ECLI:NL:RBOBR:2026:1237

ECLI:NL:RBOBR:2026:1237

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer 01/399884/24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een aanslag op een woning waarbij de bewoonster haar benen kwijt is geraakt. Hij heeft de opdracht de aanslag te plegen doorgeschoven naar zijn medeverdachte en wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren. Ook moet hij de leden van het getroffen gezin een schadevergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.399884.24

Datum uitspraak: 3 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1968] ,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te: [plaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 maart 2025, 23 mei 2025, 19 augustus 2025, 4 september 2025, 17 november 2025, 22 en 26 januari 2026 en 20 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 januari 2025.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 23 mei 2025 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van feit 1 primair:hij op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk (gemeenteHeusden) en/of te ‘s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)voorgenomen misdrijf omeen of meer bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven teberoven,- een voorwerp, houdende een explosieve stof, heeft geplaatst en/ofaangebracht en/of laten plaatsen of aanbrengen op, tegen en/of in denabijheid van de voordeur van voormelde woning en/of- (vervolgens) dit voorwerp, houdende een explosieve stof, totontbranding of ontploffing heeft gebracht en/of laten brengen,ten gevolge waarvan een explosie ontstond (terwijl de bewoners vanvoornoemde woning in die woning aanwezig waren)terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 1 subsidiair: [medeverdachte 1] op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk (gemeenteHeusden), in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s)voorgenomen misdrijf omeen of meer bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven teberoven,- een voorwerp, houdende een explosieve stof, heeft geplaatst en/ofaangebracht en/of laten plaatsen of aanbrengenop, tegen en/of in denabijheid van de voordeur van voormelde woning en/of- (vervolgens) dit voorwerp, houdende een explosieve stof, totontbranding of ontploffing heeft gebracht en/of laten brengenten gevolge waarvan een explosie ontstond (terwijl de bewoners vanvoornoemde woning in die woning aanwezig waren)terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooidwelk hiervoor omschreven feit verdachte,in of omstreeks de periode van 18 oktober 2024 tot en met 16 november2024 te ’s-Hertogenbosch en/of Nieuwkuijk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk heeft/hebben uitgelokt door giften en/of beloften en/ofmisbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleidingen/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/ofinlichtingen,namelijk door- die [medeverdachte 1] te benaderen en/of aan die [medeverdachte 1] een hoeveelheidgeld in het vooruitzicht te stellen en/of te betalen voor het uitvoeren vanvoornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of- met die [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen afspraken te maken overde locatie en/of tijdstippen voor voornoemde brandstichting en/ofontploffing en/of- met die [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen een of meervoorverkenningen van/nabij de woning gelegen aan de[adres 2] te Nieuwkuijk te verrichten en/of- aan die [medeverdachte 1] een voorwerp houdende een explosieve stof en/ofhandschoenen te verstrekken;

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair: hij op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk (gemeenteHeusden) en/of te ‘s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,aan [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten radezwaar lichamelijk letsel,te weten meerdere complexe beenbreuken (onder meer eenbeenamputatie tot gevolg hebbend) heeft toegebracht, door eenvoorwerp houdende een explosieve stof tot ontploffing te (laten)brengen op/tegen de voordeur, althans in de directe nabijheid, van dewoning gelegen op/aan de [adres 2] , waarin die [slachtoffer 1] zichbevond;

T.a.v. feit 1 meest subsidiair:[medeverdachte 1] op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk (gemeenteHeusden) in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,aan [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten radezwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere complexe beenbreuken(onder meer een beenamputatie tot gevolg hebbend) heeft toegebracht,door een voorwerp houdende een explosieve stof tot ontploffing te(laten) brengen op/tegen de voordeur, althans in de directe nabijheid,van de woning gelegen op/aan de [adres 2] , waarin die[slachtoffer 1] zich bevond;welk hiervoor omschreven feit verdachte,in of omstreeks de periode van 18 oktober 2024 tot en met 16 november2024 te ’s-Hertogenbosch en/of Nieuwkuijk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk heeft/hebben uitgelokt door giften en/of beloften en/ofmisbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleidingen/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/ofinlichtingennamelijk door- die [medeverdachte 1] te benaderen en/of aan die [medeverdachte 1] een hoeveelheidgeld in het vooruitzicht te stellen en/of te betalen voor het uitvoeren vanvoornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of- met die [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen afspraken te maken overde locatie en/of tijdstippen voor voornoemde brandstichting en/ofontploffing en/of- met die [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen een of meervoorverkenningen van/nabij de woning gelegen aan de[adres 2] te Nieuwkuijk te verrichten en/of- aan die [medeverdachte 1] een voorwerp houdende een explosieve stof en/ofhandschoenen te verstrekken;

