafbaar feit met ernstige gevolgen.
De straf.
Gelet op de ernst van het gepleegde delict is enkel een langdurige gevangenisstraf passend.
De rechtbank zal aan verdachte een minder lange gevangenisstraf opleggen dan aan de medeverdachten. Zij is namelijk met de deskundigen van oordeel dat het feit in verminderd mate aan verdachte kan worden toegerekend. Verder weegt de rechtbank de hierboven beschreven rol en positie van verdachte ten opzichte van die van zijn medeverdachten mee bij de strafoplegging.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 8 jaar met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Geen tbs-maatregel.
Door de officier van justitie is verzocht om de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. De rechtbank volgt de eis op dit punt niet en overweegt daartoe als volgt.
Beide gedragsdeskundigen achten oplegging van een tbs-maatregel vanuit gedragskundig oogpunt niet aangewezen. Behandeling en begeleiding, die noodzakelijk zijn om de kans op herhaling van ernstige delicten tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen, kunnen volgens hen ook binnen een minder ingrijpend kader plaatsvinden.
De rechtbank sluit zich bij dit standpunt aan en zal dan ook geen tbs-maatregel opleggen.
Maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
In het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen noodzakelijk geachte voorwaarden voor behandeling en begeleiding van verdachte worden opgelegd. Gelet op de rapportages van de gedragsdeskundigen en re reclassering ligt het echter in de lijn der verwachting dat verdachte ook na afloop van de hieraan verbonden proeftijd nog langdurig begeleiding, toezicht en behandeling nodig zal hebben.
Om die reden zal de rechtbank aan verdachte ook de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (GVM) opleggen.
Geen maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
Door de officier van justitie is ook verzocht de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Omdat een dergelijke maatregel direct ingaat en voor maximaal vijf jaar kan worden opgelegd, ziet de rechtbank – gelet op de op te leggen langdurige gevangenisstraf – geen aanleiding tot oplegging van de maatregel.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de toewijzing van de door familie [familienaam 1] ingediende vordering(en).
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft de navolgende schadeposten betwist. Ten aanzien van de overige posten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Materiële schadevergoeding aangeefster [slachtoffer 1] .
Aanbouw van de woning
De verdediging heeft verzocht de post af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. De verdediging stelt zich op het standpunt dat op basis van de vordering benadeelde partij onvoldoende duidelijk is hoe de gevorderde kosten voor de aanbouw voor een bedrag van
€ 15.326,27 zich verhouden tot de WMO-financiering.
Boot – liggeld
De verdediging heeft verzocht de post af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Daarbij gaat het om een bedrag van in totaal € 1.112,36. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de gevorderde kosten al gemaakt zouden worden door de benadeelde partij, ongeacht de gebeurtenis van 16 november 2024. Daarbij ontbreekt dus het causaal verband tussen de tenlastegelegde feiten en de gevorderde schadepost.
Persoonlijke benodigdheden
De verdediging heeft verzocht de gevorderde schade van de kledingstukken waar de benadeelde partij afscheid van heeft genomen, af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren omdat de post onvoldoende is onderbouwd. De aankoopbonnen van de kledingstukken en schoenen missen en bovendien kan niet worden vastgesteld wat de waarde van de kledingstukken is. Er is evenmin sprake van schade aan de kledingstukken.
Vervoer
De verdediging heeft verzocht de gevorderde kosten voor de autobelasting en autoverzekering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Het causaal verband tussen deze kosten en het ten laste gelegde ontbreekt. Deze kosten waren immers ook gemaakt indien de explosie niet had plaatsgevonden.
Wasvergoeding
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is onderbouwd waarom de kosten voor het doen van de was gemaakt zijn en wat het causaal verband is tussen de gevorderde post en het ten laste gelegde. De gevorderde schadevergoeding dient afgewezen te worden, dan wel niet-ontvankelijk verklaard te worden.
Achtertuin
De verdediging heeft verzocht de gevorderde schadevergoeding voor het plaatsen van het dompelbad af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het causaal verband tussen het plaatsen van het dompelbad en het ten laste gelegde ontbreekt.
WMO-kosten aanbouw
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het primaire verzoek afgewezen dient te worden, dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. De wetswijziging is immers geen gegeven en er kan niet met zekerheid vast worden gesteld dat de verhoging van de eigen bijdrage daadwerkelijk plaats zal vinden. Ten aanzien van het subsidiair gevorderde bedrag heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Immateriële schadevergoeding aangeefster [slachtoffer 1] .
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van de benadeelde partij heeft de verdediging verzocht de post te matigen.
Immateriële schadevergoeding ten aanzien van het letsel aan de benen
Verzocht is de schadeposten te matigen. Het schadebedrag voor zowel het linker- als het rechterbeen is aan de bovengrens van de Rotterdamse schaal vastgesteld. De onderbouwing waarom er voor de bovengrens is gekomen, ontbreekt.