Ten aanzien van feit 2 primair: hij, op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk, gemeenteHeusden en/of te ‘s-Hertogenbosch, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht dooreen voorwerp houdende een explosieve stof op/tegen de voordeur,althans in de directe nabijheid, van de woning gelegen op/aan de[adres 2] te (laten) plaatsen en/ofvoornoemd voorwerp houdende een explosieve stof totontbranding/ontploffing te (laten) brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of deinboedel en/of zich in nabijheid van die woning bevindende objectenen/of omliggende woningen en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander,te weten de bewoners van voornoemde woning en/of zich in denabijheid van die woning bevindende personen,te duchten was;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair: [medeverdachte 1] op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk, gemeenteHeusden , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ofmeer anderen, althans alleen,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht dooreen voorwerp houdende een explosieve stof op/tegen de voordeur,althans in de directe nabijheid, van de woning gelegen op/aan de[adres 2] te plaatsen en/ofvoornoemd voorwerp houdende een explosieve stof totontbranding/ontploffing te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of deinboedel en/of zich in nabijheid van die woning bevindende objectenen/of omliggende woningen en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander,te weten de bewoners van voornoemde woning en/of zich in denabijheid van die woning bevindende personen,te duchten waswelk hiervoor omschreven feit verdachte,in of omstreeks de periode van 18 oktober 2024 tot en met 16 november2024 te ’s-Hertogenbosch en/of Nieuwkuijk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk heeft/hebben uitgelokt door giften en/of beloften en/ofmisbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleidingen/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/ofinlichtingennamelijk door- die [medeverdachte 1] te benaderen en/of aan die [medeverdachte 1] een hoeveelheidgeld in het vooruitzicht te stellen en/of te betalen voor het uitvoeren vanvoornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of- met die [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen afspraken te maken overde locatie en/of tijdstippen voor voornoemde brandstichting en/ofontploffing en/of- met die [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen een of meervoorverkenningen van/nabij de woning gelegen aan de[adres 2] te Nieuwkuijk te verrichten en/of- aan die [medeverdachte 1] een voorwerp houdende een explosieve stof en/ofhandschoenen te verstrekken.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De waardering van het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 2 primair (medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing met levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen) en feit 1 primair (medeplegen van poging tot moord).

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht verdachte integraal vrij te spreken van feit 1 omdat opzet niet kan worden bewezen. Er was geen sprake van een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel en verdachte heeft de kans op dergelijke gevolgen ook niet aanvaard.

Ook voor feit 2 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit.

Een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, nodig voor het bewijs van medeplegen, is niet komen vast te staan. Ook kan het handelen van verdachte niet worden gekwalificeerd als strafbare uitlokking.

Mocht de rechtbank voorgaande verweren passeren, dan wordt verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het te duchten levensgevaar.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.

Bewijsverweren.

Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank hierna niet op die verweren zal responderen, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bewijsbijlage zijn opgenomen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.

Feitenvaststelling.

Op basis van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

Verdachte [medeverdachte 1] heeft op 16 november 2024 omstreeks 02.42 uur een explosief met honderd tot enkele honderden grammen flitspoeder tegen de voordeur van de woning aan de [adres 2] te Nieuwkuijk geplaatst en aangestoken. De bewoonster van de woning, [slachtoffer 1] , kwam, gealarmeerd door een sissend en fluitend geluid, naar beneden. Terwijl zij achter de voordeur in de hal stond, kwam het explosief tot ontploffing. Ten gevolge van de ontploffing is zij zeer ernstig gewond geraakt aan haar benen.

In de woning waren naast [slachtoffer 1] ook haar partner [slachtoffer 2] en hun kinderen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] aanwezig. [slachtoffer 2] heeft door de explosie gehoorschade opgelopen. Ook de woning is zwaar beschadigd geraakt ten gevolge van de explosie.

Betrokkenheid van de verdachten.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [medeverdachte 2] de opdracht tot het plaatsen van een explosief bij de woning heeft gegeven aan verdachte [verdachte] .

Verdachte [verdachte] heeft de opdracht aangenomen en heeft met verdachte [medeverdachte 2] een voorverkenning gedaan. Verdachte [medeverdachte 2] heeft aan verdachte [verdachte] drie vergelijkbare explosieven geleverd waarvan er één is gebruikt. Verdachte [verdachte] zag direct dat dit niet ging om cobra’s, zoals eerder besproken met verdachte [medeverdachte 2] , maar om veel zwaardere explosieven. Verdachte [verdachte] wilde zelf niet een dergelijk zwaar explosief gebruiken maar heeft vervolgens wel verdachte [medeverdachte 1] benaderd met de vraag of hij de opdracht wilde uitvoeren. [medeverdachte 1] heeft de opdracht aangenomen.

Verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben vervolgens op 6 november 2024 (nogmaals) een voorverkenning gedaan.

Tijdens deze voorverkenning hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] uitgelegd bij welke woning [medeverdachte 1] het explosief moest plaatsen. Hierbij is uitdrukkelijk gezegd dat het bij de woning met huisnummer [adres 1] moest gebeuren. [verdachte] heeft de woning ook aan [medeverdachte 1] aangewezen.

Verdachte [medeverdachte 2] heeft bepaald op welke dag het explosief zou moeten worden geplaatst. Hij heeft het explosief en handschoenen geregeld en naar de woning van [verdachte] gebracht. Ook heeft hij 300 euro in contanten en een halve gram cocaïne naar de woning van [verdachte] gebracht als beloning voor [medeverdachte 1] .

Verdachte [medeverdachte 1] is in de nacht van 15 op 16 november 2024 naar de woning van verdachte [verdachte] gegaan waar verdachte [verdachte] aan hem één van de door verdachte [medeverdachte 2] geleverde explosieven heeft overhandigd. Op aanraden van verdachte [verdachte] - die daartoe geïnstrueerd was door verdachte [medeverdachte 2] – heeft verdachte [medeverdachte 1] zijn telefoon in de woning van verdachte [verdachte] achtergelaten. Vervolgens is verdachte [medeverdachte 1] op de fiets naar de [adres 2] in Nieuwkuijk gegaan. Daar heeft hij het explosief tegen de voordeur geplaatst en tot ontploffing gebracht. Daarna is hij weer teruggefietst naar de woning van verdachte [verdachte] en heeft daar nog enige tijd verbleven.

In de dagen na het plegen van het delict heeft verdachte [medeverdachte 2] verdachte [verdachte] geïnstrueerd aan verdachte [medeverdachte 1] een andere jas te geven. Verdachte [verdachte] heeft dit vervolgens gedaan. De jas van verdachte [medeverdachte 1] heeft verdachte [medeverdachte 2] meegenomen en weggemaakt. Ook de twee niet gebruikte explosieven die nog bij verdachte [verdachte] lagen, heeft verdachte [medeverdachte 2] na de aanslag weer opgehaald.

Medeplegen.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen. De samenwerking is daarbij belangrijker dan wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Om tot de conclusie te komen dat er sprake is van medeplegen, moet de verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage hebben geleverd die van voldoende gewicht is. Die bijdrage kan tijdens het delict plaatsvinden, maar ook daarvoor of daarna. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Op grond van de hiervoor weergegeven, door de rechtbank vastgestelde feiten, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten, gericht op het tot ontploffing brengen van een zwaar explosief voor de voordeur van de woning aan de [adres 2] te Nieuwkuijk. Ieder van de verdachten leverde hierbij een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht aan het delict.

Verdachte [medeverdachte 1] heeft het explosief geplaatst en tot ontploffing gebracht. Hij heeft daarmee het delict feitelijk begaan.

Verdachte [medeverdachte 2] is de initiator en opdrachtgever en heeft de benodigde spullen en de beloning voor verdachte [medeverdachte 1] geregeld. Ook was hij nauw betrokken bij de voorbereiding van het delict en bij het wegmaken van sporen naderhand.

Verdachte [verdachte] heeft gefungeerd als tussenpersoon en heeft verdachte [medeverdachte 1] geregeld voor het daadwerkelijk uitvoeren van de opdracht van verdachte [medeverdachte 2] . Ook verdachte [verdachte] is intensief bij de voorbereiding van het delict en bij het wegmaken van sporen betrokken geweest.

Bewezenverklaring van feit 2 primair.

De rechtbank acht het onder feit 2 primair ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, wettig en overtuigend bewezen.

Op grond van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat het handelen van de verdachten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen heeft veroorzaakt. Dit gevaar heeft zich in dit geval ook verwezenlijkt. Bewoonster [slachtoffer 1] is zwaargewond geraakt en er is aanzienlijke schade toegebracht aan de woning.

Bewezenverklaring feit 1 primair.

De rechtbank acht ook het ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord op de bewoners van de woning aan de [adres 2] te Nieuwkuijk wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Opzet op de dood.

Voor een bewezenverklaring van poging tot moord/doodslag is vereist dat de dader opzet heeft gehad op het gevolg, namelijk de dood van één of meer personen, conform de tenlastelegging de bewoners van de [adres 2] te Nieuwkuijk.