Opslag 25%
Primair is verzocht de opslag van 25% af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair deze te matigen. Aangevoerd is dat verdachte op geen moment opzet heeft gehad op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast kan op basis van het procesdossier en de verklaringen van verdachte niet bewezen worden dat hij weet had van de zwaarte van het explosief, laat staan wat voor een schade dit zou kunnen opleveren.
PTSS
Ten aanzien van de verhoging van 25% is verzocht deze af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor de PTSS is eveneens verzocht deze af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Hoewel de lichamelijke en psychische schade feitelijk tegelijk kunnen bestaan, kunnen deze niet tot een aparte immateriële schadevergoeding leiden. Dit zou immers leiden tot een dubbele vergoeding voor dezelfde rechtsfiguur.
Het staat vast dat aangeefster PTSS heeft opgelopen, echter is het voor de verdediging onvoldoende onderbouwd hoe de immateriële schadevergoeding zich verhoudt tot de gevorderde immateriële schadevergoeding voor het letsel aan de benen. Het is een onevenredige belasting van het strafproces om deze twee posten van elkaar te onderscheiden en te duiden.
Materiële schadevergoeding [slachtoffer 2] .
Verlies arbeidsvermogen
De verdediging heeft verzocht de gevorderde toekomstige schade van € 300.000,- euro af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Dit bedrag berust op een berekening van aangever zelf, maar is verder onvoldoende onderbouwd noch concreet gemaakt door aanvullende stukken.
Immateriële schadevergoeding [slachtoffer 2] .
Tinnitus en opslag
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding voor de tinnitus inclusief 25% opslag heeft de verdediging verzocht deze vordering te matigen, en de verhoging van 25% af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Zoals uit de vordering benadeelde partij naar voren komt wordt voor de hoogte van het gevorderde bedrag wederom verwezen naar de Rotterdamse schaal. De benadeelde partij heeft hierbij echter onvoldoende onderbouwd waarom het gevorderde bedrag aan de bovengrens van de Rotterdamse schaal zit. Bovendien komt uit de aanvullende stukken, ontvangen op 21 januari jl. naar voren dat de verwachting is dat tinnituslast verder zal verminderen.
PTSS
Wat betreft de betwisting van de gevorderde schade voor de opgelopen PTSS heeft de verdediging verwezen naar hetgeen zij heeft aangevoerd bij de schadepost PTSS van [slachtoffer 1] , ook ten aanzien van de opslag van 25%. Verzocht is om deze reden de post af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.
Immateriële schadevergoeding [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .
Verzocht is de opslag wegens PTSS af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van de andere posten is verzocht deze posten af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel te matigen. Het is voor de verdediging onvoldoende duidelijk hoe deze posten zich tot elkaar verhouden, nu zij alle samenhangen met de psychische gevolgen van hetgeen dat gebeurd is op 16 november 2024. Om per post specifiek uit te zoeken welk schadebedrag het meest passend is, zal een onevenredige belasting van het strafproces opleveren.
Beoordeling.
De beslissing van de rechtbank ten aanzien van elk onderdeel van de vorderingen is in de onderstaande tabel weergegeven. Voor wat betreft de grondslag voor de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Wat betreft de toegewezen vorderingen zal de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 (materieel – datum indienen vordering) en 16 november 2024 (immaterieel – datum bewezen verklaarde feiten) worden toegewezen. Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht telkens passend en geboden geacht.
Niet-ontvankelijkverklaring.
Voor zover de rechtbank een van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaart in (een gedeelte van) een onderdeel van de vordering, kan de benadeelde partij deze onderdelen van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskosten.
De rechtbank zal verdachte voorts telkens veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Hoofdelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.
Betalingsverplichting.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Inhoudelijk oordeel van de rechtbank over de gevorderde bedragen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 38z, 45, 47, 55, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Bewezenverklaring.
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Strafbaarheid.
- verklaart dat het bewezen verklaarde strafbaar is en de volgende misdrijven oplevert:
Ten aanzien van feit 1 primair:
medeplegen van poging tot moord,
in eendaadse samenloop gepleegd met
Ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Strafoplegging.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2:
een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;
een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Sr).
Benadeelde partijen.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2:
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1], van een bedrag van 323.861,36 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 123.861,36 euro materiële schade en 200.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 323.861,36 euro, bestaande uit 123.861,36 euro materiële schade en 200.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2:
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2], van een bedrag van 62.771,37 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 264 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 5.271,37 euro materiële schade en 57.500,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 62.771,37 euro, bestaande uit 5.271,37 euro materiële schade en 57.500,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2:
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3], van een bedrag van 42.500,00 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 200 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 42.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2:
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4], van een bedrag van 42.500,00 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 200 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]:
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van 42.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. E.C.L. Pechaczek en mr. S.H. Schepers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,
en is uitgesproken op 3 maart 2026.