Niet bewezen kan worden dat het daadwerkelijk de bedoeling was van een van de verdachten om de bewoners van de [adres 2] te Nieuwkuijk van het leven te beroven. Daarvoor bevat het dossier geen bewijs. Van boos opzet is dus geen sprake. Echter, opzet omvat ook het zogenaamde ‘voorwaardelijk opzet’.

Juridisch kader voorwaardelijk opzet.

Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer het handelen van de verdachten een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg – in dit geval de dood van een of meer bewoners van de woning – teweeg heeft gebracht, verdachten zich bewust waren van die aanmerkelijke kans en die kans ook hebben aanvaard.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt vooral betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze gedraging is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te [slachtoffer 1] . Daaronder dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. dat het gevolg zal intreden.

Voor de vraag of er sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard. Echter, bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Aanmerkelijke kans.

Vaststaat dat de explosie ontzettend krachtig is geweest en met een grote drukgolf gepaard is gegaan. Het explosief is tegen de voordeur van de woning geplaatst hetgeen een immens risico veroorzaakte voor een ieder die zich in de nabijheid van die deur zou bevinden.

Dat de explosie een verwoestend effect heeft gehad, blijkt uit de ontstane schade aan de woning en het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel. Een stuk hout uit de voordeur is met enorme kracht door de hal gevlogen en dwars door de toiletdeur gegaan.

Gelet op het rapport explosievenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut, heeft de constructie honderd tot enkele honderden grammen flitspoeder bevat en was daarmee veel krachtiger dan bijvoorbeeld een Cobra 6. De in het explosief aanwezige fluitsas diende als effect- en voorlading en de op de camerabeelden waar te nemen fluittoon was na ontsteking duidelijk hoorbaar gedurende ongeveer 16 seconden.

Op het moment van de explosie waren vier mensen in de woning aanwezig. De kans dat één of meer van hen, gealarmeerd door de duidelijk hoorbare fluittoon en het licht dat zichtbaar was na het aansteken van de lont, poolshoogte zouden gaan nemen en zich naar de plek waar het geluid en het licht vandaan kwam, zouden begeven, is aanzienlijk.

In de gegeven omstandigheden was daarom naar het oordeel van de rechtbank sprake van een reële en niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat door het tegen de voordeur plaatsen en aansteken van dit specifieke explosief één of meer van de bewoners van de woning zouden komen te overlijden ten gevolge van de impact van de daarop volgende explosie.

Wetenschap en aanvaarding van de aanmerkelijke kans.

Alle drie de verdachten hebben het gebruikte explosief gedurende langere tijd onder zich gehad en hebben dus heel duidelijk kunnen zien hoe het eruitzag en welke afmetingen het had. Verder hebben verdachten kunnen voelen welk gewicht het had.

Verdachte [medeverdachte 2] heeft het explosief geleverd zodat hij geacht wordt bekend te zijn met de kracht en de werking ervan.

Voor verdachte [verdachte] was het blijkens zijn eigen verklaring ook direct duidelijk dat het een zeer zwaar explosief was en in de verste verte geen Cobra.

Hij wist wat voor gevolgen het kon hebben wanneer zo’n explosief ontploft. Hij heeft zijn handen om die reden van de uitvoering afgetrokken.

Ook verdachte [medeverdachte 1] heeft, ondanks zijn beperkte intellectuele vermogens, naar het oordeel van de rechtbank beseft dat hij met een zwaar explosief te maken had. Hij heeft het zelf beschreven als een klein model schoenendoos met een lange lont van 10 tot 15 centimeter eraan. Dit is zo afwijkend van de uiterlijke kenmerken van normaal vuurwerk, ook de zwaardere varianten zoals cobra’s, dat verdachte [medeverdachte 1] moet hebben geweten dat hij met een zwaar explosief te maken had.

Dat verdachten de aanmerkelijke kans op de dood van de bewoners van de woning bewust hebben aanvaard blijkt naar het oordeel van de rechtbank vooral uit het feit dat alle drie de verdachten, wetende dat zij te maken hadden met een zwaar en verwoestend explosief, er ieder voor zich bewust voor hebben gekozen om het plan door te zetten en het explosief bij de woning te plaatsen / te laten plaatsen zonder enige voorzorgsmaatregel te nemen om potentieel dodelijk letsel voor de bewoners te voorkomen.

Verdachte [medeverdachte 1] heeft het explosief geplaatst en aangestoken en ervoor gekozen om het direct tegen de voordeur aan te zetten. Hij had het explosief ook verder weg kunnen leggen, maar heeft dat niet gedaan. Verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben verdachte [medeverdachte 1] , een verstandelijk beperkte, kwetsbare en beïnvloedbare man, op pad gestuurd met een levensgevaarlijk explosief zonder enige verdere uitleg over of toezicht op de uitvoering. Niemand heeft voorafgaand aan of ten tijde van het plaatsen van het explosief gecontroleerd of er mensen in de woning aanwezig zouden zijn op het moment dat het explosief zou afgaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een volstrekt onverschillige houding van de verdachten ten aanzien van de gevolgen van hun handelen.

Conclusie:

Alle verdachten hadden voorwaardelijk opzet op de dood van de bewoners van de woning aan de [adres 2] in Nieuwkuijk.

Voorbedachte raad. Het handelen van verdachten was georganiseerd en planmatig.Er is sprake van een behoorlijk tijdsverloop tussen het geven en bespreken van de opdracht en de uitvoering daarvan.

Op 6 november 2024 heeft een voorverkenning door verdachten plaatsgevonden. Ieder van de verdachten heeft meer dan voldoende gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad. Er was voor elk van de verdachten ook voldoende tijd en gelegenheid om zich terug te trekken. De verdachten zijn echter doorgegaan met hun gezamenlijke plan en hebben dat op 16 november 2024 ten uitvoer gelegd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de ten laste gelegde voorbedachte raad wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring van feit 1 primair.

Het voorgaande maakt dat het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard.

Samenloop.

Er is sprake van eendaadse samenloop tussen feit 1 primair en feit 2. Verdachten hebben één strafbaar feit gepleegd waarop in dit geval twee strafbepalingen uit het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn. Bij het bepalen van de straf zal de rechtbank, gelet op artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, de strafbepaling met de zwaarste strafbedreiging toepassen. Dat is in dit geval artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (moord).

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen en hetgeen daarover is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1 primair:

op 16 november 2024 te Nieuwkuijk, gemeente Heusden, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een of meer bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, - een voorwerp, houdende een explosieve stof, heeft geplaatst tegen de voordeur van voormelde woning en - vervolgens dit voorwerp, houdende een explosieve stof, tot ontbranding en ontploffing heeft gebracht, ten gevolge waarvan een explosie ontstond (terwijl de bewoners van voornoemde woning in die woning aanwezig waren), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 2 primair:

op 16 november 2024 te Nieuwkuijk, gemeente Heusden, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een voorwerp, houdende een explosieve stof, tegen de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 2] te plaatsen en voornoemd voorwerp, houdende een explosieve stof, tot ontbranding/ontploffing te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en de inboedel en zich in nabijheid van die woning bevindende objecten en - levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van voornoemde woning te duchten was.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Psychische overmacht.

Namens verdachte is een beroep gedaan op psychische overmacht en is ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Verdachte stelt geen andere keuze te hebben gehad dan verdachte [medeverdachte 1] te regelen voor de klus omdat verdachte [medeverdachte 2] hem onder druk zette, bedreigde en hij vreesde voor zijn veiligheid en die van zijn dierbaren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting zijn de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van twaalf jaar met aftrek van voorarrest en oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht in de vorm van een gebiedsverbod voor de [adres 2] met een straal van 500 meter (met uitzondering van de A59) en daarbij te bepalen dat er op iedere overtreding twee weken hechtenis staat, met een maximum van zes maanden, voor de duur van vijf jaar.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft – in geval van een bewezenverklaring – verzocht acht te slaan op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het reclasseringsadvies en aangehaalde jurisprudentie. Zij heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan door de ofiicer van justitie geëist.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Aard en ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een aanslag op een woning. Verdachte [medeverdachte 2] heeft verdachte de opdracht gegeven om een zwaar explosief bij de woning te laten ontploffen. Verdachte heeft geweigerd dit zelf te doen maar heeft wel verdachte [medeverdachte 1] hiervoor geregeld. [medeverdachte 1] heeft de opdracht vervolgens uitgevoerd tegen een vergoeding van 300 euro en een halve gram cocaïne.

De aanslag heeft zeer ernstige gevolgen gehad voor de bewoners van de [adres 2] in Nieuwkuijk. Het leven van het gezin, bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter, is letterlijk in één klap drastisch veranderd en totaal op zijn kop gezet.

[slachtoffer 1] (moeder) is zwaargewond geraakt ten gevolge van de ontploffing. Zij heeft zeer zwaar beenletsel opgelopen. Zij zal hierdoor levenslang ernstig beperkt blijven in haar mobiliteit. Haar verwondingen waren levensbedreigend en zij heeft doodsangsten uitgestaan.Ze heeft het aan het adequate handelen van haar gezin en het professionele optreden van de hulpverleners te danken dat ze het incident heeft overleefd.

[slachtoffer 2] (vader) heeft zijn vrouw zwaargewond aangetroffen en vreesde dat zij het niet zou overleven. [slachtoffer 2] heeft gehoorschade opgelopen en kampt tot op de dag van vandaag met tinnitusklachten.

Ook de kinderen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , beiden jonge tieners, hebben hun moeder zeer zwaar gewond in de hal van de woning zien liggen en vreesden dat zij dood zou gaan.

Het hele gezin is door de explosie en de gevolgen daarvan in een nachtmerrie beland. Naast het fysieke letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , hebben alle gezinsleden te kampen met ernstige psychische klachten. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden allebei al vele jaren een goede en stabiele baan. Zij zijn allebei arbeidsongeschikt geraakt en tot op heden niet in staat om weer aan het arbeidsproces deel te nemen.

Rol van verdachte.

Verdachte heeft de opdracht van [medeverdachte 2] in eerste instantie zelf aangenomen maar toen hij besefte dat het te gebruiken explosief veel zwaarder en gevaarlijker was dan de cobra waar het in eerste instantie over ging, heeft hij geweigerd de opdracht zelf uit te voeren.

De rechtbank vindt het onbegrijpelijk en neemt het verdachte in hoge mate kwalijk dat hij vervolgens, terwijl hij wist hoe gevaarlijk het explosief was, de opdracht heeft ‘doorgeschoven’ naar verdachte [medeverdachte 1] . Verdachte kende [medeverdachte 1] al langer en wist van zijn verstandelijke beperking, drugsverslaving, kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid. Dit was voor verdachte ook juist de reden om [medeverdachte 1] te vragen. ‘Een gemakkelijke prooi’ aldus verdachte zelf in zijn verklaring. Verdachte is verder actief betrokken geweest bij de voorbereiding, het faciliteren en de afhandeling van het delict.

Houding van verdachte.

Verdachte heeft in eerste instantie elke betrokkenheid ontkend. Uiteindelijk heeft hij in zijn politieverhoren openheid van zaken gegeven en uitgebreid verklaard over zijn eigen betrokkenheid en die van de medeverdachten bij het gepleegde delict. Hoewel verdachte nog steeds niet helemaal lijkt in te zien dat hij een zeer belangrijke rol heeft gespeeld bij het gepleegde delict, heeft hij ter zitting wel zijn medeleven met de slachtoffers betoond en excuses aangeboden.

Maatschappelijke impact.

Het gepleegde feit heeft, mede gelet op de zeer ernstige gevolgen voor de slachtoffers, geleid tot gevoelens van woede, angst en onrust in de maatschappij.

Deze zaak kan worden beschouwd als één van de treurige dieptepunten in de maatschappelijke trend van de laatste jaren, waarbij mensen in het kader van allerlei uiteenlopende conflicten zware explosieven laten ontploffen in of bij woningen.

Persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

 Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

 Rapportages

De reclassering van [naam] heeft op 13 januari 2026 over verdachte gerapporteerd. Er zijn zorgen over verdachte op het gebied van huisvesting, sociaal netwerk, zijn psychosociaal functioneren en zijn houding. Hoewel verdachte aangeeft een zeer beperkt sociaal netwerk te onderhouden, ziet de reclassering zijn sociaal netwerk als delictgerelateerd. Verdachte onderhield geregeld contact met (één van) de medeverdachten, waarvan hij weet zou hebben gehad dat hij criminaliteit niet schuwde. In gesprek bespeuren zij een berekenende houding. Verdachte zegt gemotiveerd te zijn voor hulpverlening, maar blijkt enkel concreet een hulpvraag te hebben op het gebied van huisvesting.

Bij een veroordeling wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd. De reclassering vindt interventies of toezicht niet passend. Zij zien momenteel geen rol voor de reclassering. Verdachte lijkt prima in staat om zijn zaken te regelen en maakt al jarenlang daarin eigen bewuste keuzes. De reclassering heeft niet de indruk dat interventies vanuit de reclassering invloed zullen hebben op zijn denkpatronen en gedrag. De toekomst moet uitwijzen of betrokkene juiste keuzes maakt.

Er worden geen contra-indicaties gezien voor het opleggen van een gevangenisstraf.

De straf

De rechtbank is van oordeel dat enkel een langdurige gevangenisstraf recht doet aan de ernst van het gepleegde delict en de gevolgen hiervan voor de slachtoffers.

Alles afwegende en met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen over de rol en houding van verdachte, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Geen maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.

Door de officier van justitie is ook verzocht de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Omdat de maatregel directe ingaat en voor maximaal vijf jaar kan worden opgelegd, ziet de rechtbank – gelet op de op te leggen straf – geen aanleiding tot oplegging van deze maatregel.

De vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de toewijzing van de door familie [achternaam] ingediende vordering(en).

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft, gelet op het primaire standpunt van de verdediging om verdachte integraal vrij te spreken, verzocht de vordering af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Mocht de rechtbank daaraan voorbij gaan, wordt bepleit dat de vordering een te grote belasting van het strafgeding oplevert en wordt verzocht de vordering niet te beoordelen, maar dit aan de civiele rechter over te laten. Mocht de rechtbank wel tot een inhoudelijke beoordeling overgaan, laat de verdediging zich slechts uit over de schadeposten die door de verdediging nadrukkelijk worden betwist. Ten aanzien van de posten waartegen geen verweer wordt gevoerd, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

[slachtoffer 1]

 Immateriële schade

De verdediging heeft verzocht de verhoging van 25% vanwege de hoge schuldgradatie af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair te matigen. Ook wordt verzocht de vorderingen namens het rechter- en linkerbeen te matigen nu onvoldoende is onderbouwd door de raadsvrouw waarom de bedragen aan de bovengrens van de Rotterdamse schaal zijn vastgesteld, terwijl ook ruimte is om deze schade aan de ondergrens van die schaal vast te stellen: € 67.000,- respectievelijk € 66.000,-

 PTSS

Verzocht wordt de gevraagde verhoging af te wijzen, niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel te matigen. Daarnaast kunnen lichamelijke en psychische schade weliswaar feitelijk tegelijk bestaan en elkaar versterken, maar deze kunnen niet leiden tot aparte immateriële vergoedingen en kunnen dus ook niet leiden tot cumulatieve vorderingen / schadeposten naast elkaar. Dat zou leiden tot een dubbele vergoeding voor dezelfde rechtsfiguur. Verzocht wordt de post af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

 WMO

De verdediging heeft verzocht het primair gevorderde af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren omdat de schade nog niet is geleden en het onzeker en speculatief is dat de wetswijziging van kracht wordt. De verdediging refereert zich aan de hoogte van de subsidiair gevorderde post.

 Overige schadeposten

De verdediging heeft verzocht de gevorderde kosten voor de aanbouw af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren omdat het onduidelijk is hoe deze kosten zich verhouden tot de WMO-financiering.

Verzocht wordt de schade met betrekking tot de boot af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren omdat de schadepost in een te ver verband staat van het ten laste gelegde. Meer subsidiair wordt verzocht gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Daarnaast wordt gevraagd het liggeld niet toe te wijzen nu deze kosten al gemaakt zouden worden door benadeelde.

Met betrekking tot de persoonlijke benodigdheden verzoekt de verdediging de

vordering te matigen ten aanzien van het afscheid aan kledingstukken. De verdediging

ziet onvoldoende verband nu dit geen schade betreft, de kleding is immers niet

beschadigd doch wordt niet meer gedragen.

Met betrekking tot de post vervoer verzoekt de verdediging de posten autobelasting en autoverzekering af te wijzen/niet-ontvankelijk te verklaren. Deze posten staan in een te ver

verwijderd verband van het ten laste gelegde. De kosten zouden sowieso zijn gemaakt,

ook als dit voorval niet zou zijn gebeurd.

Voorts wordt gevraagd de post wasvergoeding te matigen nu niet voor de verdediging blijkt waardoor de was niet door [slachtoffer 2] of overige gezinsleden gedaan kon worden. Het is ook niet duidelijk hoe deze post zich verhoudt tot de schadepost huishoudelijke hulp.

Voor de begrote eigen bijdrage 2026 wordt gevraagd deze af te wijzen dan wel

niet-ontvankelijk te verklaren. Dit is schade die thans nog niet is geleden en aldus

mogelijke toekomstige schade betreft.

[slachtoffer 2]

 Verlies arbeidsvermogen

De verdediging verzocht de verhoging van de vordering met € 300.000,- af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Deze toekomstige schadepost is onvoldoende onderbouwd noch concreet nu er nog geen medische eindstand bekend is. Wat betreft de vordering van € 4.751,- refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

 Tinnitus en verhoging

Verzocht wordt de verhoging van 25% af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. De gevorderde schade betreft een bedrag aan de bovengrens van de Rotterdamse

Schaal waarvan de verdediging niet kan vaststellen waarom niet een lager bedrag

passend is. Uit de aanvullende stukken en de vervolgevaluatie is gebleken dat zijn

hersenen het geluid van tinnitus opnieuw zouden kunnen verwerken en [slachtoffer 2] hier ook

bepaalde vaardigheden in heeft aangeleerd. Daarbij blijkt uit de bijlagen dat sprake is van

een licht gehoorverlies. Vast staat dat de winst van het behandeltraject niet duidelijk is op

het moment van indiening van de vordering. Nu dit onduidelijk is gebleven wordt verzocht

de post te matigen tot een bedrag van € 20.000,-.

 Eigen bijdrage 2026

Verzocht wordt de post af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren nu de schade thans nog niet is geleden en aldus mogelijke toekomstige schade betreft.

 PTSS

Verzocht wordt de verhoging van 25% af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel te matigen. De lichamelijke en psychische schadeposten kunnen weliswaar feitelijk tegelijk bestaan en elkaar versterken, maar deze kunnen niet leiden tot aparte immateriële vergoedingen en kunnen dus ook niet leiden tot cumulatieve vorderingen naast elkaar. Dat zou leiden tot een dubbele vergoeding voor dezelfde rechtsfiguur. Verzocht wordt de aparte post PTSS af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

 Shockschade

Voor de verdediging is het lastig om de causale verbanden te onderscheiden met betrekking tot de gevorderde vergoeding voor PTSS en affectieschade. De verdediging verzoekt daarom de vordering af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel fors te matigen nu het uitzoeken daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

[slachtoffer 3]

 Immateriële schade

Verzocht wordt de gevraagde verhoging van 25% af te wijzen, niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel te matigen. Voor de verdediging is het lastig om de causale verbanden te onderscheiden met betrekking tot de gevorderde vergoeding voor PTSS en affectieschade nu volgens de bijlagen ook sprake lijkt te zijn van overlap. In de productie, toelichting psycholoog, wordt de PTSS niet nader toegelicht. Verzocht wordt deze post daardoor, nu het uitzoeken daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren, af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren dan wel fors te matigen.

[slachtoffer 4]

 Immateriële schade

Verzocht wordt de gevraagde verhoging van 25% af te wijzen, niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel te matigen. Voor de verdediging is het lastig om de causale verbanden te onderscheiden met betrekking tot de gevorderde vergoeding voor PTSS en affectieschade nu volgens de bijlagen ook sprake lijkt te zijn van overlap. In de productie, toelichting psycholoog, wordt de PTSS niet nader toegelicht. Verzocht wordt deze post daardoor, nu het uitzoeken daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren, af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren dan wel fors te matigen.

Beoordeling.

De beslissing van de rechtbank ten aanzien van elk onderdeel van de vorderingen is in de onderstaande tabel weergegeven. Voor wat betreft de grondslag voor de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Wat betreft de toegewezen vorderingen zal de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 (materieel – datum indienen vordering) en 16 november 2024 (immaterieel – datum bewezen verklaarde feiten) worden toegewezen. Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht telkens passend en geboden geacht.

Niet-ontvankelijkheidsverklaring

Voor zover de rechtbank een van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in (een gedeelte van) een onderdeel van de vordering, kan de benadeelde partij deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Proceskosten.

De rechtbank zal verdachte voorts telkens veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met een anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Betalingsverplichting.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 45, 47, 55, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Bewezenverklaring.

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Strafbaarheid.

- verklaart dat het bewezen verklaarde strafbaar is en de volgende misdrijven oplevert:

Ten aanzien van feit 1 primair:

medeplegen van poging tot moord,

in eendaadse samenloop gepleegd met

Ten aanzien van feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Strafoplegging.

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair:

 een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partijen.

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair:

- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1], van een bedrag van 323.861,36 euro.

- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 123.861,36 euro materiële schade en 200.000,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 323.861,36 euro, bestaande uit 123.861,36 euro materiële schade en 200.000,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;

- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair:

- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2], van een bedrag van 62.771,37 euro.

- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 264 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 5.271,37 euro materiële schade en 57.500,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 62.771,37 euro, bestaande uit 5.271,37 euro materiële schade en 57.500,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;

- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair:

- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 42.500,00 euro.

- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 200 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 42.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;

- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair:

- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4], van een bedrag van 42.500,00 euro.

- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 200 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] :

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van 42.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;

- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. E.C.L. Pechaczek en mr. S.H. Schepers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 3 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.J.W. Hermans
  • mr. E.C.L. Pechaczek
  • mr. S.H. Schepers

Griffier

  • mr. N.J.S. Doornbosch

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?